|
Uitspraak
03/3042 ZW
U I T S P R A A K
In het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats] (Duitsland), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij brief van 22 mei 2002 heeft appellant gedaagde in kennis gesteld van
een ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Ziektewet
(bestreden besluit).
De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 13 mei 2003 (AWB 02/804
ZW) het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd,
met de beslissing dat appellant aan gedaagde de proceskosten en het
griffierecht vergoedt.
Appellant heeft op in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden
tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Namens gedaagde heeft mr. A. van Deuzen, advocaat te Zoetermeer, een
verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 26 januari 2005,
waar appellant zich niet heeft doen vertegenwoordigen, en waar gedaagde
in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Deuzen als haar
raadsman.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft ten tijde in geding op grond van een arbeidsovereenkomst
voor onbepaalde tijd met haar werkgever Orbis medisch en zorgconcern
(hierna: werkgever) een dienstverband voor de functie van
ziekenverzorgende met een arbeidsduur van gemiddeld 29.45 uur per week.
Gedaagde is op 1 november 1999 wegens ziekte volledig ongeschikt
geworden om de bedongen arbeid te verrichten. Zij heeft vanaf 13
november 2000 haar arbeid gedeeltelijk hervat. Aan haar arbeid is met
ingang van die datum voor 15 uur en met ingang van 22 januari 2001 voor
20 uur loonwaarde toegekend. Voor de overige contracturen is zij nog
arbeidsongeschikt geacht en werkte zij op arbeidstherapeutische basis in
een proefplaatsing. Met ingang van 1 september 2001 is zij volledig
arbeidsgeschikt verklaard. Van 24 september 2001 tot 4 oktober 2001 is
gedaagde volledig arbeidsongeschikt geacht. Zij heeft op 4 oktober 2001
haar arbeid hervat en is met ingang van 8 oktober 2001 weer volledig
arbeidsongeschikt geworden.
De werkgever heeft aan gedaagde op grond van artikel 7:629, eerste lid,
van het Burgerlijk Wetboek (BW) van 1 november 1999 tot 30 oktober 2000
gedurende het wettelijk voorgeschreven tijdvak van 52 weken loon
doorbetaald. Deze loondoorbetaling is nadien op grond van de
toepasselijke CAO voortgezet tot 1 september 2001, alsmede tijdens de
periode van ziekte van 24 september tot 4 oktober 2001 en vanaf 8
oktober 2001. De werkgever heeft de loondoorbetaling gestaakt per 1
maart 2002.
Appellant heeft aan gedaagde met ingang van 30 oktober 2000 een
uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
Deze uitkering is nadien in verband met inkomsten gekort. Met ingang van
20 maart 2001 is de WAO-uitkering herzien naar de klasse 15-25%. De
WAO-uitkering is met ingang van 1 september 2001 ingetrokken.
De werkgever heeft gedaagde met ingang van 8 oktober 2001 ziek gemeld
bij appellant.
Appellant heeft bij besluit van 10 april 2002 uitkering van ziekengeld
geweigerd.
Bij het bestreden besluit op het bezwaar tegen het besluit van 10 april
2002, heeft appellant overwogen dat ingevolge artikel 7:629 van het BW
in verband met de ziekmelding op 24 september 2001 voor de werkgever
opnieuw de verplichting aanving om gedurende 52 weken het loon door te
betalen. Op grond van artikel 29 van de Ziektewet wordt bij de
aanwezigheid van de verplichting tot loondoorbetaling geen ziekengeld
uitgekeerd. Appellant heeft het bezwaar daarom kennelijk ongegrond
verklaard.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat gedaagde
van 1 november 1999 tot 1 september 2001 onafgebroken ongeschikt is
geweest voor haar arbeid. Zij is vervolgens per 24 september 2001 - binnen 4 weken na 1 september 2001
- weer arbeidsongeschikt geworden.
Gelet op artikel 7:629 van het BW is er daarom per
24 september 2001 geen sprake van een nieuwe
loondoorbetalingsverplichting. De rechtbank heeft het bestreden besluit
vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel.
De Raad overweegt als volgt.
Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ziektewet bepaalt dat
geen ziekengeld wordt uitgekeerd, indien de verzekerde uit hoofde van
zijn dienstbetrekking recht heeft op loon als bedoeld in artikel 7:629
van het BW.
Artikel 7:629, eerste lid, van het BW verplicht (ten tijde in geding) de
werkgever, indien de werknemer wegens ziekte de bedongen arbeid niet kan
verrichten, gedurende 52 weken het loon door te betalen.
Blijkens jurisprudentie van de burgerlijke rechter (Hof
’s-Hertogenbosch, 3 augustus 2004, JAR 2004, 274; Ktr Delft 13
december 2001, JAR 2002, 49) is bij gedeeltelijke hervatting op
arbeidstherapeutische basis van de bedongen arbeid sprake van
doorlopende arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 7:629 van het
BW. Blijkens deze jurisprudentie is voorts sprake van doorlopende
arbeidsongeschiktheid indien een werknemer na een periode van
arbeidsongeschiktheid volledig het werk hervat, maar binnen vier weken
na de hervatting weer arbeidsongeschikt wordt.
Bij gedaagde is gelet op deze jurisprudentie sprake van een doorlopende
arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 7:629 van het BW vanaf 1
november 1999 tot ten minste 1 maart 2002.
Gedaagde is immers op 1 november 1999 volledig arbeidsongeschikt
geworden. Zij heeft op 13 november 2000 de bedongen arbeid slechts
gedeeltelijk hervat. Na de volledige hervatting op 1 september 2001 is
zij binnen vier weken, op 24 september 2001, volledig uitgevallen en na
de volledige hervatting op 4 oktober 2001 opnieuw binnen vier weken, op
8 oktober 2001 uitgevallen. De werkgever is op grond van artikel 7:629
van het BW in verband met een doorlopende arbeidsongeschiktheid vanaf de
eerste arbeidsongeschiktheidsdag gedurende 52 weken verplicht tot
loondoorbetaling. De werkgever heeft in verband met de doorlopende
arbeidsongeschiktheid van gedaagde aan deze verplichting voldaan in de
periode van 1 november 1999 tot 30 oktober 2000. Op 24 september 2001
vangt derhalve geen nieuwe verplichting tot loondoorbetaling gedurende
52 weken aan. De rechtbank overweegt op goede gronden dat appellant de
weigering van ziekgeld ten onrechte op artikel 29, eerste lid, aanhef en
onder a, van de Ziektewet heeft gebaseerd.
De Raad verenigt zich dan ook met de overwegingen en de beslissing van
de rechtbank en bevestigt de aangevallen uitspraak.
In verband met de vordering van gedaagde tot schadevergoeding merkt de
Raad op dat appellant ingevolge de uitspraak van de rechtbank een nader
besluit op het bezwaar dient te nemen. Appellant zal bij het nemen van
dat nadere besluit aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er
termen zijn om schade te vergoeden.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten
van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-
voor kosten van rechtsbijstand en € 69,- aan reiskosten, in totaal €
713,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde ten bedrage van
€ 713,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
recht van € 414,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G.
Olde Kalter en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr.
J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9
maart 2005.
(get). Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|