|
Uitspraak
03/2414 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 25 maart 2002 is appellant vanwege gedaagde in kennis
gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: het
bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).
De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 29 april 2003
(AWB 02/946 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak
in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 8 oktober 2003 heeft appellant de Raad nog stukken doen
toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 2 februari 2005,
waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich niet
heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Appellant is op 6 juni 2001 wegens psychische klachten ongeschikt
geworden voor zijn werk als oproepkracht bij een koeriersdienst. Naar
aanleiding hiervan is hem ziekengeld toegekend. Dit koerierswerk, dat
hij drie avonden per week voor 2 tot 3 uur per avond verrichtte, heeft
appellant een aantal jaren gecombineerd met zijn volledige betrekking
overdag in administratief werk. Dit laatste dienstverband is per 1
december 2001 beëindigd.
Terzake van het onderhavige ziektegeval heeft appellant, die in het
verleden een dotterbehandeling heeft ondergaan, verschillende keren het
spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Blijkens het afschrift
medische kaart heeft deze op het spreekuur van 10 oktober 2001
vastgesteld dat het met appellant na een opname in het herstellingsoord
“Mutsaersoord”, die van 9 juli 2001 tot 30 september 2001 duurde,
wat beter ging maar dat nog wel sprake was van surmenage en
vermoeidheid. Op het spreekuur van 19 februari 2002 heeft de betrokken
verzekeringsarts uiteindelijk geconstateerd dat appellant, ondanks veel
spanningen, geen beperkingen meer had die hem ongeschikt maakten voor
zijn werk als koerier. Appellant is vervolgens met ingang van 25
februari 2002 hersteld verklaard.
Bij besluit van 22 februari 2002 is aan appellant dienovereenkomstig met
ingang van 25 februari 2002 geen ziekengeld meer toegekend.
Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en is naar aanleiding
hiervan op 22 maart 2002 gezien door een bezwaarverzekeringsarts. Deze
heeft kennis genomen van de beschikbare medische gegevens, waaronder een
onderzoeksverslag van vorenbedoelde opname, en na onderzoek van
appellant geconcludeerd dat appellants vermoeidheidsklachten niet
zodanig waren dat hij zijn werk als koerier in de avonduren niet zou
kunnen verrichten.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar tegen voormeld besluit van 22
februari 2002 dan ook ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van
de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts.
De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen
reden voor een andersluidend oordeel. Uit de door de betrokken
verzekeringsartsen opgestelde rapporten blijkt dat deze een zorgvuldig
onderzoek hebben ingesteld naar de aard en de ernst van appellants
klachten. In aanmerking genomen dat deze artsen kennis hebben genomen
van de rapportage van voormeld herstellingsoord, kan naar het oordeel
van de Raad niet worden gezegd dat de conclusie, dat appellant niet
langer ongeschikt was voor zijn koerierswerk, op onverantwoorde wijze is
tot stand gekomen. De Raad merkt hierbij nog op dat appellants
administratieve betrekking overdag ten tijde in geding na een
reorganisatie definitief was beëindigd, zodat met eventueel uit dit
werk voortvloeiende belastende elementen voor de beoordeling in dit
geding geen rekening hoeft te worden gehouden. Uit de door appellant in
hoger beroep overgelegde rapporten van Argonaut B.V. van 30 januari 2003
en 1 september 2003 is weliswaar af te leiden dat appellant niet dan wel
slechts ten dele zou kunnen werken op de reguliere arbeidsmarkt en
aangewezen zou zijn op werk in beschutte omstandigheden, maar de Raad
ziet geen aanwijzingen dat dit ook geldt voor de hier in geding zijnde
datum.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid
van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 16 maart 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|