|
Uitspraak
03/590 WW en 03/591 ZW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van l januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het
Lisv.
Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank ’s-Hertogenbosch van 18 december 2002, nr. ABW 01/1093 ZW en
AWB 02/445 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 12 januari 2005.
Appellant is in persoon verschenen met bijstand van mr. P. Bouman,
advocaat te Helmond. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.W. Tak-de Heer, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
1. De in deze gedingen aan de orde zijnde geschillen worden beoordeeld
aan de hand van de Ziektewet (ZW) onderscheidenlijk de Werkloosheidswet
(WW) en de op die wetten berustende bepalingen, zoals die luidden ten
tijde als hier van belang.
2. Voor een uitgebreidere weergave van de in deze gedingen van belang
zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen
uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
2.1. Geding 1
2.1.1. Bij besluit van 22 november 2000 heeft gedaagde naar aanleiding
van een verzoek van appellant, die van Marokkaanse nationaliteit is, tot
toekenning van een uitkering ingevolge de ZW beslist dat deze uitkering
niet kan worden toegekend omdat appellant niet rechtmatig in Nederland
verblijft en hij ook niet in een met een rechtmatig verblijf
gelijkgestelde positie verkeert. Derhalve wordt appellant niet als
werknemer in de zin van de ZW beschouwd. Dit besluit is, na gemaakt
bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 26 maart 2001.
2.1.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen
het besluit van 26 maart 2001 ongegrond verklaard.
2.2. Geding 2
2.2.1. Bij besluit van 9 juli 2001 heeft gedaagde, beslissend op een
desbetreffend verzoek van appellant, hem uitkering ingevolge de WW
ontzegd op de grond dat appellant niet als werknemer in de zin van de WW
wordt beschouwd en dat hij derhalve niet verzekerd is voor de WW. Dit
besluit is na gemaakt bezwaar bij besluit van 14 januari 2002
gehandhaafd.
2.2.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen
het besluit van 14 januari 2002 ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht
overweegt de Raad in beide gedingen het volgende.
3.1. Met betrekking tot geding 1, onderscheidenlijk geding 2, is de
rechtbank van oordeel dat appellant ingevolge artikel 3, derde lid, van
de ZW, onderscheidenlijk artikel 3, derde lid, van de WW, zoals die
bepalingen zijn gaan luiden in verband met de inwerkingtreding van de
Koppelingswet, niet als werknemer in de zin van de ZW en de WW kan
worden beschouwd. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar de uitspraak
van deze Raad van 26 juni 2001, LJN AB2276, USZ 2001/183, JB 2001/184 en
RSV 2001/188, waaruit blijkt dat de Koppelingswet noch de artikelen 3,
derde lid, van de ZW en 3, derde lid, van de WW in strijd zijn met
regels van nationaal of internationaal recht. Derhalve kunnen de
besluiten van 26 maart 2001 en 14 januari 2002 in rechte stand houden.
3.2. Appellant heeft in hoger beroep dezelfde gronden aangevoerd als in
eerste aanleg.
3.3. De Raad is van oordeel dat de rechtbank de stellingen van appellant
dienaangaande terecht heeft verworpen. De Raad onderschrijft de
aangevallen uitspraak volledig, onder verwijzing naar de motivering die
de rechtbank daartoe heeft gebezigd. Naar aanleiding van het verhandelde
ter zitting verwijst de Raad voorts nog naar zijn uitspraak van 29
oktober 2003, LJN AO0341, USZ 2004/8 en naar zijn bij partijen bekende
uitspraak van 24 december 2003, 02/2210 ZW, welke uitspraken in de lijn
liggen van de uitspraak waarnaar de rechtbank heeft verwezen.
3.4. Desgevraagd heeft appellant ter zitting verklaard dat zijn
argumenten in hoger beroep geen doel kunnen treffen gezien de genoemde
uitspraken maar dat hij niettemin het hoger beroep handhaaft, omdat hij
premie heeft betaald en derhalve voor uitkeringen ingevolge de ZW en WW
in aanmerking komt. De Raad overweegt dat dit argument niet afdoet aan
de dwingendrechtelijke norm die artikel 3, derde lid, van de ZW en
artikel 3, derde lid, van de WW bevatten, dat alleen werknemers in
aanmerking komen voor een uitkering ingevolge de ZW en de WW, zodat ook
dit argument van appellant niet tot het door hem gewenste resultaat kan
leiden.
3.5. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De
aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H. Bolt en
mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als
griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2005.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) J.P. Grauss.
|
|