|
Uitspraak
03/3500 ZW en 03/3501 WAO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het
Lisv.
Namens appellante heeft mr. D.S.C. Hes, advocaat te s-Gravenhage, op
bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een
op 12 juni 2003 door de rechtsbank s-Gravenhage tussen partijen
gegeven uitspraak (reg.nrs. AWB 02/4250 WAO en AWB 02/4992 ZW), waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appelante heeft bij brief van 17 februari 2005 stukken in het geding
gebracht en bij brief van 24 februari 2005 het beroepschrift nader
toegelicht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 9 maart 2005, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. D.S.C. Hes,
voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen mr. J.H. Meijs,
werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante is laatstelijk tot 1 augustus 1999 werkzaam geweest als
planner/administratief medewerkster bij een detacheringsbedrijf voor
asbestsanering. Vanuit een situatie waarin zij uitkering krachtens de
Werkloosheidswet (WW) ontving meldde zij zich op 8 november 1999 ziek in
verband met toegenomen klachten als gevolg van de ziekte van Crohn. Zij
ontving over de maximale termijn uitkering van ziekengeld en aansluitend
kende gedaagde haar met ingang van 6 november 2000 een uitkering
krachtens de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
In het kader van een eerstejaarsherbeoordeling is appellante onderzocht
door de verzekeringsarts W.F. Groen, die blijkens zijn rapport van 28
december 2001 een belastbaarheidsprofiel heeft opgesteld, rekening
houdend met beperkingen in het energetische vlak en in het mentale vlak
met betrekking tot stresserende factoren. Tevens dienen er volgens Groen
in een werksituatie goede sanitaire voorzieningen aanwezig te zijn.
De arbeidsdeskundige K. Kiebert is blijkens zijn rapport van 15 februari
2002 tot de conclusie gekomen dat er geen sprake meer is van loonverlies
in de zin van de WAO, omdat appellante weer in staat zou zijn haar
maatgevende functie te verrichten.
Gedaagde heeft dienovereenkomstig bij besluit van 20 februari 2002 de
WAO-uitkering met ingang van 20 april 2002 ingetrokken. Tegen dit
besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Tevens heeft zij zich met
ingang van 22 april 2002 ziek gemeld.
In bezwaar is appellante onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts E.M.J.
Schoonderwoerd, die concludeerde dat in de bezwaarprocedure geen
aanwijzingen naar voren zijn gekomen voor het bestaan van andere
afwijkingen dan in de primaire beoordeling zijn onderkend en meegewogen.
De bezwaararbeidsdeskundige W.G.E. Buskermolen heeft de conclusie van
Kiebert onderschreven dat appellante weer geschikt is voor haar
maatmanfunctie.
Bij besluit van 8 oktober 2002 (bestreden besluit 1) heeft gedaagde het
bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Naar aanleiding van de ziekmelding per 22 april 2002 is appellante op 9
oktober 2002 onderzocht door de verzekeringsarts C. de Lange, die na
overleg met de verzekeringsartsen L. Wijnrood en Groen tot de conclusie
is gekomen dat er geen toename was van de beperkingen en dat appellante
niet ongeschikt tot het verrichten van haar arbeid was.
Bij besluit van eveneens 9 oktober 2002 weigerde gedaagde appellante met
ingang van 22 april 2002 ziekengeld te verstrekken. Na onderzoek door de
bezwaarverzekeringsarts H. de Gruil verklaarde gedaagde het bezwaar van
appellante bij besluit van 11 november 2002 (bestreden besluit 2) ongegrond.
De rechtbank die zich wel kon verenigen met de medische grondslag van
bestreden besluit 1 heeft het beroep in de WAO-zaak gegrond verklaard en
bestreden besluit 1 vernietigd omdat gedaagde niet heeft onderzocht of
arbeid met eenzelfde belasting en beloning als de arbeid die appellante
voorheen verrichtte, bij andere werkgevers voorhanden was op de datum in
geding. Met name heeft gedaagde volgens de rechtbank ten onrechte niet
onderzocht of specifieke omstandigheden zoals die voorkwamen in de oude
functie van gedaagde ook aanwezig waren bij hetzelfde of soortgelijk
werk bij andere werkgevers.
Het beroep tegen bestreden besluit 2 heeft de rechtbank ongegrond
verklaard. Tot deze conclusie is de rechtbank gekomen op grond van de
volgende overwegingen.
"De rechtbank stelt vast dat het geschil omtrent de
weigering van ziekengeld betrekking heeft op (nagenoeg) dezelfde datum
in geding als het geschil inzake de weigering van de WAO-uitkering.
Zoals hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel dat verweerder in
het kader van de WAO-procedure de medische beperkingen van eisers op de
datum in geding niet onjuist heeft vastgesteld. Wel zal verweerder het
arbeidskundig onderzoek opnieuw moeten uitvoeren.
Indien de uitkomst van dat onderzoek verweerder tot het oordeel brengt
dat eiseres op de datum in geding geschikt is voor de maatgevende
arbeid, staat daarmee ook vast dat zij per die datum geen recht heeft op
een ZW-uitkering.
Indien de uitkomst van het arbeidskundig onderzoek verweerder tot het
oordeel brengt dat eisers niet geschikt is voor de maatgevende arbeid,
zal op basis van geselecteerde functies het verlies aan
verdiencapaciteit en de mate van arbeidsongeschiktheid worden
vastgesteld. Die geselecteerde functies gelden tevens als maatstaf in
het kader van de ZW, zodat ook in dat geval eiseres op de datum in
geding geen recht heeft op ziekengeld.
Dit betekent dat verweerder terecht heeft geweigerd aan eisers op en na
22 april 2002 een ZW-uitkering toe te kennen."
Gedaagde heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak en ten
tijde van de behandeling van het hoger beroep nog geen uitvoering
gegeven aan de uitspraak. Blijkens het bij het verweerschrift gevoegde
rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Buskermolen van 15 juli 2003
heeft deze een nader onderzoek verricht, waaruit hij de conclusie heeft
getrokken dat de maatmanfunctie met vergelijkbare belasting en beloning
ook elders op de arbeidsmarkt aanwezig is.
In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat zij op de
data in geding niet in staat was haar maatmanfunctie te verrichten. Ter
ondersteuning van dit standpunt heeft zij een brief van haar huisarts
G.A.E. Nering Bφgel van 26 juni 2003 in geding gebracht.
Ter zitting hebben beide partijen expliciet gevraagd om een oordeel van
de Raad over de vraag of de in hoger beroep door gedaagde ingezonden
stukken een voldoende basis bieden voor het andermaal handhaven van het
standpunt van gedaagde dat appellante op de data in geding geschikt is
te achten voor haar maatmanfunctie.
De Raad overweegt als volgt.
Ten aanzien van bestreden besluit 1 (zaak met reg.nr. 02/4250 WAO)
De Raad is van oordeel dat bestreden besluit 1 op een juiste medische
grondslag berust. De gevalsbehandeling door de verzekeringsarts en de
bezwaarverzekeringsarts is voldoende zorgvuldig geweest en met de
rechtbank is de Raad van oordeel dat bij het daarnaast ontbreken van
objectieve medische gegevens niet getwijfeld hoeft te worden aan het
standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts. In hoger beroep heeft
appellante een brief van haar huisarts Nering Bφgel van 26 juni 2003 in
het geding gebracht. In een reactie op deze brief heeft de
bezwaarverzekeringsarts L.Th. Schonagen naar voren gebracht dat
appellante al sinds 1995 lijdende is aan een chronische, het dagelijks
leven belastende aandoening. Hij onderschrijft de ernst en de
consequenties van de ziekte, maar acht het reλel dat appellante, zoals
de huisarts meldt zich tientallen malen moet wassen na ontlasting en
zich in een werksituatie meerdere keren per uur moet wassen en zo nodig
moet verschonen. Gelet op de defaecatiefrequentie zoals die blijkt uit
het journaal van de huisarts en ook is aangegeven door de internist,
gaat het volgens Schonagen om een frequentie van een keer per een tot
twee uur. Voor de werksituatie betekent dit een meer dan normale
belasting, maar geen belasting die onverenigbaar is met een
werksituatie. De Raad kan zich met het standpunt van Schonagen verenigen
en is van oordeel dat gedaagde de voor appellante geldende beperkingen
op juiste wijze heeft vastgesteld.
Zoals de Raad hiervoor heeft weergegeven heeft gedaagde een nader
onderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport
van Buskermolen van 15 juli 2003. De Raad is van oordeel dat de inhoud
van dit rapport onvoldoende is om het standpunt te kunnen rechtvaardigen
dat vergelijkbare arbeid op de datum in geding voorkomt, alleen al niet
omdat elk gegeven met betrekking tot de beloning in de twee gevonden
functies ontbreekt.
De aangevallen uitspraak in de zaak met reg.nr. 02/4250 WAO, voorzover
aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.
Ten aanzien van bestreden besluit 2 (zaak met reg.nr. 02/4992 ZW)
In het hiervoor aangehaalde gedeelte van de aangevallen uitspraak heeft
de rechtbank aangegeven dat het vernietigen van bestreden besluit 1 in
feite geen consequenties hoeft te hebben voor de beoordeling van de
aanspraak op ziekengeld. De Raad kan zich in deze overwegingen niet
vinden. Met de vernietiging van bestreden besluit 1 is onzeker geworden
wat de maatstaf van appellantes arbeid in de zin van de Ziektewet is.
Afhankelijk van de uitkomst in de WAO-zaak zal de aanspraak van
appellante op ziekengeld per 22 april 2002 beoordeeld moeten worden. Dit
betekent dat het hoger beroep in zoverre slaagt en dat de aangevallen
uitspraak in de zaak met reg.nr. 02/4992 ZW voor vernietiging in
aanmerking komt.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten
worden begroot op 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste
aanleg en op 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in
totaal 966,-.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover het beroep in de zaak met
reg.nr. 02/4992 ZW ongegrond is verklaard;
Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond en vernietigt dat
besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg
en in hoger beroep tot een bedrag groot 966,-, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de
Raad;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van
106,- vergoedt.
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.C. Bruning
en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J.
Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|