|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/5185 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 21 maart 2002 is appellante vanwege gedaagde in kennis
gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: het
bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW)
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 1 oktober 2002 (ZW
02/1015) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, op bij
aanvullend beroepschrift (met bijlage) aangevoerde gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 23 februari 2005, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr.
W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante, die van 14 augustus 2000 tot 14 december 2000 als
steksteekster in dienst was bij een agrarisch loonbedrijf, is op 19
september 2000 wegens zwangerschapsklachten ongeschikt geworden tot het
verrichten van haar werk. Na de bevalling op 5 januari 2001 heeft zij
tot 20 maart 2001 een bevallingsuitkering als bedoeld in artikel 29a van
de Ziektewet ontvangen en aansluitend is haar ziekengeld toegekend.
Op 26 april 2001 heeft appellante het spreekuur bezocht van een
verzekeringsarts, die bij onderzoek geen duidelijke neurologische
afwijkingen constateerde, maar wel wat hypertonie bij een insufficiënte
houding. Volgens een notitie op het afschrift van de medische kaart is
toen de afspraak gemaakt, dat appellante geleidelijk aan zou mobiliseren
en per 28 mei 2001 hersteld zou worden verklaard.
Bij besluit van 3 mei 2001 is aan appellante dienovereenkomstig met
ingang van 28 mei 2001 geen verdere uitkering van ziekengeld toegekend.
In de bezwaarfase is appellante gezien door bezwaarverzekeringsarts J.H.
Logger, die blijkens een rapport van 12 december 2001 bij onderzoek
weinig specifieke afwijkingen heeft gevonden. In aanmerking genomen dat
het werk van appellante als steksteekster blijkens een terzake opgemaakt
rapport voldoende mogelijkheid bood tot afwisseling tussen zitten en
staan en als licht tot zeer licht kon worden gekwalificeerd wat betreft
de dynamisch rugbelastende elementen, achtte hij appellante niet
ongeschikt voor haar werk.
In een brief van de behandelend fysiotherapeut van 4 maart 2002, waarin
wordt vermeld dat appellante problemen had met statische belasting en
doorlopen zag de bezwaarverzekeringsarts gelet op voormelde
functiebeschrijving geen reden voor een ander standpunt.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellante tegen voormeld
besluit van 3 mei 2001 ongegrond verklaard.
De Raad ziet evenals de rechtbank in hetgeen van de zijde van appellante
is aangevoerd onvoldoende grond om dit besluit niet in stand te laten.
De Raad onderschrijft in dit verband de overwegingen van de rechtbank en
maakt deze tot de zijne. Appellante is zowel door de verzekeringsarts
als door de bezwaarverzekeringsarts onderzocht en deze
verzekeringsartsen hebben alleszins overtuigend gemotiveerd dat de
objectiveerbare beperkingen van appellante niet zodanig zijn, dat zij
het niet als rugbelastend aan te merken werk van steksteekster niet naar
behoren zou kunnen verrichten.
De Raad ziet voorts geen grond voor de stelling van de gemachtigde van
appellante dat het onderzoek van de betrokken verzekeringsartsen niet
overeenkomstig de Verzekeringsgeneeskundige standaard Onderzoeksmethoden
(Lisv-mededeling M.00.105 van 5 oktober 2000) heeft plaatsgevonden. De
overweging van de rechtbank inzake de betekenis, welke moet worden
toegekend aan het in eerste aanleg overgelegde rapport van 12 september
2002 van het Instituut Psychosofia, is geheel in overeenstemming met
‘s Raads jurisprudentie terzake. De Raad volstaat met daarnaar te
verwijzen.
Het in hoger beroep overgelegde schrijven van 12 november 2002 van
voormeld instituut bevat geen verifieerbare gegevens die een ander licht
op de zaak werpen.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van mr. A. van
Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 april 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A. van Netten.
|
|