|
Uitspraak
03/2118 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 1 juli 2002 is appellante vanwege gedaagde in kennis
gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: het
bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).
De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 17 april 2003 (AWB
02/2625 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. M. de Boorder, advocaat te ’s-Gravenhage, op
bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep
gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 16 februari 2005,
waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. De Boorder
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door G.M.
Folkers, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij brief van 31 oktober 2000 heeft de gemachtigde van appellante zich
gewend tot gedaagde met een verzoek om herziening van een besluit van 12
november 1999, waarbij een besluit van 1 april 1999 tot weigering van
ziekengeld per 12 april 1999 in bezwaar is gehandhaafd.
Bij besluit van 3 november 2000 heeft gedaagde dit verzoek afgewezen met
toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb). Bij besluit op bezwaar van 16 maart 2001 heeft
gedaagde het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 28 augustus 2001 dit besluit
vernietigd, omdat gedaagde onvoldoende onderzoek had verricht naar de
als nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebrachte gegevens en
daarom ten onrechte toepassing had gegeven aan artikel 4:6, tweede lid,
van de Awb.
Naar aanleiding hiervan is van de zijde van gedaagde de zaak in haar
geheel opnieuw beoordeeld, hetgeen echter niet tot een andere uitkomst
heeft geleid.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde het bezwaar tegen voormeld
besluit van 3 november 2000 wederom ongegrond verklaard.
De Raad overweegt als volgt.
Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een
belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te
komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing
in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel
4:6 van de Awb staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan
met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft,
kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een
oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet
verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het
instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter
dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en
zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw
gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het
bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het
oorspronkelijke besluit te herzien.
Ter ondersteuning van het verzoek om terug te komen heeft appellante een
beroep gedaan op een rapportage d.d. 30 september 2000 van psychomedisch centrum Parnassia. Zoals de bezwaarverzekeringsarts A.J.D.
Versteeg in een commentaar van 21 februari 2002 en 14 mei 2002 heeft
gesteld gaat het in dit rapport niet om nieuw gebleken feiten of
veranderde omstandigheden.
De bezwaarverzekeringsarts heeft er in dit verband op gewezen dat hij
bij de beoordeling in bezwaar van voormeld besluit van 1 april 1999
reeds de beschikking had over een brief van 22 juli 1999 van centrum
Parnassia en dat de daarin vervatte informatie niet essentieel verschilt
van die in de rapportage van 30 september 2000.
Daarvan uitgaande kan, gelet op hetgeen van de zijde van gedaagde is
aangevoerd, naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat gedaagde
niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan
wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of
ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als
bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde
Kalter en mr. M.C. Bruning als leden in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J.
Hetharie als griffier en uitsproken in het openbaar op 30 maart 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|