|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/3383 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 16 juli 2002 is appellant vanwege gedaagde in kennis
gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: het
bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 27 mei 2003 (ZW 02/2274)
het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 23 februari 2005, waar appellant
in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam, en waar gedaagde zich heeft
doen vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant, die laatstelijk op projectbasis voor een periode van
september 2001 tot eind december 2001 werkzaam was als bouwkundig
adviseur, is op 18 december 2001 wegens rugklachten ongeschikt geworden
tot het verrichten van zijn werk. Terzake van dit ziektegeval heeft
appellant verschillende keren het spreekuur bezocht van een
verzekeringsarts. Op 18 juni 2002 heeft verzekeringsarts G. Matkovic na
onderzoek van appellant vastgesteld dat er geen beperkingen meer waren
voor het verrichten van de eigen arbeid. Daarbij is in aanmerking
genomen dat het ging om lichte arbeid, waarbij niet hoefde te worden
getild en gesjouwd. Op het afschrift van de medische kaart is
opgetekend, dat appellant na de mededeling dat hij hersteld zou worden
verklaard een machtiging tot het inwinnen van inlichtingen bij de
behandelend neuroloog heeft verscheurd.
Bij besluit van 18 juni 2002 is aan appellant meegedeeld dat aan hem met
ingang van 19 juni 2002 geen ziekengeld meer werd toegekend, omdat hij
op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten
van zijn arbeid.
In de bezwaarfase is appellant gezien door bezwaarverzekeringsarts S.M.
Lustenhouwer, die op 11 juli 2002 een rapport heeft uitgebracht. Daaruit
blijkt dat appellant op het spreekuur van 11 juli 2002 niet inhoudelijk
op de zaak wilde ingaan en weigerde alsnog toestemming te verlenen om
informatie in te winnen bij de behandelend neuroloog. Zoals in het
rapport valt te lezen weigerde appellant ook mee te werken aan een
lichamelijk onderzoek. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangetekend, dat
appellant geen informatie heeft overgelegd, waaruit blijkt dat de
gezondheidstoestand op de datum in geding anders was dan door de
verzekeringsarts aangegeven. Dat er rugklachten zijn wordt aangenomen,
maar gezien de bevindingen bij het lichamelijk onderzoek, zoals door de
verzekeringsarts beschreven, is er geen aanleiding duidelijke pathologie
van de rug te veronderstellen. Volgens dit rapport is verder het werk
zoals beschreven in de”checklist eigen werk” niet dermate
rugbelastend, dat belanghebbende ongeschikt te achten is voor deze
werkzaamheden.
Bij het bestreden besluit is voormeld besluit van 18 juni 2002
vervolgens in bezwaar gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard en
daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de
(bezwaar)verzekeringsarts.
Wat betreft appellants houding ten overstaan van de betrokken
verzekeringsartsen heeft de rechtbank daarbij het volgende overwogen:
"Van de gestelde onbetrouwbaarheid van de verzekeringsartsen, die
inzake eisers aanspraken in het kader van de ZW moesten adviseren, is de
rechtbank niet gebleken. Voorzover eiser al terecht bezwaren zou hebben
met betrekking tot het optreden van de verzekeringsarts G. Matkovic, dan
zou hij volledig medewerking hebben moeten geven aan de herbeoordeling
door de bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer. Echter om hem
moverende redenen heeft hij dit niet gedaan, althans onvoldoende. Onder
deze omstandigheden dient het feit, dat het niet tot de door de
bezwaarverzekeringsarts gewenste, volledige onderzoek is gekomen, voor
rekening van eiser te komen."
De Raad verenigt zich - gelet op de hiervoor weergegeven bevindingen
van de betrokken (bezwaar)verzekeringsarts - met het oordeel van de
rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde
overwegingen. De Raad merkt hierbij nog op dat appellant ook in hoger
beroep geen informatie van de behandelend sector heeft overgelegd.
Appellants verzoek om voornoemde verzekeringsartsen ter zitting als
getuige op te roepen heeft de Raad niet gehonoreerd, nu dit
redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad acht geen grond aanwezig voor een proceskostenveroordeling als
bedoeld in artikel 8:75 van de Awb
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van mr. A. van
Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 april 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A. van Netten.
|
|