|
Uitspraak
03/2415 ZW
U I T S P R A A K
In het geding tussen:
[appellant], thans wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij brief van 23 oktober 2002 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld
van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de
Ziektewet.
De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 11 april 2003 (02/1259 ZW)
het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. H.M.J. Offermans, advocaat te Roermond, op in
het beroepschrift vermelde gronden tegen deze uitspraak hoger beroep
ingesteld. Bij brieven van 28 november 2003 en 28 juli 2004 heeft
appellant onder toezending van stukken zijn standpunt nader toegelicht.
Gedaagde heeft een verweerschrift - met bijlage - ingezonden en bij
brieven van 3 maart 2004, 1 november 2004 en 2 februari 2005 nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 2 maart 2005, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Offermans als
zijn raadsman. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door W.J.M.H.
Lagerwaard, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant, geboren in 1957, is werkzaam geweest als heftruckchauffeur in
drieploegendienst bij [naam werkgeefster] te [vestigingsplaats] (hierna:
werkgeefster). Zijn arbeidsovereenkomst is bij beschikking van de
kantonrechter met ingang van 1 mei 2002 ontbonden.
Bij brief van 27 mei 2002 heeft appellant zich voor zijn arbeid met
ingang van 17 januari 2002 ziek gemeld wegens onder meer hartklachten,
diabetes en chronische vermoeidheid. De verzekeringsarts H. Jagt heeft
blijkens zijn rapport van 4 juli 2002 appellant op 2 juli 2002
onderzocht. De verzekeringsarts heeft in het kader van zijn onderzoek
het dossier bestudeerd, de anamnese afgenomen en appellant lichamelijk
en psychisch onderzocht. Jagt concludeert dat sprake is van een stabiele
suiker, controleerbare/beheersbare hartritmestoornis en een verhoogde
angstnerveuze predispositie.
Op verzoek van de verzekeringsarts heeft de arbeidsdeskundige M.
Schonewille op 9 juli 2002 over de arbeid van appellant gerapporteerd.
Schoneville vermeldt op grond van inlichtingen van de werkgeefster dat
appellant zijn arbeid als heftruckchauffeur in drieploegendienst heeft
verricht en goed heeft gefunctioneerd. De functie is opgeheven door
reorganisatie. Verzekeringsarts Jagt heeft in een vervolgrapportage van
10 juli 2002 mede naar aanleiding van het arbeidskundig onderzoek
vastgelegd dat er geen medisch objectieve redenen zijn gebleken om
appellant voor zijn arbeid ongeschikt te achten.
Gedaagde heeft op grond van het vermelde onderzoek bij besluit van 10
juli 2002 aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 12 juli 2002
niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht voor zijn
arbeid en daarom met ingang van die datum geen recht heeft op
ziekengeld.
Appellant heeft in bezwaar tegen dit besluit aangevoerd dat hij wegens
zijn medische klachten op en na 12 juli 2002 niet in staat is zijn
arbeid te verrichten.
De bezwaarverzekeringsarts P. Tjen heeft naar aanleiding van het bezwaar
inlichtingen gevraagd aan de behandelend cardioloog N.Y.Y. al-Windy.
Deze cardioloog heeft bij brief van 1 oktober 2002 meegedeeld dat bij
appellant sprake is van status na oud myocardinfarct in 1999,
gecompliceerd door ventriculaire tachycardie. Verder is appellant bekend
met insulineafhankelijke diabetes mellitus. Zij vermeldt in haar brief
de gegevens omtrent een lichamelijk onderzoek en de medicatie. Zij stelt
als conclusie: hartkloppingen. De cardioloog heeft in een nadere brief
van 6 november 2002 de uitslag van een fiets-ergometrisch onderzoek op
14 oktober 2002 en een 24-uurs-Holter-registratie op 23 september 2002
beschreven en heeft toen geen significante ritmestoornissen
geconstateerd. Tjen merkt in zijn rapportages van 16 oktober 2002 en 19
november 2002 op dat appellant tijdens het spreekuur heeft meegedeeld
dat enkel de cardiale klachten de reden vormen voor de gestelde
arbeidsongeschiktheid. De bezwaarverzekeringsarts is op grond van de
beschikbare cardiale en andere gegevens van oordeel dat appellant niet
ongeschikt is te achten voor zijn arbeid. Bij het bestreden besluit is
dienovereenkomstig het bezwaar tegen het besluit van 10 juli 2002
ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat de
beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten opleveren om te
twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsartsen. Het beroep is
ongegrond verklaard.
In het kader van het hoger beroep heeft appellant een brief van de
cardioloog F. van Nes d.d. 17 september 2003 in het geding gebracht.
Deze cardioloog heeft appellant in juli 2003 onderzocht. Bij dat
onderzoek is een E.C.G. gemaakt en hebben een fiets-ergometrisch
onderzoek en een 24-uurs-Holter-registratie plaatsgevonden. Van Nes
vermeldt dat appellant ondanks medicatie een snelle hartslag heeft die
bij inspanning snel oploopt en dan weer langzaam herstelt. De cardioloog
merkt op dat mogelijk een en ander samenhangt met de slechte algehele
conditie van appellant. De cardioloog heeft daarom de sportarts Janssen
verzocht appellant op te roepen voor een programma ter verbetering van
de conditie. Tevens zijn brieven in het geding gebracht van de internist
R.M. van Schelven d.d. 26 februari 2004 en van de psychiater B. Goud d.d.
3 mei 2004.
Op verzoek van de Raad heeft voorts de bezwaararbeidsdeskundige P.M.J.
Kursten een onderzoek ingesteld naar de arbeid van appellant. Kursten
vermeldt in zijn rapport van 27 oktober 2004 - op grond van een
gesprek met appellant op 26 oktober 2004 - dat appellant vanaf maart
2000 in goed overleg met zijn ploegbaas zijn arbeid als
heftruckchauffeur, in drieploegendienst is gaan verrichten. De diabetes
was toen adequaat ingesteld. De drieploegendienst was daardoor haalbaar.
Het werk bestond in beginsel uitsluitend uit het rijden met de heftruck.
Het werk was goed bij te houden. Er was geen tijdsdruk. Dit werk is hij
blijven doen tot zijn uitval op 17 januari 2002.
Appellant heeft meegedeeld dat vanaf eind 2001 zijn nieuwe
leidinggevende hem niet de gelegenheid bood de in verband met zijn
klachten gewenste rustpauzes te nemen.
Appellant heeft in hoger beroep zijn grief herhaald dat hij wegens zijn
klachten op 12 juli 2002 niet in staat was tot het verrichten van zijn
arbeid.
Gedaagde heeft onder verwijzing naar de rapportages van de
verzekeringsartsen dit standpunt bestreden.
De Raad overweegt als volgt.
Gezien het vermelde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Kursten en
de overige gedingstukken dient als maatstaf arbeid te worden aangemerkt
de beschreven functie van heftruckchauffeur in drieploegendienst. De
arbeidsovereenkomst van appellant met zijn werkgeefster is op 1 mei 2002
beλindigd. De datum in geding is 12 juli 2002. Volgens vaste
jurisprudentie dient in een zodanig geval als maatstaf arbeid te worden
aangemerkt diezelfde arbeid, maar dan verricht bij soortgelijke
werkgevers. Bijzondere omstandigheden bij de vroegere werkgever zijn
daarbij niet meer relevant.
De Raad stelt vast dat, gelet op de medische rapporten en brieven en de
eigen verklaring van appellant ter zitting van de Raad, op de datum in
geding de diabetes van appellant geen reden vormde om hem voor zijn
arbeid ongeschikt te achten. De Raad is van oordeel dat de
verzekeringsartsen Jagt en Tjen een zorgvuldig onderzoek hebben
ingesteld naar de aard, de symptomen en de behandeling van de
hartklachten van appellant. Zij hebben daarbij inlichtingen verkregen
van de cardioloog al-Windy, die appellant ten tijde in geding
behandelde. Op grond van de gegevens over de cardiale klachten van
appellant hebben zij geoordeeld dat appellant ten tijde van de datum in
geding voor zijn functie van heftruckchauffeur niet ongeschikt was te
achten. De Raad ziet in de beschikbare medische gegevens geen reden dit
oordeel onjuist te achten.
De Raad ziet ook overigens in de beschikbare medische gegevens,
waaronder gegevens welke betrekking hebben op de ontwikkeling van de
gezondheid van appellant in 2003 en 2004, geen reden het medisch oordeel
van de verzekeringsartsen omtrent de geschiktheid van appellant voor
zijn arbeid op en na 12 juli 2002, onjuist te achten.
Het hiervoor overwogene leidt tot de bevestiging van de aangevallen
uitspraak.
De Raad ziet geen termen voor toepassing van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde
Kalter en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr.
J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30
maart 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|