|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/3305 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 18 februari 2002 is appellante vanwege gedaagde in kennis
gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: het
bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).
De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 15 mei 2003 (AWB
02/583) het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk
verklaard verklaard.
Namens appellante is de Stichting Rechtsbijstand te Roermond op bij
beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep
gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad van 23 februari 2005, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 19 oktober 2001 heeft gedaagde geweigerd aan
[werkneemster], werkneemster van appellante, ziekengeld te verstrekken
met ingang van 29 september 2001, omdat de werkneemster met ingang van
die datum niet tengevolge van haar bevalling of zwangerschap ongeschikt
wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. Appellante heeft tegen
het besluit van 19 oktober 2001 bezwaar gemaakt. Bij het bestreden
besluit heeft gedaagde het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk
verklaard, omdat appellante naar het oordeel van de rechtbank niet als
belanghebbende kan worden aangemerkt.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en verwijst
daartoe naar zijn uitspraak van 1 oktober 2003, gepubliceerd in USZ
2003/321.
Aan deze uitspraak ontleent de Raad het navolgende.
Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang
rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Bij uitspraken van 24
september 2002 (JB 2002, 342) heeft de Raad geconcludeerd dat de
werkgever ten aanzien van een besluit omtrent aanspraken van een
werknemer op ziekengeld, als belanghebbende in de zin van artikel 1:2,
eerste lid, moet worden beschouwd. Deze conclusie geldt niet, indien de
uitzondering van artikel 2a van de Ziektewet van toepassing is. Het met
ingang van 1 maart 2003 vervallen artikel 2a van de Ziektewet luidde als
volgt: Bij een besluit ingevolge deze wet dat betrekking heeft op het al
dan niet bestaan of voortbestaan van de ongeschiktheid tot werken is
belanghebbende degene op wiens aanspraken het besluit betrekking heeft.
Uit de ontstaansgeschiedenis blijkt dat artikel 2a van de Ziektewet de
strekking had de privacy te beschermen van de werknemer bij besluiten
waaraan de beoordeling van diens arbeidsongeschiktheid ten grondslag
lag. Deze strekking brengt mee dat het artikel - anders dan wel
gesteld is - niet alleen betrekking had op besluiten waarbij in
geschil is of al dan niet sprake is van arbeidsongeschiktheid, maar
eveneens op besluiten waarbij aard en oorzaak van de
arbeidsongeschiktheid aan de orde zijn.
De Raad stelt verder vast dat aan het bestreden besluit een beoordeling
van de arbeidsongeschiktheid van de werkneemster [werkneemster] ten
grondslag ligt. Destijds was artikel 2a van de Ziektewet nog van
toepassing, zodat appellant niet als belanghebbende kon worden
aangemerkt. De rechtbank heeft daarom appellante terecht
niet-ontvankelijk verklaard in het beroep.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van mr. A. van
Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 april 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A. van Netten.
|
|