|
Uitspraak
03/3905 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen een door de rechtbank Groningen op 15 mei 2003 tussen partijen
gegeven uitspraak (reg.nr. AWB 02/1036 ZW), waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met het geding tussen partijen, bekend onder
nummer 03/2883 WAO, behandeld ter zitting van de Raad op 19 januari
2005, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. B. van Dijk,
en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door W.R. Bos,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad verwijst in de eerste plaats naar hetgeen hij met betrekking tot
de feiten reeds in zijn uitspraak van heden in het geding tussen
partijen, bekend onder nummer 03/2883 WAO, heeft vastgesteld en
overwogen. Hij voegt hier het volgende aan toe.
Blijkens de stukken ontving appellant sinds november 1999 een uitkering
ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: de WW). Op 5 maart 2002 meldde
appellant zich ziek met rug-, nek- en maagklachten. Hij werd meerdere
keren gezien door verzekeringsarts A. Affara, die daarbij beschikte over
informatie van neurochirurg P.M. Oosten en die op 13 september 2002
vaststelde dat de klachten (van de nek/rug) dezelfde waren, dan wel iets
verergerd waren, vergeleken met de beoordeling in het kader van de WAO,
maar dat de belastbaarheid ongewijzigd was. Genoemde verzekeringsarts
concludeerde vervolgens tot arbeidsgeschiktheid van appellant voor de
destijds in het kader van de WAO geduide functies. In aansluiting hierop
is appellant bij besluit van 17 september 2002 ziekengeld geweigerd, op
de grond dat hij met ingang van 16 september 2002 niet langer ongeschikt
wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
In het kader van de bezwaarprocedure is appellant gezien door
bezwaarverzekeringsarts A. van Bruggen. Deze concludeert in zijn rapport
van 11 november 2002, mede op basis van informatie van revalidatiearts
A. Coster, dat bij appellant op de datum in geding wel degelijk
beperkingen bestonden ten aanzien van de nek, met name voor extensie en
grotere rotaties, maar dat met inachtneming van die beperkingen vier van
de destijds aan appellant voorgehouden functies, te weten de functies
van medewerker vul- en stikwerk matrassen, dekbedden e.d.,
winkelbediende textielreiniging, hulpmedewerker tandtechnisch lab. en
melkgift-monsternemer, een en ander als vermeld in de
arbeidsmogelijkhedenlijst van 16 september 2002, nog steeds passend
zijn. In overeenstemming hiermee is het bezwaar van appellant tegen het
besluit van 17 september 2002 bij het bestreden besluit van 11 november
2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat de uitspraak van
de rechtbank gebrekkig is omdat niet op alle gronden van het
beroepschrift afzonderlijk is ingegaan en, voorts dat door zijn
verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 11
november 2002 wel degelijk is gemotiveerd waarom hij met ingang van 16
september 2002 arbeidsongeschikt dient te worden geacht. Ter zitting
heeft appellant nog gewezen op de in het kader van zaak 03/2883 WAO
ingebrachte informatie van behandelend neuroloog D.J. Heersema en
huisarts P.M. Hoekstra van januari 2005, waaruit blijkt dat bij
appellant een nekhernia is vastgesteld.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (hierna: ZW)
heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van
ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.
Naar de Raad reeds bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn
arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk vóór de
ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt volgens vaste
jurisprudentie van de Raad echter in zoverre uitzondering dat, wanneer
de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben
ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig
werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is
geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een
uitkering ingevolge de WAO. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen
uitgesproken dat van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is
indien de verzekerde geschikt is voor tenminste één van de functies
die ten grondslag hebben gelegen aan de schatting in het kader van de
WAO. Zoals uit het vorenstaande blijkt is appellant in dat kader
geschikt geacht voor de functies van medewerker vul- en stikwerk
matrassen, dekbedden e.d., winkelbediende textielreiniging,
hulpmedewerker tandtechnisch lab. en melkgift-monsternemer.
De Raad staat derhalve voor de beantwoording van de vraag of gedaagde
zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant met ingang van
16 september 2002 geschikt moet worden geacht voor (ten minste één
van) deze vier functies.
Naar uit het vorenstaande reeds blijkt, zijn de beperkingen van
appellant, in vergelijking tot die welke golden in het kader van de
WAO-beoordeling, door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 11
november 2002 op het punt van de belastbaarheid van de nek aangescherpt.
Daarbij is aangegeven dat bij geen van de vier functies, behalve bij de
functie van bandster/coupeuse (fb-code 7965), sprake is van intensief
gebruik van de nek. Bij de functie van bandster/coupeuse is nog vermeld
dat het hierbij slechts gaat om intensief gebruik van de nek in
statische zin, hetgeen voor appellant haalbaar moet worden geacht.
De Raad ziet in de omtrent appellant beschikbare medische informatie
geen aanknopingspunten om te oordelen dat de beperkingen van appellant,
zoals deze door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 11
november 2002 zijn vastgesteld, zouden zijn onderschat. Daarbij merkt de
Raad nog op dat hij niet vermag in te zien hoe de verwijzing in beroep
en hoger beroep naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts
appellant kan baten, en dat de door appellant in hoger beroep
ingebrachte informatie van behandelend neuroloog D.J. Heersema en
huisarts P.M. Hoekstra niet ziet op de datum in geding, zodat deze
informatie reeds om die reden verder buiten aanmerking dient te worden
gelaten. De Raad merkt voorts nog op de door de bezwaarverzekeringsarts
in zijn rapport gegeven toelichting met betrekking tot het gebruik van
de nek bij de functie van bandster/coupeuse toereikend te achten.
Hieruit volgt dat de thans ter beantwoording voorliggende vraag
bevestigend moet worden beantwoord en wel in die zin dat appellant met
ingang van 16 september 2002 niet ongeschikt moet worden geacht voor
alle vier in geding zijnde functies.
Met betrekking tot de grief van appellant dat de uitspraak van de
rechtbank gebrekkig is omdat niet op alle gronden van het beroepschrift
afzonderlijk is ingegaan overweegt de Raad dat deze gronden moeten
worden geacht besloten te liggen in hetgeen in de uitspraak van de
rechtbank is overwogen onder de ‘Beoordeling van het geschil’. De
Raad wijst er daarbij nog op dat, naar hij reeds eerder heeft overwogen
(onder meer in zijn uitspraak van 7 april 1998, gepubliceerd in AB
1999/32), uit artikel 8:69, noch uit artikel 8:77, eerste lid, aanhef en
onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voortvloeit dat de
rechtbank is gehouden op alle in beroep aangevoerde argumenten
afzonderlijk in te gaan.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid
van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 2 maart 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|