|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/3117 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 7 augustus 2002 is appellante vanwege gedaagde in kennis
gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: het
bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW)
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 5 juni 2003 (ZW 02/2348)
het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. W.G. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, op bij
aanvullend beroepschrift (met bijlage) aangevoerde gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 23 februari 2005,
waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr.
W.M.J. Evers, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad ziet in dit geding aanleiding om in de eerste plaats te
onderzoeken of de aangevallen uitspraak op juiste wijze tot stand is
gekomen.
Op grond van het navolgende beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend.
Uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de rechtbank
van 23 april 2003 blijkt dat de gemachtigde van appellante daar stukken
heeft overgelegd en dat partijen bij die gelegenheid ermee hebben
ingestemd, dat na een wederzijdse reactie op de ingebrachte commentaren,
nader onderzoek ter zitting achterwege kon blijven.
In een brief van 1 mei 2003 heeft gedaagde met inzending van een rapport
van een bezwaarverzekeringsarts van 29 april 2003 gereageerd op het door
de gemachtigde van appellante ingebrachte stuk. Tevens is toen nogmaals
ingestemd met afhandeling van de zaak zonder nadere behandeling ter
zitting.
De gemachtigde van appellante heeft bij brief van 15 mei 2003 gereageerd
op het van de zijde van gedaagde geleverde commentaar. Daarbij is ook
nog een aantal stukken overgelegd, waaronder een verklaring van
neuroloog J.C.B. Verhey van 2 mei 2003.
Vervolgens heeft de rechtbank zonder nadere zitting uitspraak gedaan.
De Raad is van oordeel dat deze behandeling van het geding in eerste
aanleg in strijd is met artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb). In dit artikel is aan de rechtbank de bevoegdheid verleend te
bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, indien partijen
daarvoor toestemming hebben gegeven.
Zoals de Raad bij herhaling heeft beslist, is het in strijd met een
goede procesorde om, ingeval er nieuwe gedingstukken aan het
procesdossier worden toegevoegd, op basis van de toestemming die is
gegeven aan de hand van de voordien aanwezige processtukken de zaak
buiten zitting af te doen. Het achterwege laten van een zitting is in
die situatie eerst mogelijk, indien partijen na kennisname van de
naderhand geproduceerde stukken te kennen hebben gegeven dat de
verleende toestemming van kracht blijft.
Dat is blijkens het vorenstaande niet gebeurd.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, als zijnde in
strijd met artikel 8:57 van de Awb, moet worden vernietigd.
Nu de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de
rechtbank behoeft, zal hij de zaak zonder terugwijzing afdoen.
Wat de zaak ten gronde betreft overweegt de Raad het volgende.
De Raad gaat uit van de feiten en omstandigheden die in de aangevallen
uitspraak als volgt zijn weergegeven (appellante is daarbij aangeduid
als eiseres):
"Eiseres is vanaf 2 oktober 2001 via uitzendbureau
Full-Time B.V. werkzaam geweest als medewerkster in een visfabriek
(werkzaamheden: vis fileren en schoonmaken) in een werkweek van 5 x 5.5
uur. Zij heeft zich op 28 november 2001 ziek gemeld wegens hoofdpijn-,
rug- en beenklachten.
Eiseres is laatstelijk op 29 mei 2002 door de verzekeringsarts
onderzocht. Naar aanleiding hiervan en mede op basis van informatie van
de behandelend neuroloog is eiseres bij het primaire besluit met ingang
van 30 mei 2002 weer geschikt geacht tot het verrichten van haar arbeid.
In het kader van de bezwaarprocedure is eiseres op 6 augustus 2002
onderzocht door bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink. Op basis van
anamnese, het verrichte onderzoek en dossierstudie heeft deze arts
geconcludeerd dat hij geen reden heeft om te twijfelen aan de conclusie
van de verzekeringsarts, inhoudende dat eiseres per omstreden datum
geschikt is bevonden tot het verrichten van haar werk."
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij met name
betekenis toegekend aan de bevindingen van de betrokken verzekeringsarts
en bezwaarverzekeringsarts. Naar het oordeel van de rechtbank is hun
beoordeling zorgvuldig geschied, immers mede gebaseerd op informatie van
de behandelend sector. Wat betreft het door de gemachtigde van
appellante in eerste aanleg overgelegde rapport van
4 september 2002 van het Instituut Psychosofia heeft de rechtbank
verwezen naar de inmiddels vaste jurisprudentie van de Raad inzake de
aan een dergelijk rapport toe te kennen betekenis.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft
de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Naar aanleiding van
hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, wijst de Raad er op dat op het
afschrift van de medische kaart melding is gemaakt van de door de
behandelend neuroloog J.C.B. Verhey in een brief van 4 april 2002 vermelde diagnose: spanningshoofdpijn en sacro iliac strain.
Verder wijst de Raad er nogmaals op dat bezwaarverzekeringsarts J.C.
Weegink in een commentaar van 6 augustus 2002 en 29 april 2003 uitvoerig
aandacht heeft besteed aan de beschikbare gegevens van de behandelend
sector. Met de bekende klachten, spanningshoofdpijn en sacro iliac
strain, is rekening gehouden en de Raad ziet geen reden voor twijfel aan
de conclusie dat appellante met inachtneming hiervan ten tijde in geding
niet ongeschikt was voor haar werk.
De bezwaarverzekeringsarts heeft verder in het rapport van 29 april 2003
opgemerkt dat bij de aan appellante voorgeschreven medicatie geen sprake
is van een rode stikker, waarbij is aangegeven dat bepaalde handelingen
niet mogen worden verricht
De Raad is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand
kan houden.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
Op grond van het vorenstaande moet worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het betaalde griffierecht van € 87,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van mr. A. van
Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 april 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A. van Netten.
|
|