|
Uitspraak
ZW 03/3714, WAO 03/3715 en ZW 04/373
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het
Lisv.
Namens appellant heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te ’s-Gravenhage,
op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Gravenhage op 28 mei 2003
tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nr. AWB 02/788 en AWB 02/1391 ZW),
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. Van Es, voornoemd, heeft eveneens op bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden namens appellant beroep ingesteld tegen een door de
rechtbank ’s-Gravenhage op 8 december 2003 tussen partijen gegeven
uitspraak (reg.nr. AWB 03/1960 ZW), waarnaar hierbij wordt verwezen.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 9 maart 2005, waar
voor appellant is verschenen mr. J.P.C. van Es en waar namens gedaagde
is verschenen mr. J.J. Grasmeijer, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als verhuizer in een
arbeidspatroon van gemiddeld 41,9 uur per week. Vanuit een situatie
waarin hij uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) ontving, meldde
hij zich op 24 januari 2000 ziek met longklachten. Hij ontving over de
maximale termijn uitkering van ziekengeld en bij besluit van 17 januari
2001 weigerde gedaagde appellant na het bereiken van de wachttijd van 52
weken op 21 januari 2001 een uitkering krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat de mate van
arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen.
In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts M. Keus blijkens zijn
rapport van 18 mei 2001 na dossierstudie en het bijwonen van de
hoorzitting op 4 mei 2001, het door de primaire verzekeringsarts
opgestelde belastbaarheidsprofiel op een aantal aspecten bijgesteld,
omdat naar de mening van Keus onvoldoende rekening was gehouden met
geobjectiveerde pulmonale beperkingen. Keus was verder van mening dat
bij het opstellen van het belastbaarheidspatroon in voldoende mate
rekening is gehouden met de nek- en rugklachten. Nader arbeidskundig
onderzoek door de bezwaararbeidsdeskundige J. Noordermeer leidde ertoe
dat van de oorspronkelijk aan de schatting ten grondslag gelegde
functies, slechts de functie van assembleerder auto-onderdelen (fb-code
8462) overbleef. Noordermeer heeft naast deze functie meerdere nieuwe
functies geselecteerd, waaronder de functies van samensteller electro (fb-code
8539) en bankbediende (fb-code 3396). Het mediaanloon van deze functies,
rekening houdend met de laagste reductiefactor van deze functies,
afgezet tegen het voor appellant geldende maatmaninkomen, leverde
vervolgens een verlies aan verdienvermogen op van 26,4%.
Dienovereenkomstig verklaarde gedaagde het bezwaar van appellant bij
besluit van 5 maart 2002 (bestreden besluit 1) gegrond, onder toekenning
van een WAO-uitkering met ingang van 22 januari 2001 naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 25-35%.
Inmiddels had Mr. Van Es, voornoemd, op 28 februari 2002 bij de
rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op
het bezwaar van appellant. Dit beroep heeft de rechtbank geacht mede te
zijn gericht tegen bestreden besluit 1.
Appellant heeft zich op 10 mei 2001 wederom ziek gemeld. In het kader
van deze ziekmelding heeft appellant op 17 juli 2001 het spreekuur
bezocht van de verzekeringsarts E.N. Ali en op 9 augustus 2001 het
spreekuur van verzekeringsarts J.G. Stepinsky-Czyz. Aan het eind van
laatstvermeld spreekuur heeft Stepinsky appellant een op diezelfde dag
gedateerd besluit uitgereikt, waarbij ziekengeld met ingang van 10 mei
2001 wordt geweigerd, omdat er geen sprake zou zijn van ongeschiktheid
tot het verrichten van zijn arbeid.
Het bezwaar tegen deze beslissing heeft gedaagde bij besluit van 5 maart
2002 (bestreden besluit 2) kennelijk ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich op 11 juli 2002 ziek gemeld. Hij heeft op 5 augustus
2002 het spreekuur van de verzekeringsarts bezocht, die hem op dat
moment niet meer ongeschikt achtte tot het verrichten van zijn arbeid.
Dit standpunt is neergelegd in een beslissing van 5 augustus 2002,
waarbij ziekengeld met ingang van laatstgenoemde datum wordt geweigerd.
De behandeling van het bezwaar heeft bestaan uit een dossieronderzoek
door bezwaarverzekeringsarts M. Keus, die blijkens zijn rapport van 21
maart 2003 het door de primaire verzekeringsarts ingenomen standpunt kon
onderschrijven.
Bij besluit van 27 maart 2003 (bestreden besluit 3) heeft gedaagde het
bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft de beroepen tegen bestreden besluiten 1, 2 en 3
ongegrond verklaard.
Appellant kan zich met de uitspraken van de rechtbank niet verenigen en
betwist in de eerste plaats de medische grondslag van de bestreden
besluiten. Appellant is van mening meer beperkt te zijn dan gedaagde
aanneemt en heeft daarvoor verwezen naar een verklaring van het Rode
Kruis Ziekenhuis te ’s-Gravenhage en naar een verklaring van zijn
behandelend cardioloog P. van Pol. Verder stelt appellant zich op het
standpunt dat hij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies
niet kan verrichten vanwege zijn medische beperkingen, dat er functies
zijn “bijgeduid” van een geheel andere aard dan de functies die in
eerste instantie aan hem zijn voorgehouden, dat de “bijgeduide”
functies niet met hem zijn besproken, en dat hij niet beschikt over de
kwalificatie die in sommige functies is vereist. Tenslotte heeft
appellant aangevoerd dat de rechtbank zijn beroep voorzover gericht
tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar ten onrechte niet
gegrond heeft verklaard en dat gedaagde in de bezwaarprocedures die
hebben geleid tot de bestreden besluiten 2 en 3 ten onrechte toepassing
heeft gegeven aan artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb).
De Raad overweegt als volgt.
Bestreden besluit 1
De Raad overweegt allereerst dat gedaagde bij het nemen van bestreden
besluit 1 in strijd heeft gehandeld met de daarvoor geldende
beslistermijn. De rechtbank had het beroep van appellant gericht tegen
het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaarschrift van 10 februari
2001 dan ook gegrond moeten verklaren. Nu de rechtbank dat heeft
nagelaten zal de Raad doen wat de rechtbank had behoren te doen en het
beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar gegrond
verklaren. In zoverre slaagt het hoger beroep.
Het standpunt dat appellant in hoger beroep inneemt ten aanzien van de
medische beperkingen en de functies komt volledig overeen met het
standpunt dat hij in beroep heeft ingenomen. Hij heeft geen nieuwe
objectieve medische gegevens in het geding gebracht en zijn standpunt
niet met nieuwe argumenten verdedigd. De Raad kan zich volledig vinden
in de overwegingen van de rechtbank dat en waarom uitgegaan moet worden
van de juistheid van de medische grondslag van bestreden besluit 1, dat
de functies qua belasting vallen binnen de belastbaarheid van appellant,
en dat voorzover sprake is van mogelijke overschrijdingen van de
belastbaarheid afdoende is uiteen gezet dat daarvan in het geval van
appellant geen sprake is. Evenals de rechtbank wijst de Raad op zijn
vaste jurisprudentie dat bij een schatting bij einde wachttijd nieuwe
functies kunnen worden geselecteerd en dat niveaueisen niet als strikte
diploma-eisen moeten worden opgevat. Appellant voldoet, gezien zijn
opleidings- en arbeidsniveau, wel aan de niveaueisen van de aan de
schatting ten grondslag gelegde functies. Het mediaanloon van de drie
hoogst verlonende functies, rekening houden met de laagste
reductiefactor van die functies, afgezet tegen het maatmaninkomen laat
vervolgens een verlies aan verdiencapaciteit zien van 26,4%. Gedaagde
heeft aan appellant dan ook op goede gronden met ingang van 22 januari
2001 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid
van 25-35%. De aangevallen uitspraak voorzover betrekking hebbend op
bestreden besluit 1 komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
Bestreden besluit 2
Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat is afgezien van het
horen van appellant, omdat in dit geval volgens gedaagde geen nader
onderzoek nodig was. Appellant is op 4 mei 2001 gezien door de
bezwaarverzekeringsarts Keus in het kader van het bezwaar in de WAO-zaak
en hij is op 17 juli 2001 gezien door de verzekeringsarts, die zijn
bevindingen heeft voorgelegd en laten toetsen door de
stafverzekeringsarts en door de bezwaarverzekeringsarts Keus. Onder deze
omstandigheden is het volgens gedaagde niet aannemelijk dat appellant
tijdens de hoorzitting met nieuwe feiten zou komen.
De Raad kan gedaagde in deze stellingname niet volgen. De Raad stelt
voorop dat het in artikel 7:2 van de Awb voorziene recht van een
belanghebbende om te worden gehoord alvorens een bestuursorgaan op het
bezwaar beslist, naar ook uit de geschiedenis van de totstandkoming van
die bepaling blijkt, een essentieel onderdeel van de
bezwaarschriftprocedure vormt. In artikel 7:3 van de Awb zijn de
voorwaarden opgenomen waaronder, in afwijking van de in artikel 7:2
neergelegde hoofdregel, van het horen kan worden afgezien.
De Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval aan geen van de
voorwaarden genoemd in artikel 7:3 van de Awb is voldaan. De door
gedaagde geschetste omstandigheden zijn naar het oordeel van de Raad met
name onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een kennelijk
ongegrond bezwaar.
In overeenstemming met het daartoe strekkende verzoek van appellants
gemachtigde zal de Raad bestreden besluit 2, onder gegrondverklaring van
het daartegen ingestelde beroep, wegens schending van de in artikel 7:2
van de Awb vervatte hoorplicht vernietigen.
De Raad ziet evenwel tevens aanleiding om over te gaan tot een
beoordeling van het bestreden besluit ten gronde. Daarbij neemt de Raad
in aanmerking dat alle voor zodanige beoordeling noodzakelijke gegevens
voorhanden zijn en ook uit het namens appellant ingediende beroepschrift
- impliciet - kan worden afgeleid dat appellant ter zake een eindoordeel
van de Raad wenst.
De Raad is van oordeel dat appellants inhoudelijke (medische) grieven
tegen bestreden besluit 2 niet slagen. De Raad verenigt zich met
betrekking tot dit onderdeel van het beroep eveneens met het standpunt
van de rechtbank dat in het dossier onvoldoende aanknopingspunten te
vinden zijn voor de stelling van appellant dat zijn gezondheid op en na
10 mei 2001 achteruit is gegaan ten opzichte van zijn gezondheid ten
tijde van de WAO-beoordeling. Appellant heeft in hoger beroep zijn
standpunt dat hij niet in staat was tenminste één van de aan de
schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen niet onderbouwd
door middel van objectieve medische gegevens. Integendeel, tijdens de
zitting is zelfs het standpunt ingenomen dat per 10 mei 2001 de klachten
in principe toegenomen zouden kunnen zijn. Daarmee geeft appellant naar
het oordeel van de Raad impliciet aan dat niet met zekerheid kan worden
gesteld dat dit het geval is. Hoewel appellant dit standpunt heeft
ingenomen ter verduidelijking van zijn stellingname dat gedaagde
onvoldoende onderzoek heeft verricht, kan daaraan niet voorbij worden
gegaan.
Van de aan de schatting per 22 januari 2001 ten grondslag liggende
functies, die als de maatstaf voor zijn arbeid in aanmerking moeten
worden genomen, moet worden gezegd dat appellant voor tenminste één
functie niet ongeschikt is.
Hieruit vloeit voort dat er aanleiding is om, met toepassing van artikel
8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het te vernietigen
bestreden besluit 2 geheel in stand te laten.
Bestreden besluit 3
Gedaagde heeft zich in dit verband eveneens op het standpunt gesteld dat
het horen van appellant niet noodzakelijk was omdat het allesbehalve
aannemelijk was dat appellant met nieuwe feiten zou komen. Het betreft
hier volgens gedaagde een duidelijke zaak, mede gelet op het feit dat de
datum met ingang waarvan ziekengeld is geweigerd, de datum is waarop
appellant aan het werk is gegaan.
Onder verwijzing naar hetgeen de Raad onder het kopje ‘Bestreden
besluit 2’ heeft overwogen met betrekking tot de hoorplicht, stelt de
Raad vast dat ook in dit geval niet is voldaan aan een van de
uitzonderingsgronden genoemd in artikel 7:3 van de Awb. Bestreden
besluit 3 komt eveneens voor vernietiging in aanmerking en de Raad ziet
aanleiding om ook bestreden besluit 3 ten gronde te beoordelen.
De Raad is van oordeel dat appellants inhoudelijke (medische) grieven
tegen bestreden besluit 3 eveneens niet slagen. Blijkens het afschrift
van de medische kaart heeft de verzekeringsarts die appellant op 5
augustus 2002 heeft gezien, kennis genomen van de verklaring van het
Rode Kruis Ziekenhuis te ’s-Gravenhage en van de verklaring van de
appellants behandelend longarts R.N. van Rossem. Met inachtneming van
deze gegevens heeft de verzekeringsarts het standpunt ingenomen dat op
11 juli 2002 sprake is geweest van een toename van de longklachten, maar
dat per 5 augustus 2002 de klachten weer hetzelfde waren als voor 11
juli 2002. De bezwaarverzekeringsarts Keus heeft blijkens zijn rapport
van 21 maart 2003 kennis genomen van de verklaring van de appellants
behandelend cardioloog Van Pol en overwogen dat deze informatie geen
aanleiding hoefde te geven voor wijziging van het belastbaarheidspatroon,
omdat daarin al duidelijke beperkingen waren aangenomen ten aanzien van
de fysieke belastbaarheid. Volgens Keus heeft de primaire
verzekeringsarts appellant terecht hersteld verklaard voor de geduide
functies, waarin al rekening is gehouden met een beperkte energetische
belastbaarheid.
De Raad stelt vast dat de verzekeringsartsen rekening hebben gehouden
met alle medische informatie die over appellant beschikbaar was en dat
overigens niet kan worden gezegd dat de beoordeling op onzorgvuldige
wijze heeft plaatsgevonden.
Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt dat hij de voor hem in
het kader van de WAO geselecteerde functies niet kan verrichten niet
onderbouwd met nadere objectieve medische gegevens, zodat de Raad het
standpunt van gedaagde dat appellant op en na 5 augustus 2002 niet
ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, mede gelet op de
hiervoor weergegeven overwegingen, voor juist aanneemt.
Hieruit vloeit voort dat er aanleiding is om, met toepassing van artikel
8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het te vernietigen
bestreden besluit 3 geheel in stand te laten.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1046,50 voor verleende
rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 966,- voor verleende
rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2012,50.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraken, behoudens voorzover het beroep
tegen bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard;
Verklaart de beroepen tegen de fictieve weigering en bestreden besluiten
2 en 3 gegrond en vernietigt die besluiten;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten 2
en 3 geheel in stand blijven;
Bevestigt de aangevallen uitspraak in de zaak met reg.nr. AWB 02/788 WAO
en AWB 02/1391 ZW, voorzover daarbij het beroep tegen bestreden besluit
1 ongegrond is verklaard;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag
groot € 2012,50 te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde griffierecht van € 263,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.C. Bruning
en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J.
Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|