|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/4493 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld
tegen een door de rechtbank Roermond op 25 juli 2003 tussen partijen
gegeven uitspraak (reg.nr. AWB 03/379 ZW), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 februari 2005,
waar appellant - met kennisgeving - niet is verschenen, en waar gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door M.J.H. Steeghs, werkzaam bij het
Uwv.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en
gedaagde als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en
omstandigheden:
"Eiser is laatstelijk werkzaam geweest als lasser. Ten gevolge van
een auto-ongeval op 27 juni 2002 is eiser uitgevallen. Op 12 september
2002, 9 oktober 2002 en 29 november 2002 heeft verzekeringsarts J.
Bosmans een onderzoek verricht.
Op 29 november 2002 concludeert Bosmans dat zowel op het lichamelijk als
psychisch vlak er geen argumenten zijn om het functioneren van eiser in
de eigen arbeid als niet passend te omschrijven. Overeenkomstig het
advies is bij ongedateerd besluit het recht op ziekengeld met ingang van
11 december 2002 beëindigd.
Bij brief van 11 december 2002 is namens eiser tegen voornoemd besluit
bezwaar gemaakt.
Nadat bezwaarverzekeringsarts C.H.M. Heeskens-Reijnen bij de hoorzitting
aanwezig is geweest, alwaar informatie is overgelegd van huisarts M.M.J.M.
Brassé en nadat informatie is opgevraagd bij psychiater M. Badr,
rapporteert zij op 20 februari 2003. Heeskens-Reijnen concludeert dat eiser op en na 11
december 2002 geschikt te achten is tot het verrichten van zijn
maatgevende arbeid.
Bij besluit van 25 februari 2003 heeft verweerder het thans bestreden
besluit genomen waarbij de bezwaren van eiser ongegrond zijn verklaard.
Tegen dit besluit is namens eiser beroep ingesteld. Eiser is van mening
dat zijn fysieke en psychische belastbaarheid is onderschat. Eiser
beschikt over geen enkele relevante en in loonvormende arbeid
vertaalbare restcapaciteit."
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit
van 25 februari 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel
dat niet is gebleken dat appellant op medische gronden naar objectieve
maatstaven gemeten, op 11 december 2002 niet in staat was te achten om
zijn arbeid in de functie van lasser te verrichten. Daarbij wordt door
de rechtbank benadrukt dat aan de eigen beleving van appellant over het
niet kunnen werken en de duur daarvan geen doorslaggevende betekenis kan
en mag worden gehecht. Van de zijde van appellant zijn volgens de
rechtbank geen nieuwe medische gegevens overgelegd op grond waarvan een
anders luidend oordeel in overweging zou moeten worden genomen. De
rechtbank zag dan ook geen aanleiding om een deskundige (psychiater) te
benoemen.
In hoger beroep handhaaft appellant hetgeen door hem in beroep is
gesteld. Er is volgens appellant niet in voldoende mate rekening
gehouden met zijn klachten door verzekeringsarts J. Bosmans en
bezwaarverzekeringsarts C.H.M. Heeskens-Reijnen.
Ten tijde in geding was appellant herstellende van een ernstig
auto-ongeval dat plaatsvond op 27 juni 2002. Daarnaast is er volgens
drs. A. Zaal, volgens haar rapport van 9 april 2003, sprake van een post
traumatische stress stoornis (PTTS).
Namens gedaagde heeft bezwaarverzekeringsarts Heeskens-Reijnen op 11
november 2003 een reactie gegeven op het rapport van Zaal.
Heeskens-Reijnen komt tot de conclusie dat appellant niet voldeed aan de
diagnostische criteria voor PTTS. Volgens haar beschrijft Zaal vage
klachten vanuit de beleving van appellant, welke zij niet verder
uitvraagt en ontbreekt er een beschrijving van het psychiatrisch
onderzoek. Door haar en de verzekeringsarts is destijds bij eigen
onderzoek geen psychopathologie waargenomen. Tevens blijkt uit de
verstrekte informatie van psychiater M. Badr naar aanleiding van diens
onderzoek op 11 december 2002 en aanvullende informatie d.d.12 februari
2003, volgens Heeskens-Reijnen dat er geen sprake was van een
psychiatrisch toestandbeeld in engere zin, maar dat er sprake was van
psychosociale problematiek. Indien er bij onderzoek op 8 april 2003 al
wel sprake was van PTTS, dan deden volgens haar de eerste symptomen zich
pas voor meer dan zes maanden na het ongeval. Aangezien er voor deze
tijd geen psychopathologie is waargenomen, kon dit volgens haar ook pas
later tot beperkingen leiden.
De Raad is samen met de rechtbank van oordeel dat op basis van de
bevindingen uit eigen onderzoek van de verzekeringsarts en de
bezwaarverzekeringsarts, met inachtneming van de informatie van
psychiater M. Badr en huisarts M.M.J.M. Brassé, appellant op en na 11
december 2002 niet ongeschikt is te achten voor zijn arbeid (lasser).
Ten aanzien van het rapport van Zaal, die wijst op een PTTS, verwijst de
Raad naar het rapport van Heeskens-Reijnen van 11 november 2003, die volgens de Raad op overtuigende wijze aangeeft dat
er op de datum in geding - 11 december 2002 - geen sprake was van
psychopathologie die er toe leidde dat appellant wegens ziekte niet in
staat was om zijn werk als lasser te verrichten.
Aan de eigen, niet met medische gegevens onderbouwde, mening van
appellant met betrekking tot zijn gezondheidstoestand ten tijde in
geding kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat appellant daaraan
gehecht wil zien.
De Raad merkt ten slotte op dat de beschikbare gegevens voldoende
informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellant op de
in geding zijnde datum, om tot een verantwoord oordeel te komen. De Raad
ziet dan ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter, in
tegenwoordigheid van mr. A. van Netten als griffier en uitgesproken in
het openbaar op 6 april 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A. van Netten.
|
|