|
Uitspraak
03/4772 ZW, 03/4775 WAO en 03/4777 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft R.T. van Baarlen, adviseur sociale zekerheid van
De Fiscount Adviesgroep te Zwolle, hoger beroep ingesteld tegen de
uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 18 augustus 2003 met
kenmerk 02/763, 02/2898 en 03/887.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 21 januari 2005 heeft de gemachtigde van appellant een
nader stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 februari 2005, waar
voor appellant R.T. van Baarlen is verschenen en waar gedaagde zich, met
kennisgeving, niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De feiten die in de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door
partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij
zijn oordeelsvorming.
Tussen partijen is in geschil of gedaagde terecht heeft geweigerd aan
appellant naar aanleiding van zijn ziekmelding per 15 augustus 2001 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) en
aansluitend de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe
te kennen op de grond dat hij niet verplicht verzekerd was ingevolge die
wetten.
Tevens is in geschil of gedaagde terecht heeft geweigerd aan appellant
na vier weken toegenomen arbeidsongeschiktheid een uitkering ingevolge
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te
kennen.
Verzekeringsplicht ingevolge de ZW en de WAO
Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet zijn
voldaan aan drie voorwaarden, te weten een gezagsverhouding, de
verplichting de werkzaamheden persoonlijk te verrichten en de
verplichting tot loonbetaling.
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat er in het onderhavige geval
voldoende sterke aanwijzingen zijn dat een gezagsverhouding tussen
appellant en de vennootschap onder firma [naam VOF] (hierna: de VOF)
ontbrak omdat de familieverhoudingen overheersend waren en aan het
uitoefenen van werkgeversgezag in de weg stonden. Het beroep van
appellant op artikel 7:610a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan naar het
oordeel van de rechtbank niet leiden tot het door appellant gewenste
resultaat. Appellant heeft bovendien volgens de rechtbank geen enkel
overtuigend gegeven aangedragen waaruit concreet het bestaan van een
gezagsverhouding in de werkrelatie tussen enerzijds hemzelf en
anderzijds zijn zoon en schoondochter blijkt. Dit klemt te meer omdat
een rolwisseling van werkgever naar werknemer en andersom, zoals die in
de verhouding tussen appellant en zijn schoondochter zou hebben
plaatsgehad, op zich reeds het bestaan van werkgeversgezag na deze
wisselingen onaannemelijk maakt. De rechtbank achtte het voorts niet
aannemelijk dat appellant op dezelfde wijze en in dezelfde omvang
werkzaamheden verrichtte als de werknemers bij de VOF, reeds omdat uit
de aanwezige gegevens blijkt dat appellant al ruim voor 1 januari 2000
regelmatig aangaf vanwege zijn rug- en maagklachten nagenoeg geen werk
te kunnen verrichten. Daarbij achtte de rechtbank van belang dat
appellant in een brief aan gedaagde heeft aangegeven dat hij het bedrijf
heeft verkocht aan zijn zoon omdat hij het werk niet meer aankon en ook
heeft vermeld dat toen door de VOF de bereidheid zou zijn uitgesproken
om hem - anders dan in de arbeidsovereenkomst staat vermeld - voor
ongeveer 30 uur per week in loondienst aan te nemen. Wat betreft de
brief van de arbeidsdeskundige A.M.J. Heine van 25 januari 2001 is de
rechtbank van oordeel dat deze in te algemene termen is gesteld om
daarin een in rechte te honoreren toezegging aan appellant te kunnen
zien aangaande zijn verzekerd zijn ingevolge de ZW en de WAO. De
rechtbank heeft het beroep in deze zaken ongegrond verklaard.
Appellant verwijst in hoger beroep naar de in beroep aangevoerde
gronden. Daarbij onderschrijft appellant in beginsel de overweging van
de rechtbank dat een gezagsverhouding tussen zoon/schoondochter en
(schoon)vader niet aannemelijk is te achten met name gelet op de
rolwisseling werkgever/werknemer die tussen hem en zijn schoondochter
heeft plaatsgevonden. Hij wijst echter op een aantal feiten en
omstandigheden waaraan de rechtbank volgens hem ten onrechte geen
doorslaggevende betekenis heeft gehecht en waaruit het bestaan van een
gezagsverhouding moet blijken.
De Raad kan appellant niet volgen in zijn stellingen en is van oordeel
dat appellant ook in hoger beroep het bestaan van een reële
gezagsverhouding niet heeft aangetoond. De Raad onderschrijft de
overwegingen van de rechtbank en merkt naar aanleiding van hetgeen
appellant in hoger beroep heeft aangevoerd het volgende op. Dat
appellant zijn bedrijf aan zijn zoon en schoondochter heeft verkocht
tegen een marktconforme prijs en dat hij bij de verkoop geen voorwaarden
heeft gesteld met betrekking tot het (blijven) verrichten van arbeid
bewijst niet dat er in de arbeidsverhouding waarin appellant in de VOF
werkzaam was sprake was van een gezagsverhouding. De tussen appellant en
de VOF gesloten arbeidsovereenkomst verwijst weliswaar wat betreft
vakantie- en vrije dagen en vakantietoeslag naar de CAO Klein Metaal,
maar bevat, in tegenstelling tot wat gebruikelijk is tussen werkgever en
werknemer, geen concrete loonafspraak, terwijl ook de functie van
appellant daarin niet is vermeld. De schoondochter heeft blijkens het
rapport buitendienst algemeen dat op 10 februari 2003 is opgemaakt,
verklaard dat appellant op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam
was als loodgieter en c.v.-monteur en dat hij net als zijn collega’s
met een servicewagen op karwei ging en niet van de gemaakte planning en
afspraken mocht afwijken. Deze verklaring strookt echter niet met de
beperkte belastbaarheid van appellant die blijkt uit de diverse
verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapportages, waarbij met
instemming van appellant is aangenomen dat hij ten gevolge van zijn rug-
en maagklachten nog slechts in beperkte mate lichte taken in zijn
bedrijf kon verrichten. De Raad wijst in dit verband op de rapportages
van 10 november 1994, 8 november 1996, 15 april 1997 en 8 april 1998,
terwijl in de rapportage van 29 februari 2000 naar aanleiding van een
professionele herbeoordeling is vastgesteld dat de belastbaarheid ten
opzichte van de rapportage van 15 april 1997 niet is gewijzigd. De Raad
is voorts van oordeel dat het salaris dat appellant van de VOF ontving
zo veel hoger was dan gebruikelijk, dat dit niet een reële beloning
vormde voor de beperkte werkzaamheden die appellant feitelijk kon
verrichten.
Met betrekking tot de brief van de arbeidsdeskundige Heine van 25
januari 2001 onderschrijft de Raad eveneens de overwegingen van de
rechtbank. De brief geeft in algemene termen uitleg over de toepassing
van artikel 29b van de ZW. Appellant kon daaraan geen in rechte te
honoreren verwachtingen over de toekenning van ziekengeld in een
concreet geval ontlenen, temeer nu hem bekend kon zijn dat de
arbeidsdeskundige niet bevoegd is te beslissen over de toekenning van
ziekengeld.
De Raad concludeert dat appellant er niet in is geslaagd aan te tonen
dat hij destijds in de VOF ondanks de familieverhouding werkzaam was
als een reguliere werknemer onder werkgeversgezag. Nu niet is voldaan
aan een van de drie voorwaarden voor het aannemen van een
privaatrechtelijke dienstbetrekking, was er geen sprake van
verzekeringsplicht in de zin van artikel 3 van de ZW en de WAO. Aan de
door appellant gestelde intentie van betrokkenen om een
privaatrechtelijke dienstbetrekking aan te gaan die tot
verzekeringsplicht leidt, komt geen doorslaggevende betekenis toe,
waarbij de Raad opmerkt dat daarmee niet goed te rijmen valt dat de VOF
geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het besluit van gedaagde van 23
februari 2000 inhoudende dat appellant niet verplicht verzekerd was in
de zin van de sociale werknemersverzekeringswetten. Aan de door
appellant in hoger beroep bepleite verzekeringsplicht op grond van
artikel 5 van de onderhavige wetten staat naar het oordeel van de Raad,
gelet op de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden, in de weg
dat de arbeidsverhouding in overwegende mate werd beheerst door de
familieverhouding.
Uitkering ingevolge de WAZ
De rechtbank heeft geoordeeld dat gedaagde terecht heeft geweigerd
appellant vier weken na het opnieuw intreden van arbeidsongeschiktheid
een WAZ-uitkering toe te kennen, omdat op dat moment ten aanzien van
appellant geen sprake was van toegenomen medische beperkingen tot het
verrichten van arbeid ten opzichte van de beperkingen terzake waarvan
hij eerder een WAZ-uitkering had ontvangen, zodat de wachttijd in de zin
van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAZ niet was
aangevangen. De rechtbank heeft onderkend dat een vergelijking diende
plaats te vinden van de medische situatie van appellant direct
voorafgaand aan de intrekking van de uitkering per 1 januari 1999 met
die op de datum van uitval. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank
echter in het geheel geen gegevens aangedragen die aanleiding geven voor
de veronderstelling dat op 31 december 1998 sprake was van een relevant
andere medische situatie dan op 15 augustus 2001.
Appellant stelt in hoger beroep dat rechtbank en gedaagde miskennen dat
hij sedert 15 april 1997 en de datum van de laatste herziening 1 januari
1999 geruime tijd heeft gewerkt. Hij wijst er voorts op dat hij sinds 15
augustus 2001 medische behandelingen heeft ondergaan, zijn huisarts
heeft geraadpleegd en onder behandeling van specialisten stond, en
verwijst naar bevindingen van de Arbo-dienst en zijn fysiotherapeut.
De Raad overweegt dat vaststaat dat appellant zich bij formulier,
gedateerd 18 januari 2002, bij gedaagde toegenomen arbeidsongeschikt
heeft gemeld ingaande 15 augustus 2001. De periode van vier weken waar
het hier om gaat loopt tot en met 11 september 2001. De Raad is met de
rechtbank van oordeel dat appellant zijn stelling dat zijn medische
beperkingen ten opzichte van de toestand per 31 december 1998 op 15
augustus 2001 in relevante mate waren toegenomen en dat deze toeneming
vier weken onafgebroken heeft voortgeduurd niet met concrete medische
gegevens die betrekking hebben op zijn medische toestand in die periode
van vier weken heeft onderbouwd. De enkele vermelding van een bezoek aan
de huisarts op 3 september 2001 is daartoe onvoldoende.
Blijkens het rapport van het onderzoek van de verzekeringsarts van 4
april 2002, verricht naar aanleiding van de melding van toegenomen
arbeidsongeschiktheid, heeft deze geen objectiveerbare toegenomen
beperkingen geconstateerd ten opzichte van de situatie zoals beschreven
in het rapport van 15 april 1997. De wachttijd van vier weken is niet
aangevangen dan wel niet voltooid. Vervolgens heeft de
bezwaarverzekeringsarts nog inlichtingen ingewonnen bij de behandelend
neuroloog van appellant en kennis genomen van de bevindingen van de
bedrijfsarts, hetgeen niet tot een ander oordeel heeft geleid.
De Raad overweegt dat het zorgvuldiger zou zijn geweest indien bij het
verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar aanleiding van de melding de
medische beperkingen van appellant per 1 januari 1999 in het onderzoek
waren betrokken. Nu echter de in 2002 verrichte onderzoeken van de
verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts voldoende zorgvuldig
moeten worden geacht en deze onderzoeken geen grond hebben opgeleverd
voor de veronderstelling dat er in de periode tussen de laatste
beoordeling (in de rapportage van 15 april 1997) en 1 januari 1999
mogelijk relevante wijzigingen in de medische beperkingen zijn
opgetreden, acht de Raad het achterwege blijven van onderzoek op dat
punt niet zodanig onzorgvuldig dat nader onderzoek alsnog aangewezen zou
zijn. De Raad concludeert dat toekenning van een WAZ-uitkering na vier
weken wachttijd terecht is geweigerd.
Vorenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en
mr. M.C.M. van Laar en mr. drs. C.M. van Wechem als leden, in
tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 24 maart 2005.
(get). N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get). M. Renden.
|
|