|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/3189 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. L.I. Olivier, werkzaam bij Stichting
Rechtsbijstand te Roermond, op bij beroepschrift vermelde gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank s-Hertogenbosch op 23
mei 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. AWB 02/518 ZW),
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Op 31 december 2004 heeft gedaagde desverzocht nadere stukken
ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 23 februari 2005, waar partijen - zoals was aangekondigd - niet
zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellant heeft zich op 1 augustus 2001 per 5 maart 2001 ziek gemeld
wegens rugklachten ontstaan na een val in januari 2001. Op 5 maart 2001
ontving appellant een uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Op 8 oktober 2001 is appellant onderzocht door verzekeringsarts P.
Botman, die mede op basis van een brief van de radiodiagnost J.P.M.
Dohmen van 22 mei 2001 heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van
toegenomen beperkingen. Bij besluit van 10 oktober 2001 heeft gedaagde
aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 1 augustus 2001 geen
recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), omdat hij
vanaf die datum niet meer ongeschikt is voor zijn arbeid.
Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. De
bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer heeft op 26 november 2001 een rapport uitgebracht na
dossierstudie en inwinning van informatie bij de huisarts van appellant,
die deze informatie bij brief van 20 november 2001 heeft verstrekt.
Volgens De Brouwer is het niet onwaarschijnlijk dat bij appellant een
(kleine) wervelbreuk is opgetreden, maar was er evenwel noch op 5 maart 2001 noch op 1 augustus 2001 sprake van een toename van
arbeidsbeperkingen. Mogelijk had appellant nog enige pijnklachten en wat
last van stijfheid, maar dit stond er niet aan in de weg dat hij op die
data geschikt was voor de hem in het kader van de WAO geduide functies.
Hierbij heeft De Brouwer opgemerkt dat deze functies qua belasting als
licht zijn te bestempelen en dat zwaar rugbelastende handelingen niet
voorkomen. Bij besluit van 21 januari 2002 (hierna: het bestreden
besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.
In eerste aanleg heeft appellant aangevoerd dat de wervelbreuk niet
binnen de normale termijn genezen is en dat hij ook op 1 augustus 2001
nog veel rugklachten ondervond. De rechtbank heeft het beroep tegen het
bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij
overwogen, kort samengevat, dat appellant, zoals gedaagde heeft
aangenomen, op 1 augustus 2001 geschikt kon worden geacht voor de in het
kader van de WAO geduide functies.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat zijn
rugklachten op 1 augustus 2001 nog niet waren afgenomen. Hierbij heeft
hij erop gewezen dat hij nadien in een Wsw-dienstverband heeft hervat,
dat hij voor de desbetreffende werkzaamheden is uitgevallen en dat hij
inmiddels onder behandeling is van een revalidatiearts.
De Raad overweegt als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder "zijn
arbeid" verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk
verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in
zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de
maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is
voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf
geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de
beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de AAW
en/of de WAO.
Nu deze concretisering in het kader van de AAW en WAO betekent dat een
aantal functies ieder afzonderlijk voor de betrokken verzekerde geschikt
is geacht, dient onder "zijn arbeid" in de zin van artikel 19
van de ZW te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk. Dit
brengt mee dat de verzekerde in de hier bedoelde gevallen voor de
toepassing van de ZW ongeschikt is voor "zijn arbeid", als hij
voor al deze functies ongeschikt is.
In het onderhavige geval moet als zijn arbeid worden aangemerkt de
functies die aan appellant zijn voorgehouden in het kader van de
herziening van de WAO-uitkering van appellant per 15 november 2000 van
een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Dit zijn de functies van
assemblagemedewerker, monteur en medewerker handmontage.
Gedaagde heeft in navolging van de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de
Brouwer het standpunt ingenomen dat appellant op 1 augustus 2001 niet
meer voor deze functies ongeschikt was. Dit standpunt is mede gebaseerd
op de informatie die de radiodiagnost J.P.M. Dohmen en de huisarts van
appellant hebben verstrekt alsmede de beschikbare gegevens over de
functiebelasting. Evenmin als de rechtbank is de Raad tot de conclusie
kunnen komen dat dit standpunt voor onjuist moet worden gehouden.
Hierbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat appellant geen
medische stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van hetgeen hij in
hoger beroep naar voren heeft gebracht.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de
aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad geen aanleiding gezien.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als lid van de enkelvoudige kamer,
in tegenwoordigheid van mr. A. van Netten als griffier, en uitgesproken
in het openbaar op 6 april 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A. van Netten.
|
|