|
Uitspraak
03/2842 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. H. Koelewijn, advocaat te Woerden, op bij
aanvullend beroepschrift ingediende gronden, hoger beroep ingesteld
tegen een door de rechtbank Rotterdam op 24 april 2003, onder reg.nr.
ZW 02/830, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant is bij brief van 21 juli 2003 nog een nader stuk
ingezonden.
Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 22 november 2004 inlichtingen
verstrekt, waarop namens appellant bij brief van 10 december 2004 is
gereageerd.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 2 februari 2005, waar appellant en gedaagde, beiden met
voorafgaand schriftelijk bericht, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant was sedert 25 januari 1999 werkzaam als oproepkracht in de
functie van internationaal vrachtwagenchauffeur. Op 3 juli 2000 is
appellant in het ziekenhuis opgenomen wegens een operatie. Nadien heeft
hij niet meer gewerkt. Op 23 juli 2001 heeft appellant gedaagde verzocht
hem in verband met dit ziektegeval uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW)
toe te kennen. Bij besluit van 28 november 2001 heeft gedaagde appellant
ziekengeld toegekend vanaf 3 juli 2000 en in verband met te late
ziektemelding over de periode van 5 juli 2000 tot en met 1 juli 2001 de
maatregel opgelegd van 20% korting. Bij besluit van 6 maart 2002
(hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellant
tegen het besluit van 28 november 2001 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant
tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat ten onrechte een
maatregel is opgelegd. Appellant stelt dat hij ten onrechte voorafgaande
aan het primaire besluit niet is gehoord, dat ten onrechte alleen bij de
werkgever gegevens zijn verzameld, dat zijn belangen niet zijn
meegewogen en dat daarom het bestreden besluit onzorgvuldig is
voorbereid. Appellant meent dat ten tijde van zijn uitval sprake was van
een dienstbetrekking, zij het zonder loondoorbetalingsverplichting, en
stelt dat niet hij maar de werkgever hem bij gedaagde ziek had moeten
melden. Appellant heeft zich in juni 2000 bij zijn werkgever ziek
gemeld, zodat de late melding hem niet kan worden tegengeworpen. Voor
zover appellant toch zelf zijn ziekte bij gedaagde had moeten melden
meent appellant dat de late melding hem niet kan worden verweten, omdat
hij ervan uit ging dat hij geen recht had op ziekengeld, en dat de
omstandigheid dat zijn moeder hem tijdens zijn ziekte heeft verzorgd en
vanuit haar kleine pensioen heeft moeten onderhouden omdat hij geen
inkomsten had, een dringende reden vormt om van het opleggen van een
maatregel af te zien. Tenslotte vordert appellant schadevergoeding in de
vorm van wettelijke rente over de na te betalen uitkering.
Gedaagde heeft zijn eerder ingenomen standpunt gehandhaafd en voorts
gemotiveerd aangegeven waarom zijns inziens geen sprake is van een
dringende reden als hiervoor vermeld.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad stelt vast dat appellant werkzaam was op basis van een
arbeidsovereenkomst met het karakter van een arbeidsovereenkomst met
uitgestelde prestatieplicht. Deze arbeidsovereenkomst is op 25 januari
1999 aangegaan voor een periode van drie maanden. Appellant heeft na
afloop van die periode zijn werkzaamheden als oproepkracht voortgezet
tot enige dagen voor zijn uitval begin juli 2000.
Ingevolge artikel 7:667, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW)
eindigt een arbeidsovereenkomst van rechtswege, wanneer de tijd is
verstreken bij overeenkomst, bij de wet of door het gebruik aangegeven.
Artikel 7:668, eerste lid, van het BW bepaalt dat, indien de
arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de tijd, bedoeld in artikel
667, eerste lid, door partijen zonder tegenspraak wordt voortgezet, zij
geacht wordt voor dezelfde tijd, doch telkens ten hoogste voor een jaar,
op de vroegere voorwaarden te zijn aangegaan. Voorts geldt ingevolge
artikel 7:668a, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW, vanaf de dag
dat tussen dezelfde partijen meer dan 3 voor bepaalde tijd aangegane
arbeidsovereenkomsten elkaar met tussenpozen van niet meer dan 3 maanden
hebben opgevolgd, de laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor
onbepaalde tijd.
De Raad is niet gebleken dat aansluitend aan 25 april 1999 tussen
appellant en de werkgever schriftelijke arbeidsovereenkomsten zijn
aangegaan. De Raad gaat er dan ook vanuit dat de per 25 januari 1999
aangegane arbeidsovereenkomst na 25 april 1999 ten minste drie keer
stilzwijgend is verlengd, steeds voor een periode van drie maanden,
zodat deze per 25 januari 2000 geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd.
Een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd eindigt wanneer deze
rechtsgeldig is beëindigd. Van enige vorm van beëindiging is de Raad
niet gebleken zodat, naar appellant terecht heeft aangevoerd, ten tijde
in geding sprake was van een dienstbetrekking. Gelet daarop was, anders
dan appellant meent, de werkgever op grond van artikel 7:629, eerste
lid, van het BW in geval van ziekte verplicht appellant loon door te
betalen. In dat verband wijst de Raad erop dat artikel 7:628 van het BW,
dat de mogelijkheid biedt loondoorbetaling onder bepaalde omstandigheden
uit te sluiten, niet ziet op de loondoorbetalingsverplichting bij
ziekte. Elk beding waarbij die verplichting wordt uitgesloten is nietig.
Gedaagde heeft dan ook ten onrechte aangenomen dat de in de
schriftelijke arbeidsovereenkomst opgenomen uitsluiting van de
loondoorbetalingsverplichting ook bij ziekte van de werknemer aan de
orde was.
Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW wordt,
behoudens enige hier niet relevante uitzonderingen, geen ziekengeld
uitgekeerd, indien de verzekerde uit hoofde van de dienstbetrekking
krachtens welke hij arbeid behoort te verrichten, recht heeft op loon
als bedoeld in artikel 7:629 van het BW. Gezien het vorenoverwogene was
er ten tijde van appellants uitval wegens ziekte een dienstbetrekking en
had hij in beginsel recht op loondoorbetaling. Gelet daarop bood ook
artikel 46 van de ZW, het wetsartikel waarop gedaagde het bestreden
besluit mede heeft gebaseerd, geen grondslag voor de toekenning van
ziekengeld. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden
besluit niet in stand kan blijven. De aangevallen uitspraak dient
derhalve te worden vernietigd. Echter gezien het in artikel 8:69 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verbod van reformatio in
peius, zal de Raad tevens bepalen dat de rechtsgevolgen van het
vernietigde besluit in stand blijven.
Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, laat de Raad de overige grieven
van appellant buiten beschouwing.
In het vorenstaande ziet de Raad aanleiding gedaagde op grond van
artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant
in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 966,-
voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag
groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde recht van € 118,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid
van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 16 maart 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|