|
Uitspraak
03/1093 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 17 mei 2002 is appellant vanwege gedaagde in kennis
gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: het
bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 24 januari 2003 (AWB
02/2971 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. C.A. Madern, advocaat te Amsterdam, op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger
beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellants gemachtigde heeft de Raad bij brief van 5 augustus 2003 nog
stukken doen toekomen, waarop gedaagde heeft gereageerd door inzending
van een rapport van 20 augustus 2003 van een bezwaarverzekeringsarts.
Het geding is behandeld ter zitting van 26 januari 2005, waar appellant
in persoon is verschenen, bijgestaan door N. Sari als tolk, en waar
gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H. van Buren,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant, die van 15 juni 2000 tot 15 juni 2001 als productiemedewerker
voor 40 uur per week in dienst was van een wolfabriek, heeft zich op 13
maart 2001 ziek gemeld wegens klachten van de rug en rechterheup en pijn
in de linker testis.
Blijkens het afschrift van de medische kaart heeft een verzekeringsarts
op het spreekuur van 9 november 2001 vastgesteld dat bij appellant, die
al jarenlang blind is aan het rechteroog als gevolg van een
auto-ongeval, sprake is van een lichte hypertone rugmusculatuur, zonder
duidelijke bewegingsbeperkingen. Een door appellants huisarts aan de
verzekeringsarts gerichte brief van 18 november 2001 vermeldt dat de
uroloog geen afwijkingen heeft gevonden.
Op 4 januari 2002 is appellant opnieuw gezien door een verzekeringsarts.
Na onderzoek stelde deze vast dat appellants klachten van de rug en het
rechter been niet te objectiveren waren. In de urogenitale klachten en
in de reeds jaren bestaande blindheid van het rechteroog zag de
bezwaarverzekeringsarts geen belemmering voor het verrichten van de
werkzaamheden in de wolfabriek. Daarbij is in aanmerking genomen dat
appellant wel zware balen wol diende te duwen en trekken, maar deze niet
hoefde te tillen. Appellant is vervolgens met ingang van 7 januari 2002
hersteld verklaard.
Bij besluit van 4 januari 2002 is dienovereenkomstig besloten om aan
appellant met ingang van 7 januari 2002 geen ziekengeld meer toe te
kennen.
In de bezwaarfase is appellant gezien door bezwaarverzekeringsarts W.G.J.
Berkhout. In aanmerking nemend dat bij lichamelijk onderzoek geen grove
pathologie was gevonden en ook uit de informatie van de huisarts geen
objectief substraat voor de klachten was gebleken, schaarde deze zich
achter de mening van de primaire verzekeringsarts.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar tegen het besluit van 4 januari
2002 vervolgens ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard en
daarbij overwogen dat de verzekeringsartsen een voldoende zorgvuldig
medisch onderzoek hebben ingesteld en er geen reden is te twijfelen aan
hun conclusie. Ook uit de door appellant in beroep overgelegde
informatie kon naar het oordeel van de rechtbank niet worden opgemaakt
dat de conclusies van de verzekeringsartsen, dat de klachten een medisch
objectiveerbaar substraat ontberen, voor onjuist moeten worden gehouden.
Gelet op de hiervoor weergegeven bevindingen van de betrokken
verzekeringsartsen verenigt de Raad zich met het oordeel van de
rechtbank en onderschrijft hij de daaraan ten grondslag gelegde
overwegingen. In hoger beroep heeft appellant verwezen naar de door hem
overgelegde medische gegevens, te weten een brief van 7 juli 2003 van
oogarts Y.P. Henry en een rapport d.d. 4 juli 2003 van psychiater S.
Bissessur. De Raad ziet in deze stukken echter geen reden voor een
andersluidend oordeel. De Raad verwijst in dit verband naar het rapport
van 20 augustus 2003 van bezwaarverzekeringsarts E.G. van der Jagt.
Zoals deze stelt is appellant al jarenlang bekend met (ernstige)
oogafwijkingen, maar hebben deze hem nooit belemmerd het werk in de
wolfabriek te verrichten. De oogklachten vormden ook geen reden voor de
uitval. De Raad acht verder, in navolging van deze
bezwaarverzekeringsarts, niet aannemelijk geworden dat de bevindingen
van psychiater Bissessur, die appellant in juni 2003 voor het eerst
heeft gezien, ook betrekking hebben op de datum in geding, 7 januari
2002. De in dit verband door voornoemde psychiater getrokken conclusie
is naar het oordeel van de Raad onvoldoende onderbouwd.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde
Kalter en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J.
Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2005.
(get). Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|