|
Uitspraak
03/747 ZW en 04/4442 WAO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Bij brief van 6 juni 2002 is appellante vanwege gedaagde in kennis
gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: bestreden
besluit I) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).
Bij brief van 29 december 2003 is appellante vanwege gedaagde in kennis
gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: bestreden
besluit II) ter uitvoering van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
De rechtbank s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 5 februari 2003
(AWB 02/2610 ZW) en bij uitspraak van 16 juli 2004 (AWB 04/344 WAO) het
beroep tegen bestreden besluit I respectievelijk bestreden besluit II
ongegrond verklaard.
Appellante is van die uitspraken in hoger beroep gekomen en heeft bij
verschillende brieven de gronden van het hoger beroep nader aangevuld.
Gedaagde heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad van 9 maart
2005, waar appellante in persoon is verschenen, en waar gedaagde,
daartoe ambtshalve opgeroepen, zich heeft doen vertegenwoordigen door
mr. J.H. Meijs, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Inzake het geding 03/747 ZW
Appellante, die tot 1 november 2001 als communicatieadviseur werkzaam
is geweest bij [werkgeefster], is op 27 juli 2001 na een arbeidsconflict
ongeschikt geworden tot het verrichten van haar arbeid. Terzake van dit
ziektegeval heeft appellante verschillende keren het spreekuur bezocht
van een verzekeringsarts. Blijkens het afschrift van de medische kaart
was sprake van spanningsklachten en chronische middenoorontsteking. Op
het spreekuur van 22 april 2002 heeft de verzekeringsarts bij onderzoek
vastgesteld dat er geen aanwijzingen meer waren voor een oorontsteking.
Appellante maakte verder geen sombere indruk en werd per 23 april 2002
hersteld verklaard
Bij besluit van 22 april 2002 is aan appellante dienovereenkomstig met
ingang van 23 april 2002 geen ziekengeld meer toegekend.
In de bezwaarfase heeft bezwaarverzekeringsarts E.M.J. Schoonderwoerd op
5 juni 2002 een rapport opgesteld, waarin onder verwijzing naar de
verschillende spreekuurverslagen op de medische kaart is geconcludeerd
dat de primaire verzekeringsarts de oorklachten na onderzoek niet heeft
kunnen objectiveren. De bezwaarverzekeringsarts achtte de klachten van
appellante verder niet verklaarbaar, toetsbaar en reproduceerbaar
volgens de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium en zag ook
in de spanningsklachten geen reden voor appellante om haar werk niet te
kunnen verrichten.
Bij bestreden besluit I is het bezwaar van appellante tegen het besluit
van 22 april 2002 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich met dit besluit niet kunnen verenigen en in eerste
aanleg onder meer een beroep gedaan op een brief van 9 januari 2003 van
A.J.M. Brons, sportarts te Zoetermeer. Deze maakte onder meer melding
van een afwijkend bewegingspatroon van de onderkaak van appellante.
De rechtbank heeft voor haar oordeelsvorming met name betekenis
toegekend aan de bevindingen van de betrokken verzekeringsartsen en in
voormelde brief geen aanleiding gezien aan hun oordeel te twijfelen.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft
de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.Uit vorenbedoeld afschrift
van de medische kaart blijkt genoegzaam dat bij het laatstelijk op 22
april 2002 door een verzekeringsarts verrichte onderzoek bij appellante
in fysiek en psychisch opzicht geen relevante afwijkingen zijn gevonden.
Voor wat betreft de aan voormelde brief van sportarts Brons toe te
kennen betekenis, verwijst de Raad naar een commentaar van 24 januari
2003 van bezwaarverzekeringsarts L.Th. Schonagen. Deze heeft opgemerkt
dat in die brief slechts een actief, door appellante te beοnvloeden,
gedrag wordt beschreven en niet een anatomische afwijking. In hoger
beroep heeft appellante nog een verklaring d.d. 22 december 2004 van
GGZ-Buitenamstel te Amsterdam overgelegd. De Raad acht echter niet
aannemelijk dat het daarin vermelde, kennelijk eerst toen vastgestelde,
ziektebeeld (paniekstoornis met agorafobie en mogelijk een gemaskeerde
depressie) ten tijde in geding reeds een rol van betekenis speelde.
Hetgeen appellante verder in hoger beroep zonder nadere medische
onderbouwing heeft aangevoerd, vormt geen reden voor een andersluidend
oordeel.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak in dit geding
dient te worden bevestigd.
Inzake het geding 04/4442 WAO
Appellante heeft op 16 juli 2002 bij gedaagde een aanvraag om uitkering
ingevolge de WAO ingediend terzake van de op 27 juli 2001 ingetreden
arbeidsongeschiktheid.
Naar aanleiding hiervan is appellante verschillende keren opgeroepen om
voor onderzoek te verschijnen op het spreekuur van een verzekeringsarts.
Zij is daar telkenmale niet verschenen en heeft daarvoor steeds als
reden opgegeven dat zij daartoe wegens ziekte niet in staat was.
Bij brief van 8 januari 2003 is appellante vanwege gedaagde in kennis
gesteld van het besluit, waarbij op grond van artikel 4:5, eerste en
vierde lid van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb) is besloten de
aanvraag om een uitkering ingevolge de WAO verder niet in behandeling te
nemen, omdat er geen medische beoordeling kon plaatsvinden.
Het bezwaar van appellante tegen voormeld besluit is bij bestreden
besluit II ongegrond verklaard.
De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat dit besluit niet in
stand kan blijven.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 14 december
2001, JSV 2001/113) geeft artikel 4:5 van de Awb aan een bestuursorgaan
de bevoegdheid een aanvraag niet in behandeling te nemen als deze
onvolledig is of de gegevensverstrekking door de aanvrager onvoldoende
is geweest. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming ziet genoemd
artikel op gebreken in de aanvraag die naar hun aard herstelbaar zijn.
Naar het oordeel van de Raad is genoemde bepaling niet van toepassing in
een geval als het onderhavige waarin aan de aanvraag geen gebreken
kleven als hiervoor bedoeld, maar de aanvrager zich niet onderwerpt aan
door gedaagde nodig geacht medisch onderzoek. De Raad wijst erop dat
gedaagde in voorkomende gevallen met toepassing van artikel 25 van de
WAO de mogelijkheid heeft gevolgen te verbinden aan de omstandigheid dat
een verzekerde niet voor onderzoek(en) verschijnt.
Het vorenstaande betekent dat het bestreden besluit wegens strijd met
artikel 4:5 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.
Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting overweegt de Raad verder
nog het volgende.
Voorzover toepassing van artikel 25 van de WAO geen uitkomst zou bieden,
omdat - zoals gedaagdes gemachtigde ter zitting heeft verklaard - het Maatregelenbesluit Tica in een geval als het onderhavige de hoogte
en de duur van een maatregel vaststelt op 10% gedurende 8 weken, en
mitsdien een volledige weigering van uitkering niet mogelijk maakt,
wijst de Raad erop dat niets eraan in de weg stond om op basis van de
beschikbare medische gegevens te beslissen dat aan het einde van de
zogeheten wachttijd van 52 weken geen arbeidsongeschiktheid is komen
vast te staan, zodat op die grond geen recht bestaat op uitkering
ingevolge de WAO. Nu appellante per 23 april 2002 niet langer ongeschikt
werd geacht voor haar werk, bestond er alleszins aanleiding voor een
dergelijk besluit.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak in dit geding en
bestreden besluit II moeten worden vernietigd
Van voor vergoeding in aanmerking te nemen proceskosten is de Raad niet
gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak in geding 03/747 ZW;
Vernietigt de aangevallen uitspraak in geding 04/4442 WAO;
Verklaart het beroep tegen bestreden besluit II gegrond en vernietigt
dit besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar neemt in het
geding 04/4442 WAO;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het in het geding 04/4442 WAO betaalde recht van 102,-
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.C. Bruning
en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J.
Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|