|
Uitspraak
03/3900 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij brief van 9 november 2001 is appellante vanwege gedaagde in kennis
gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: het
bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
De rechtbank Zutphen heeft bij uitspraak van 24 juni 2003 (01/1591 ZW)
het beroep tegen het bestreden besluit voorzover betrekking hebbend op
gedaagdes beslissing in het kader van de WAO gegrond verklaard en het
bestreden besluit in zoverre vernietigd. Het beroep is voorzover
betrekking hebbend op gedaagdes beslissing in het kader van de ZW
ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. M.J. van Dijk, werkzaam bij het Bureau
Rechtshulp te Zutphen, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen die uitspraak, voorzover daarbij het beroep
ongegrond is verklaard.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop de gemachtigde van
appellante bij brief van 21 oktober 2003 heeft gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 2 maart 2005, waar
partijen, na voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft bij verweerschrift grieven aangevoerd welke betrekking
hebben op het door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak vernietigde
besluit in het kader van de WAO en op grond hiervan de Raad verzocht het
inleidend beroep in zoverre alsnog ongegrond te verklaren. Nu gedaagde
echter niet zelf tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de
aangevallen uitspraak en het hoger beroep van appellante uitdrukkelijk
is beperkt tot de bestreden besluitvorming voorzover betrekking hebbende
op de ZW, gaat de vordering van gedaagde de omvang van dit geding te
buiten. De Raad laat deze dan ook verder buiten beschouwing.
Appellante heeft laatstelijk als oproepkracht 20 tot 30 uur per week
gewerkt als lokettiste bij NS-Reizigers. Zij heeft zich op 10 april 2000 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de
Werkloosheidswet ziek gemeld wegens rugklachten nadat zij op haar
stuitje was gevallen.
Terzake van dit ziektegeval heeft appellante verschillende keren het
spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze stelde op 4 maart 2001
vast dat het met de rugklachten van appellante na een behandeling bij
het Centraal Instituut voor Rugzorg BV te Zwolle beter ging. Appellante
uitte op dat spreekuur echter vooral klachten van moeheid, waarvan zij
al jaren last zou hebben. De verzekeringsarts zag in deze
ME-achtige klachten echter geen grond om appellante nog langer
ongeschikt te achten voor haar werk en verklaarde haar per 15 maart 2001
hersteld.
Bij besluit van 14 maart 2001 is aan appellante dienovereenkomstig
meegedeeld dat zij met ingang van 15 maart 2001 geen recht meer had op
ziekengeld.
Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en is naar aanleiding
hiervan op 30 mei 2001 op de hoorzitting gezien door
bezwaarverzekeringsarts W.G.F. Geerlings. Deze heeft kennis genomen van
het verslag van vorenbedoelde rugtraining, welke ertoe heeft geleid dat
appellante veel beter is gaan functioneren. De door appellante geuite
vermoeidheidsklachten, die ertoe zouden leiden dat zij tot niets meer in
staat was, achtte de bezwaarverzekeringsarts hiermee in tegenspraak.
Constaterend dat er geen sprake was van fysieke beperkingen die de
vermoeidheid verklaren en dat hier sprake was van inconsistentie als
bedoeld in de richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium achtte
de bezwaarverzekeringsarts appellante, gezien de beperkingen en de
werkbeschrijving, op de datum in geding niet ongeschikt voor haar werk.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellante tegen het
besluit van 14 maart 2001 dan ook ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het desbetreffende onderdeel van het
bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis
toegekend aan het ten behoeve van de gedingvoering in eerste aanleg door
dr. H.H. Vincent, internist-nefroloog als onafhankelijke deskundige op
18 december 2002 uitgebrachte rapport, dat bij brief van 25 februari
2003 in reactie op een commentaar van de gemachtigde van appellante
nader is toegelicht.
De Raad heeft het volgende overwogen.
Voornoemde deskundige heeft mede op grond van de beschikbare informatie
van de behandelend neuroloog van appellante in zijn rapport gemotiveerd
uiteengezet dat de door appellante geuite hoofdpijn-, nek- en
vermoeidheidsklachten medisch niet verklaarbaar zijn op grond van de
vorenbedoelde valpartij. Bij appellante was volgens de deskundige, met
name gelet op de afgenomen anamnese waarin verslag wordt gedaan van de
gestelde vermoeidheidsklachten, ook geen sprake van een chronisch
vermoeidheidssyndroom. De deskundige zag dan ook geen reden om aan te
nemen dat appellante op de betreffende datum haar werkzaamheden als
lokettiste gedurende 20 tot 30 uur per week niet kon verrichten. In zijn
brief van 25 februari 2003 heeft de deskundige zijn conclusie nader
toegelicht door erop te wijzen, dat een gebroken staartbeentje niet
leidt tot een verergering van hoofdpijnklachten, dat appellante niet de
typische kenmerken heeft van het chronisch vermoeidheidssyndroom en dat
er ook geen onderbouwing is voor het door appellante nog steeds gestelde
tekort aan melatonine, waarmee zij effectief was behandeld.
Het vorenstaande in aanmerking nemend ziet de Raad in de in eerste
aanleg overgelegde brief van de behandelend neuroloog van 7 april 2003,
onvoldoende reden om de conclusie van de deskundige niet te volgen.
De Raad verenigt zich dan ook met het oordeel van de rechtbank.
Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten,
dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als
bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde
Kalter en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr.
J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13
april 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|