|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/4279 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 2 juli 2002 is appellant vanwege gedaagde in kennis
gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: het
bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).
De rechtbank Leeuwarden heeft bij uitspraak van 15 juli 2003 (02/894 ZW)
het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. R. Raap, werkzaam bij het Bureau Rechtshulp
Noord te Groningen, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellants gemachtigde heeft de Raad nog stukken doen toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 23 februari 2005,
waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door drs. G.A. Tellinga, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant is laatstelijk tot eind november 2001 als steller/stamper
werkzaam geweest bij Philips Domestic Appliances and Personal Care BV te
Drachten. Na het einde van dit dienstverband heeft hij zich per 1
december 2001 wegens rugklachten ziek gemeld.
Terzake van dit ziektegeval heeft appellant op 22 mei 2002 het spreekuur
bezocht van een verzekeringsarts, die bij onderzoek een soepele, niet
drukpijnlijke rugmusculatuur constateerde en appellant hersteld
verklaarde voor zijn werk.
Bij besluit van 24 mei 2002 is aan gedaagde met ingang van 25 mei 2002
geen uitkering ingevolge de Ziektewet meer toegekend, omdat hij op en na
deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn
arbeid.
In de bezwaarfase is appellant gezien door bezwaarverzekeringsarts A.J.M.
Vellinga, die bij onderzoek, behoudens een zeer matige houding en
gedragsmatige aspecten, geen duidelijke afwijkingen vaststelde en zich
verenigde met de primaire medische beoordeling.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar tegen voormeld besluit van 24
mei 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard en
daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan het ten behoeve van de
gedingvoering in eerste aanleg uitgebrachte rapport van 12 maart 2003
van dr. J. Rijnks, orthopedisch chirurg te Leeuwarden. Deze deskundige
heeft bij onderzoek van appellant geen afwijkingen gevonden, die het
opleggen van beperkingen rechtvaardigen. Gelet op het somatisch
onderzoek achtte de deskundige appellant geschikt tot het verrichten van
zijn arbeid.
Wel onderkende de deskundige mogelijk een psychologische problematiek.
Hij achtte onderzoek door een fysiotherapeut/arbeidsdeskundige en/of
psycholoog aanbevelenswaardig.
De rechtbank heeft aan deze suggestie geen betekenis toegekend, omdat
het hier veeleer zou gaan om een aanbeveling met het oog op reďntegratie.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft
de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.
De in hoger beroep overgelegde verklaring van 4 juli 2003 van
orthopedisch chirurg C.L. de Ridder inzake een vastgestelde centrale
hernia vormt voor de Raad geen reden voor een andersluidend oordeel. De
Raad wijst in dit verband op het commentaar van 30 september 2003 van
bezwaarverzekeringsarts P.H. Storms, die heeft aangegeven dat hier
sprake is van een mediale hernia die geen uitstralingsklachten geeft.
Ook in de nader ingebrachte stukken van het Centrum voor Revalidatie te
Beesterzwaag, waarin sprake is van functionele rugklachten zonder
aanwijsbare oorzaak, ziet de Raad geen reden om de conclusie van
voornoemde deskundige niet te volgen.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van mr. A. van
Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 april 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A. van Netten.
|
|