|
Uitspraak
03/3451 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. J.G.P. de Wit, advocaat te ’s-Gravenhage,
op in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de rechtbank ‘s-Gravenhage op 29 mei 2003
tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. AWB 02/4023 ZW), waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brieven (met bijlagen) van 14 januari 2005, 20 januari 2005 en 21
januari 2005 heeft appellant zijn standpunt nader toegelicht.
Bij brief (met bijlagen) van 27 januari 2005 heeft gedaagde zijn
standpunt nader toegelicht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 9 februari 2005, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr.
De Wit, voornoemd,en vergezeld van de tolk M. Chibiane, en waar gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door G.M. Folkers-Hooijmans, werkzaam
bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant, een voormalig agrarisch medewerker in een trosanjerkwekerij
wiens dienstverband door tussenkomst van de kantonrechter in 1997 werd
ontbonden, ontving een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna:
WW). Hij meldde zich per 27 mei 2001 vanuit deze uitkeringsituatie ziek
in verband met de gevolgen van een verkeersongeval. Nadat hij was gezien
door verzekeringsarts S.P. Sengkerij, werd hij twee keer gezien door
verzekeringsarts R.L.P. Broeders, voor het laatst op 16 januari 2002.
Deze verzekeringsarts was, mede gezien inmiddels ontvangen informatie
van de behandelend neuroloog, van oordeel dat er geen objectiveerbare
afwijkingen meer waren en dat de pijnklachten aan het hoofd en flank een
werkhervatting niet (meer) in de weg stonden, zodat hij appellant per 21
januari 2002 weer geschikt achtte voor zijn werk. In overeenstemming
hiermee is de uitkering van appellant ingevolge de Ziektewet (hierna: ZW)
bij besluit van 17 januari 2002 met ingang van 21 januari 2002 beëindigd.
In het kader van de bezwaarprocedure is appellant op 19 april 2002
gezien door bezwaarverzekeringsarts J.W. Jeensma. Deze beschikte daarbij
over informatie van huisarts M.A. Heineken en behandelend neuroloog L.C.M.
Moll alsmede over een uitgebreide standaard werkomschrijving van de
trosanjerteelt. Na overleg met stafverzekeringsarts R.L.P. Broeders
komt bezwaarverzekeringsarts Jeensma op 11 september 2002 tot de
conclusie dat er, ook ten aanzien van de alsnog naar voren gekomen
psychische klachten, geen duidelijke reden is om terug te komen op het
oordeel van de verzekeringsarts en dat het primaire medische oordeel kan
worden gehandhaafd. Dienovereenkomstig is het bezwaar van appellant
tegen het besluit van 17 januari 2002 bij het bestreden besluit van 1
oktober 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
In hoger beroep heeft appellant met name rugklachten naar voren
gebracht; deze zijn volgens hem onvoldoende onderzocht. Ter
ondersteuning van zijn standpunt is door appellant een drietal
verklaringen overgelegd van respectievelijk neuroloog J.L. van Doorn, van Psycho-Medisch Centrum Parnassia (hierna:
Parnassia)
en psycholoog A. Altememy. Bezwaarverzekeringsarts F. Muradin heeft
hierop in een tweetal rapporten van 19 januari 2005 en 21 januari 2005
nog zijn reactie gegeven. Hierin is met betrekking tot de rugklachten
aangegeven dat deze voldoende zijn onderzocht, dat op de datum in geding
geen sprake was van een ziekte aan de rug of van rugklachten en dat
appellant op de datum in geding niet beperkt was ten aanzien van de
belasting van de rug. Met betrekking tot de psychische klachten is naar
aanleiding van de verklaring van Parnassia aangegeven dat geen sprake
was van dusdanige beperkingen dat appellant niet in staat was om zijn
(psychisch niet zwaar belastende arbeid) te verrichten op 16 januari
2002 (lees: 21 januari 2002). Ter zitting is van de zijde van gedaagde
namens bezwaarverzekeringsarts Muradin nog een reactie gegeven op de
verklaring van psycholoog Altememy. Hierbij is aangegeven dat in deze
verklaring geen onderzoeksbevindingen staan vermeld en dat voor het
overige het commentaar geldt dat is gegeven op de verklaring van
Parnassia. De gemachtigde van appellant heeft tot slot ter zitting nog
verzocht om het instellen van een nader onderzoek door een deskundige,
teneinde de rugklachten van appellant nader te (laten) onderzoeken.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW, heeft de
verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als
rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of
gebreken, recht op ziekengeld.
Op grond van vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ongeschiktheid
in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan het op medische
gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen
verrichten van de in aanmerking komende arbeid.
In de eerste plaats is de Raad van oordeel dat gedaagde en de rechtbank
als de ‘in aanmerking komende arbeid’ in dit geval terecht de
laatstelijk door appellant verrichte arbeid in dienst van soortgelijke
werkgevers (in de trosanjerteelt) als maatstaf hebben gehanteerd.
De vraag of in het geval van appellant op de in geding zijnde datum
sprake was van ongeschiktheid als bedoeld in voormeld artikel
beantwoordt de Raad voorts, evenals de rechtbank, ontkennend. Daartoe
heeft de Raad overwogen in de beschikbare medische informatie geen
aanknopingspunten te zien om het standpunt van gedaagde, zoals nog nader
toegelicht in genoemde rapporten van bezwaarverzekeringsarts Muradin
alsook ter zitting, onjuist te oordelen. Daarbij heeft de Raad in
aanmerking genomen dat de in hoger beroep van de zijde van appellant
ingebrachte verklaringen van neuroloog Van Doorn, van Parnassia en van
psycholoog Altememy, door bezwaarverzekeringsarts Muradin alsnog
gemotiveerd zijn weerlegd, terwijl daar van de zijde van appellant geen
nadere medische informatie tegenover is gesteld. Op deze basis ziet de
Raad dan ook geen aanleiding om te oordelen dat het medisch onderzoek
naar de rugklachten van appellant onvoldoende zorgvuldig zou zijn
geweest of dat de psychische beperkingen van appellant zouden zijn
onderschat. Onder deze omstandigheden ziet de Raad tevens geen
aanleiding voor het instellen van een nader onderzoek door een
deskundige op het gebied van rugklachten.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid
van mr. A. van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23
maart 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A. van Netten.
|
|