|
Uitspraak
03/2030 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift, met bijlagen,
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een 18 maart 2003 door
de rechtbank Middelburg gegeven uitspraak (reg.nr. Awb 01/590), waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft, hoewel daartoe uitgenodigd, geen verweerschrift
ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 26 januari 2005, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 29 mei 2001 heeft appellant aan [werkneemster],
werkneemster van gedaagde (hierna: werkneemster), meegedeeld dat aan
haar geen uitkering krachtens de Ziektewet (ZW) wordt toegekend, omdat
haar op 22 februari 2001 aangevangen arbeidsongeschiktheid niet het
gevolg is van zwangerschap.
Het namens de werkneemster door gedaagde ingediende bezwaar heeft
appellant bij het aan de werkneemster gerichte besluit van 13 september
2001 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Vervolgens heeft mr. E.A.A.M. Mijnsbergen, werkzaam bij Schipper
Accountants te Goes, namens gedaagde beroep ingesteld tegen het
bestreden besluit.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak onder meer het beroep
gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, omdat er sprake
zou zijn van een onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd
besluit.
In hoger beroep heeft appellant uiteen gezet dat en waarom de
bezwaarverzekeringsarts vasthoudt aan zijn conclusie dat de
arbeidsongeschiktheid van de werkneemster van 22 februari 2001 geen
causaal verband houdt met de zwangerschap.
De Raad heeft zich allereerst een oordeel gevormd over de vraag of de
rechtbank gedaagde terecht in het beroep heeft ontvangen en in verband
met deze vraag het volgende overwogen.
Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de
rechtbank. Bij uitspraken van 24 september 2002 (JB 2002, 342) heeft de
Raad geconcludeerd dat de werkgever ten aanzien van een besluit omtrent
aanspraken van een werknemer op ziekengeld, als belanghebbende in de zin
van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb moet worden beschouwd. In een
uitspraak van 1 oktober 2003 (LJN AM3310) heeft de Raad beslist dat
deze conclusie niet geldt, indien de uitzondering van het per 1 maart
2003 vervallen artikel 2a van de ZW van toepassing is. Tevens heeft de
Raad in laatstgenoemde uitspraak overwogen dat artikel 2a in de ZW is
opgenomen, teneinde te voorkomen dat de werkgever als belanghebbende zou
kunnen worden aangemerkt ten aanzien van besluiten betreffende de
arbeidsongeschiktheid van de werknemer. De strekking van artikel 2a van
de ZW brengt verder naar het oordeel van de Raad met zich mee dat het
artikel niet alleen betrekking heeft op besluiten waarbij in geschil is
of al dan niet sprake is van arbeidsongeschiktheid, maar eveneens op
besluiten waarbij aard en oorzaak van de arbeidsongeschiktheid aan de
orde zijn.
Aan het bestreden besluit ligt een beoordeling van de
arbeidsongeschiktheid van de werkneemster ten grondslag. Ten tijde in
geding was artikel 2a van de ZW nog van toepassing. De rechtbank heeft
daarom het beroep van gedaagde ten onrechte ontvankelijk geacht. Dit
oordeel brengt met zich mee dat de aangevallen uitspraak voor
vernietiging in aanmerking komt en dat de Raad zal doen hetgeen de
rechtbank had behoren te doen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde
Kalter en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J.
Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|