|
Uitspraak
03/3303 ZW en 03/3304 WAO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze
gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant
tevens verstaan het Lisv.
Bij brief van 2 juli 2001 is gedaagde namens appellant in kennis gesteld
van het besluit dat hij per 2 juli 2001 geen recht meer heeft op een
uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), op de grond dat hij per die datum
niet ongeschikt voor de voor hem geldende arbeid wordt geacht.
Het tegen het besluit van 2 juli 2001 gerichte bezwaar heeft appellant
bij besluit van 29 januari 2002 ongegrond verklaard.
Bij brief van 8 augustus 2001 is gedaagde namens appellant in kennis
gesteld van het besluit dat zijn uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, ingaande 11 juni 2001 wordt
herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80
tot 100% , en dat zijn uitkering ingaande 1 juli 2001 wordt herzien en
vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Het tegen het besluit van 8 augustus 2001 gerichte bezwaar heeft
appellant bij besluit van 29 januari 2002 ten dele gegrond verklaard,
met handhaving van de genomen beslissing.
De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 23 juni 2003,
nummers AWB 02/566 WAO en AWB 02/751 ZW, het beroep tegen het ZW-besluit
van 29 januari 2002 ongegrond verklaard en het verzoek tot
schadevergoeding afgewezen, doch het beroep tegen het WAO-besluit van 29
januari 2002 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, met bepaling
dat de per 11 juni 2001 aan gedaagde toegekende WAO-uitkering ingaande 1
oktober 2001 wordt herzien en nader vastgesteld naar de
arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%, voorts met bepaling dat de
uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 9 januari 2002 en met nadere beslissingen inzake renteschade,
griffierecht en proceskosten.
Appellant is van deze uitspraak voor wat betreft het WAO-besluit op bij
beroepschrift uiteengezette gronden in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.
Appellant heeft desgevraagd stukken ingestuurd.
De gedingen zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 2 februari 2005, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Aangezien de uitspraak van de rechtbank slechts is aangevochten voor
zover deze betrekking heeft op het onder I genoemde WAO-besluit van 29
januari 2002 (hierna: het bestreden besluit) is het geding in hoger
beroep daartoe beperkt.
Appellant heeft gedaagde ingaande 18 december 1998 in het genot gesteld
van een uitkering ingevolge de WAO, aanvankelijk vastgesteld naar de
arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100% en vanaf 2 oktober 2000
naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.
Bij het primaire besluit van 8 augustus 2001, naar zijn inhoud in stand
gelaten bij het bestreden besluit, heeft appellant het
arbeidsongeschiktheidspercentage per 11 juni 2001 herzien en verhoogd
naar 80 tot 100 en dit percentage per 1 juli 2001 herzien en weer
verlaagd naar 35 tot 45. Dit besluit is genomen met toepassing van
artikel 39a van de WAO (Wet Amber), nadat gebleken was dat gedaagde zich
op 16 mei 2001 had ziek gemeld ingaande 14 mei 2001 wegens een operatie
aan de bovenste luchtwegen, waarvan de gevolgen op 1 juli 2001 weer
waren geweken.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het bestreden besluit
vernietigd, van oordeel zijnde dat appellant bij de verlaging van de
uitkering naar het oude percentage van 35 tot 45 een uitlooptermijn van
twee maanden had moeten verlenen, te rekenen vanaf 30 juli 2001. De
rechtbank heeft dit afgeleid uit het bepaalde in de bijlage bij het door
het Lisv op 10 augustus 2000 gegeven Besluit einde wachttijd en
uitlooptermijn WAO, WAZ en Wajong 1999, Stcrt. 2000, 158 (hierna: het
Besluit).
Appellant heeft dit oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden,
stellende dat het hier een verhoging en verlaging van de uitkering met
terugwerkende kracht betrof, waarvoor geen uitlooptermijn geldt.
De Raad, zich beperkende tot dit geschilpunt, oordeelt als volgt.
In het Besluit is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:
“1. De uitvoeringsinstelling licht de verzekerde schriftelijk in
omtrent de bevindingen over zijn arbeidsongeschiktheid en de
arbeidsmogelijkheden. Dit kan via een brief (schriftelijke aanzegging)
of de beslissing.
2. De uitvoeringsinstelling trekt de toegekende
arbeidsongeschiktheidsuitkering in dan wel verlaagt deze nadat de
schriftelijke aanzegging of beslissing is verzonden, indien de
verzekerde geschikt is voor het eigen werk bij zijn werkgever dan wel
voor passend werk dat bij zijn werkgever beschikbaar is, en per de datum
waarop de verzekerde in dit werk kan hervatten.
3. De uitvoeringsinstelling trekt de toegekende
arbeidsongeschiktheidsuitkering in dan wel verlaagt deze, in andere
gevallen dan de gevallen genoemd in de voorgaande volzin, met
inachtneming van een uitlooptermijn van twee maanden, welke aanvangt op
de dag na datum waarop de schriftelijke aanzegging of beslissing is
verzonden.”
De rechtbank heeft het standpunt ingenomen dat de onderhavige casus valt
onder de “andere gevallen”, als bedoeld onder punt 3 van het zojuist
geciteerde gedeelte van het Besluit, zodat een uitlooptermijn van twee
maanden aangewezen was.
De Raad is evenwel, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het Besluit
niet ziet op een situatie als de onderhavige. Naar aanleiding van zijn
ziekmelding is gedaagde over de periode van 14 mei 2001 tot 2 juli 2001
ziekengeld toegekend. Op een spreekuur van 19 juni 2001 heeft de
betrokken verzekeringsarts gedaagde aangezegd dat hij overeenkomstig het
belastbaarheidspatroon van 6 juni 2000 per 1 juli 2001 weer geschikt was
voor de hem eerder voorgehouden functies, zijnde tevens “zijn
arbeid” in het kader van de ZW. Achteraf is aan appellant over de
periode van 11 juni 2001 tot 1 juli 2001 tevens een WAO-uitkering
toegekend, aangezien appellant ook onder het regime van de Wet Amber
viel. Reeds gegeven deze situatie was een uitlooptermijn als in het
Besluit bepaald naar het oordeel van de Raad hier niet vereist. Dat het
Besluit op een dergelijke situatie niet ziet valt af te leiden uit het
feit dat in de geciteerde artikelen van het Besluit wordt uitgegaan van
een voorafgaande schriftelijke aanzegging, welke bij een toekenning en
intrekking over een afgesloten periode niet aan de orde is, terwijl
bovendien de ratio van de uitlooptermijn, zijnde het zich kunnen
instellen op aangezegde arbeidsmogelijkheden, dan niet opgaat.
Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak, voor zover
aangevochten, niet in stand kan blijven en dat het inleidende beroep
tegen het bestreden besluit ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het inleidend beroep tegen het besluit van 29 januari 2002
ongegrond.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid
van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en in het openbaar uitgesproken
op 16 maart 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|