|
Uitspraak
02/3355 WAO en 02/3356 ZW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij brief van 11 januari 2000 is appellant namens gedaagde in kennis
gesteld van het besluit dat zijn uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, ingaande 8 maart 2000 wordt
herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25
tot 35%.
Na tegen het besluit van 11 januari 2000 gemaakt bezwaar heeft gedaagde
bij besluit van 14 november 2000 (hierna: besluit 1) dat besluit
herroepen en de herziening en vaststelling naar de mate van
arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% doen ingaan op 18 december 2000.
Bij brief van 31 mei 2001 is appellant namens gedaagde in kennis gesteld
van het besluit dat hij per 30 mei 2001 geen recht meer heeft op een
uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), op de grond dat hij per die datum
niet ongeschikt voor zijn arbeid wordt geacht.
Het tegen het besluit van 31 mei 2001 gerichte bezwaar heeft gedaagde
bij besluit van 2 augustus 2001 (hierna: besluit 2) ongegrond verklaard.
De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 4 juni 2002, nummer AWB
2000/1578 WAO Z, het tegen besluit 1 ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Bij uitspraak van 4 juni 2002, nummer AWB 2001/1196 ZW Z, heeft die
rechtbank het tegen besluit 2 ingestelde beroep eveneens ongegrond
verklaard.
Appellant heeft tegen deze uitspraken op bij aanvullende beroepschriften
uiteengezette gronden hoger beroep doen instellen.
Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.
De orthopedisch chirurg P.J. Brouwer heeft op 6 mei 2004 op verzoek van
de Raad van verslag en advies gediend.
De psychiater jhr. A.M. van Nispen tot Pannerden heeft op 1 november
2004 op verzoek van de Raad van verslag en advies gediend.
Gedaagde heeft op beide uitgebrachte rapporten een reactie ingezonden.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op
2 februari 2005, waar appellant niet is verschenen en gedaagde zich
heeft doen vertegenwoordigen door mr. C.H.M.J. Arets, werkzaam bij het
Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant, die werkzaam was als expeditiemedewerker, is op 15 september
1997 arbeidsongeschikt geworden als gevolg van rugklachten en heeft
ingaande 14 september 1998 een uitkering ingevolge de WAO ontvangen,
vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij primair besluit van 11 januari 2000 is de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellant ingaande 8 maart 2000 gesteld op 25
tot 35%. Bij besluit 1 is dit besluit herroepen en is de mate van
arbeidsongeschiktheid op 25 tot 35% gesteld ingaande 18 december 2000.
Dit besluit berust op een medische beoordeling door de verzekeringsarts,
waarbij voor appellant beperkingen zijn vastgesteld, welke nadien door
de bezwaarverzekeringsarts enigszins zijn aangescherpt. Met inachtneming
van die beperkingen heeft de bezwaararbeidsdeskundige op basis van de
vergelijking van de loonwaarde van door hem geselecteerde geschikte
functies met het maatmaninkomen de mate van arbeidsongeschiktheid
berekend op 26,9%.
Op 23 april 2001 heeft appellant, die naast zijn WAO-uitkering een
uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, zich in het kader van
de ZW ziek gemeld. Bij primair besluit van 31 mei 2001, in stand gelaten
bij besluit 2, is hij ingaande 30 mei 2001 geschikt geacht voor zijn
arbeid, zijnde de passend geachte functies in het kader van de WAO. Dit
besluit berust op een medische beoordeling, na onderzoek, van de
verzekeringsarts.
In beroep zijn de besluiten 1 en 2 namens appellant op medische gronden
bestreden, waarbij onder meer is aangevoerd dat appellant niet alleen op
lichamelijke, maar ook op psychische gronden volledig arbeidsongeschikt
is. Ter adstructie daarvan heeft appellant een rapport van 7 december
2001 van de zenuwarts A.M.A. Groot overgelegd.
Deze constateert bij appellant onder meer een pijnstoornis op basis van
psychogene en somatogene factoren en recidiverende
aanpassingsstoornissen welke in de loop van 1999 de vorm van een
dysthyme stoornis aannemen. Op het moment van zijn onderzoek acht hij
een vitale depressie en dysthymie aanwezig. Hij acht appellant
uitgebreid beperkt wat betreft zijn psychisch functioneren en acht hem
geen reële kandidaat voor de vrije arbeidsmarkt.
De rechtbank heeft appellant doen onderzoeken door de neuroloog dr.
P.H.M.F. van Domburg, die in het kader van het WAO-besluit het
belastbaarheidspatroon “redelijk” heeft genoemd en zich heeft
verenigd met de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde
functies, dit laatste ook in het kader van het ZW-besluit.
Bij de aangevallen uitspraken zijn de beroepen ongegrond verklaard,
waarbij de rechtbank zich ten aanzien van het medische aspect met name
heeft laten leiden door het rapport van de neuroloog Van Domburg.
In hoger beroep heeft appellant in beide gedingen opnieuw de medische
grondslag van de bestreden besluiten aangevochten, daarbij met name
wijzende op de psychische klachten. In dat verband heeft appellant
verwezen naar het rapport van de zenuwarts Groot.
Ten aanzien van besluit 1 heeft appellant voorts twijfel geuit over de
actualiteit van de voorgehouden functies.
De Raad oordeelt als volgt.
Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van besluit 1 volstaat de
Raad met op te merken dat na het door gedaagde geleverde commentaar de
actualiteit van de functies geen twijfel meer ontmoet.
Ten aanzien van het medische aspect van de besluiten is de te
beantwoorden vraag of appellant op 18 december 2000 en 30 mei 2001 in
staat was tot het verrichten van de werkzaamheden verbonden aan de hem
voorgehouden functies. Daarbij is van belang dat niet gebleken is van
een relevant verschil in de medische toestand van appellant op beide
data.
In verband met die vraag heeft de Raad, zoals in rubriek I reeds
vermeld, appellant door twee deskundigen doen onderzoeken.
De orthopedisch chirurg P.J. Brouwer heeft zich in zijn rapport van 6
mei 2004 met de voor appellant vastgestelde belastbaarheid en met zijn
geschiktheid voor de functies kunnen verenigen. De psychiater jhr. A.M.
van Nispen tot Pannerden, die bij appellant een aanpassingsstoornis bij
een chronische pijnstoornis heeft geconstateerd, heeft in zijn rapport
van 1 november 2004 met betrekking tot de medische toestand opgemerkt
dat “de objectieve klachten niet van die aard (zijn) dat (appellant)
arbeidsongeschikt verklaard kan worden” en dat de vastgestelde
belastbaarheid “zorgvuldig beoordeeld” is. Anderzijds heeft hij
opgemerkt dat er “te weinig met betrokkene is gesproken”, dat
“onvoldoende naar (...) een haalbaar compromis is gestreefd” en dat
het “subjectief beleefd lijden (...) van dien aard (is) dat betrokkene
alleen nog maar meer pijn gaat beleven op de door hem ervaren
miskenning”. Ten aanzien van de voorgehouden functies heeft hij
opgemerkt dat bepaalde functies “niet haalbaar” zijn, waarbij hij
als voorbeeld heeft genoemd de functie van bestelautochauffeur, wegens
de rugklachten van appellant en de in verband daarmee voorgeschreven
medicatie.
De Raad acht, de verschillende rapporten overziende, voldoende grond
aanwezig om de eerder geformuleerde vraag bevestigend te beantwoorden.
Voor de lichamelijke klachten van appellant verwijst de Raad daarbij
naar de rapporten van de neuroloog Van Domburg en de orthopedisch
chirurg Brouwer. Ten aanzien van het psychische aspect baseert de Raad
zijn oordeel op het rapport van de psychiater Van Nispen tot Pannerden.
De Raad merkt daarbij op dat de opmerkingen die deze deskundige, naast
zijn oordeel over de belastbaarheid, heeft gemaakt over de zijns inziens
wenselijke benadering van appellant verband houden met de subjectieve
bezwaren van appellant en niet meebrengen dat deze naar een objectieve
maatstaf niet tot de functies in staat zou zijn. De opmerking over de
functie van bestelautochauffeur acht de Raad te liggen buiten het
vakgebied van een psychiater en om die reden niet van beslissende
betekenis. Voorts kent de Raad aan het rapport van de zenuwarts Groot,
bezien naast het rapport van de onafhankelijke deskundige Van Nispen tot
Pannerden, geen doorslaggevend belang toe, waarbij de Raad er nog op
wijst dat volgens Van Nispen tot Pannerden de door de zenuwarts Groot
beschreven depressie in engere zin betrekking heeft op een latere
periode dan thans in geding.
Het vorenstaande leidt er toe dat de aangevallen uitspraken in stand
dienen te worden gelaten.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid
van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en in het openbaar uitgesproken
op 16 maart 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|