|
Uitspraak
03/2887 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, op bij
aanvullend beroepschrift ingediende gronden, hoger beroep ingesteld
tegen een door de rechtbank Rotterdam op 22 april 2003, onder reg.nr.
ZW 02/2015, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend.
Bij brief van 30 januari 2005 heeft appellant een nadere schriftelijke
toelichting gegeven.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 9 februari 2005, waar appellant en gedaagde, beiden met
schriftelijk bericht van verhindering, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant ontvangt sedert juni 1993 een uitkering ingevolge de Wet op de
Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in verband met nek- en
schouderklachten. Deze uitkering is per 4 oktober 2000 herzien naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Naast de WAO-uitkering
ontving appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Vanuit
die situatie heeft hij zich op 18 maart 2002 ziek gemeld met klachten
van hoofdpijn en duizeligheid. Na onderzoek op 2 mei 2002 heeft
verzekeringsarts V.R. Evegaars geconcludeerd dat appellant inmiddels
weer geschikt was voor de in het kader van de WAO-beoordeling geduide
functies en hem per 3 mei 2002 hersteld verklaard. Bij besluit van 2 mei
2002 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat hem met ingang van 3 mei
2002 geen ziekengeld meer wordt uitgekeerd. Het namens appellant tegen
dit besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 25 juni 2002
(hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaard.
Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat het medisch onderzoek
onzorgvuldig is geweest en dat zijn beperkingen niet correct zijn
vastgesteld.
Appellant claimt toegenomen klachten aan nek, arm, schouder en voeten en
stelt zich op het standpunt dat hij geen loonvormende arbeid meer kan
verrichten.
De Raad overweegt als volgt.
Zoals de Raad bij herhaling heeft vastgesteld, dient onder “zijn
arbeid” te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding
feitelijk verrichte arbeid. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad
lijdt deze regel in zoverre uitzondering, dat wanneer de verzekerde, na
gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend
ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als
maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals nader geconcretiseerd bij de
beoordeling van betrokkenes aanspraak op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Als maatstaf dient dan te worden
aangelegd de arbeid die in het kader van de WAO als passend kan worden
aangemerkt. Vorenvermelde concretisering in het kader van de WAO
betekent dat een aantal functies ieder afzonderlijk voor de betrokkene
geschikt is geacht. Onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van
de ZW dient dan ook te worden verstaan elk van die functies
afzonderlijk. Voor het onderhavige geval betekent het vorenstaande dat
ter zake van appellants ziektegeval van 18 maart 2002 als maatstaf dient
te worden aangelegd elk van de functies die voor hem in het kader van de
laatste WAO-beoordeling voor de ziekmelding van 18 maart 2002 als
passend zijn aangemerkt.
Gedaagde heeft in zijn verweerschrift meegedeeld dat de
verzekeringsartsen bij hun beoordeling zijn uitgegaan van een verouderde
arbeidsmogelijkhedenlijst. In het kader van de herbeoordeling voor de
WAO per 4 oktober 2000 heeft op 31 juli 2000 een nieuwe functieselectie
plaatsgehad. De in de arbeidsmogelijkhedenlijst van die datum opgenomen
functies heeft gedaagde alsnog op geschiktheid laten beoordelen door
bezwaarverzekeringsarts J.C. Kokenberg. In zijn rapportage van 31 juli
2003 geeft deze aan dat appellant op 3 mei 2002 de arbeidsbelasting in
de functies printplaatmonteur, samensteller metaal, wikkelaar, verspener
en monteur transformatoren aankon.
De Raad is van oordeel dat uit de medische kaart blijkt dat het medisch
onderzoek zorgvuldig is geweest. Nu appellant zowel in eerste aanleg als
in hoger beroep geen medische gegevens heeft overgelegd die zijn
standpunt dat hij meer beperkt is dan de (bezwaar)verzekeringsarts heeft
aangenomen onderbouwen, ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de
voor appellant per 3 mei 2002 vastgestelde belastbaarheid.
Voorts ziet de Raad geen aanleiding het oordeel van Kokenberg ten
aanzien van de geschiktheid van vorenvermelde WAO-functies voor
appellant niet te volgen.
Appellant moest dan ook op en na 3 mei 2002 in staat worden geacht deze
functies te vervullen. Gelet daarop heeft gedaagde terecht besloten op
en na 3 mei 2002 aan appellant geen ziekengeld meer uit te keren.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid
van mr. A. van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23
maart 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A. van Netten.
|
|