|
Uitspraak
03/1368 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij brief van 29 oktober 2001 is appellant vanwege gedaagde in kennis
gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: het:
bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).
De rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 7 februari 2003 (Awb
01/993 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. H. Koelewijn, advocaat te Woerden, op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger
beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd bij brief van
12 oktober 2004 nog nadere inlichtingen verstrekt.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad van 9 februari 2005, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de feiten en omstandigheden die in rubriek 3 van de
aangevallen uitspraak als volgt zijn weergegeven (appellant en gedaagde
zijn daarbij aangeduid als eiser en verweerder):
"Eiser, geboren op 15 juni 1976, ontvangt in verband
met zijn arbeidsongeschiktheid sedert 19 juli 2001 (lees: 19 juli 2000)
een uitkering ingevolge de ZW. In verband met die ongeschiktheid werd
eiser door de verzekeringsarts ongeveer 4 á 5 keer opgeroepen om voor
controle te verschijnen op het GAK-kantoor te Winschoten.
Bij brief van 15 mei 2001 is eiser ter beoordeling van zijn
ongeschiktheid wederom opgeroepen om op 22 mei 2001 om 13.15 uur te
verschijnen bij de verzekeringsarts V. Rama, op het adres GAK Nederland
bv te Groningen. Eiser verscheen echter op het bewuste tijdstip niet in
Groningen, doch op het GAK-kantoor te Winschoten.
In verband hiermee heeft verweerder op 30 mei 2001 besloten tot een
korting van 5% op de ziekengelduitkering gedurende de periode van 22 mei
2001 tot en met 16 juli 2001 (8 weken) onder toepassing van artikel 45 van de ZW en het
Maatregelenbesluit ex artikel 45, lid 6, van de ZW. Dit op grond dat
eiser door niet op het spreekuur van de verzekeringsarts in Groningen te
verschijnen, zich niet, althans niet behoorlijk, heeft gehouden aan zijn
verplichting als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c,
van de ZW en zich heeft schuldig gemaakt aan nalatigheid. Verweerder
heeft bij de vaststelling van de maatregel rekening gehouden met een
verminderde verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 5 van het
Maatregelenbesluit en een korting van 5 in plaats van 10% op de
ziekengelduitkering toegepast.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder die beslissing na bezwaar
gehandhaafd."
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard en daarbij - kort samengevat - overwogen dat niet kan
worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid aan het adres van
appellant ontbreekt, op grond waarvan gedaagde ingevolge het tweede lid
van artikel 45 van de ZW van het opleggen van een maatregel had moeten
afzien. Gezien de voorliggende omstandigheden heeft gedaagde naar het
oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen vaststellen dat de
gedraging van appellant, bestaande in de vergissing in de locatie van
het spreekuuronderzoek, in verminderde mate verwijtbaar was zodat hier
gelet op artikel 5, tweede lid, van het Maatregelenbesluit Tica, de
hoogte van de maatregel terecht is vastgesteld op 5% gedurende 8 weken.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft
de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Dat bij appellant sprake
was van een vergissing neemt niet weg dat hij daardoor zonder
deugdelijke grond niet is verschenen op het spreekuur van de
verzekeringsarts in Groningen op 22 mei 2001. Dat appellant na zijn
vergissing te hebben ontdekt een coöperatieve houding heeft aangenomen
en heeft geprobeerd terstond een nieuwe afspraak te maken, betekent niet
dat hier elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Gedaagde heeft
appellants gedraging naar het oordeel van de Raad op goede gronden
aangemerkt als verminderd verwijtbaar in de zin van voormelde bepaling
van het Maatregelenbesluit Tica.
De grieven van appellant treffen dan ook geen doel.
De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E.Wulffraat-van
Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. van
Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A. van Netten.
|
|