|
Uitspraak
03/3861 ZW en 03/3862 WAO
U I T S P R A A K
In de gedingen tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het
Lisv.
Bij brief van 15 mei 2002 heeft appellant gedaagde in kennis gesteld van
een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) (besluit 1).
Bij brief van 15 mei 2002 heeft appellant gedaagde in kennis gesteld van
een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Ziektewet
(besluit 2).
De rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 18 juni 2003 (AWB 02/569
WAO; uitspraak 1) het beroep tegen besluit 1 en bij uitspraak van
eveneens 18 juni 2003 (AWB 02/568 ZW; uitspraak 2) het beroep tegen
besluit 2 gegrond verklaard en bij deze uitspraken onderscheidenlijk de
besluiten 1 en 2 vernietigd met beslissing omtrent proceskosten en
griffierecht.
Appellant heeft op in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden
tegen deze uitspraken hoger beroep ingesteld.
Namens gedaagde heeft L. Hibma te Leens een verweerschrift ingediend en
nadien brieven van 17 en 24 januari 2005 ingezonden.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad van 3 maart 2005,
waar appellant, daartoe ambtshalve opgeroepen, zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. S.T. Dieters, werkzaam bij het Uwv, en waar
gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door L. Hibma, voornoemd.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft op 24 maart 1997 wegens medische klachten zijn toenmalige
arbeid als lasser definitief gestaakt. Na het verstrijken van de in
artikel 19 van de WAO gestelde wachttijd van 52 weken is aan hem met
ingang van 24 september 1997 een WAO-uitkering toegekend naar de
arbeidsongeschiktheidsklasse van 80-100%. Bij medisch onderzoek door de
verzekeringsarts is vastgesteld dat gedaagde beperkingen heeft in
verband met huid-, pols- en nekklachten. De arbeidsdeskundige
rapporteert dat gedaagde wegens zijn beperkingen ongeschikt is voor de
maatmanfunctie van lasser. Gelet op de resterende verdiencapaciteit in
geselecteerde functies is het verdienverlies evenwel minder dan 15%. De
WAO-uitkering is met ingang van 6 juli 1998 daarom ingetrokken.
Gedaagde is vervolgens op 8 maart 1999 werkzaamheden gaan verrichten als
afwashulp.
Hij heeft zich voor deze arbeid ziek gemeld op 10 november 1999. Met
ingang van 28 februari 2000 heeft hij deze arbeid definitief gestaakt.
Vanwege appellant is in verband daarmee een onderzoek ingesteld naar de
toepassing van artikel 43a van de WAO. In verzekeringsgeneeskundig
onderzoek is vastgesteld dat sprake is van toename van beperkingen uit
dezelfde oorzaak als aangegeven bij de WAO-schatting per 6 juli 1998. De
verzekeringsarts heeft de toegenomen beperkingen vastgelegd in een
belastbaarheidspatroon. In arbeidskundig onderzoek is berekend dat,
gelet op de verdiencapaciteit in geselecteerde functies, het
verdienverlies na het verstrijken van de in artikel 43a van de WAO
gestelde wachttijd van 4 weken - per 7 december 1999 - minder dan 15%
bedraagt.
Bij besluit van 14 november 2000 is meegedeeld dat op grond van artikel
43a WAO per 7 december 1999 geen WAO-uitkering wordt toegekend.
Appellant heeft tevens onderzocht of gedaagde - gelet op de artikelen 18
en 19 van de WAO - na het verstrijken van de in artikel 19 WAO vermelde
wachttijd van 52 weken na het intreden van de arbeidsongeschiktheid in
aanmerking kon komen voor een WAO-uitkering. Het medisch en
arbeidskundig onderzoek ter zake heeft geresulteerd in de conclusie dat
de mate van arbeidsongeschiktheid ook na het verstrijken van deze
wachttijd per 8 november 2000 minder dan 15% bedroeg.
Bij besluit van 10 november 2000 is dienovereenkomstig mededeling gedaan
van de weigering op grond van de artikelen 18 en 19 van WAO-uitkering
per 8 november 2000.
In het kader van de bezwaarprocedure tegen de besluiten van 14 en 10
november 2000 is de belastbaarheid van gedaagde nader bezien. Daarbij is
het advies betrokken van de revalidatiearts A. Coster van 11 mei 2000.
Deze arts concludeert - na anamnese, onderzoek en aanvullend onderzoek -
dat bij gedaagde sprake is van polyarthralgieën c.q. polymyalgieën
e.c.i.
Tevens heeft de psycholoog M.M. Smit in deze procedure van advies
gediend. Smit rapporteert op 14 augustus 2000 naar aanleiding van
psychologisch onderzoek van gedaagde op 6 en 11 juli 2000 dat sprake is
van een posttraumatische stressstoornis, een somatisatiestoornis
alsmede ernstige depressieve en andere psychische klachten.
In het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is op grond van het
lichamelijk en psychisch onderzoek van gedaagde en de uitgebrachte
deskundigenrapporten nader vastgesteld dat sprake is van fibromyalgie,
status na overbelasting rechterpols, tendomyogene nek- en
schouderklachten, steekwond linker pols, overgevoeligheid UV-licht,
posttraumatische stressstoornis, somatisering, depressieve episode,
persoonlijkheidsstoornis en angststoornis.
Dienovereenkomstig is de belastbaarheid van gedaagde vastgelegd in het
formulier Functie-informatiesysteem va/ad (fis-formulier) d.d. 18
januari 2000 voor wat betreft de aspecten 1 tot en met 27 en d.d. 31 mei
2001 voor wat betreft aspect 28. De bezwaarverzekeringsarts heeft
blijkens het rapport van 10 september 2001 de aspecten 7 en 8 nog nader
beperkt geacht. Met betrekking tot het aspect 28, psychisch belastende
factoren, is op het fis-formulier vermeld dat gedaagde een beperkt
incasseringsvermogen heeft, overzichtelijk gestructureerd werk kan
verrichten met een duidelijke taakafbakening en taakomschrijving. Werken
onder tijdsdruk is niet voortdurend mogelijk. Verder is gedaagde beperkt
geacht met betrekking tot conflicterende functie-eisen en
conflicthantering.
De bezwaararbeidsdeskundige heeft op 6 maart 2001 gerapporteerd. Hij
stelt vast dat gedaagde als een medische "afzakker” dient te
worden aangemerkt. De maatmanfunctie is daarom de functie van lasser,
die gedaagde tot 24 maart 1997 heeft vervuld. In een brief van 22
januari 2002 wordt aan gedaagde meegedeeld dat in verband met de nader
vastgestelde belastbaarheid nieuwe functies zijn geselecteerd. Het
betreft onder meer de functies: metaalperser/bediende, zeefdrukker en
samensteller. Het verdienverlies in verband met de verdiencapaciteit in
deze functies is zowel na het verstrijken van de in artikel 43a WAO
gestelde wachttijd van 4 weken per 8 december 1999 als na het
verstrijken van de in artikel 19 WAO gestelde wachttijd van 52 weken per
8 november 2000 minder dan 15%.
Bij besluit op bezwaar van 28 maart 2002 is het bezwaar tegen de
besluiten van 14 en 10 november 2000 ongegrond verklaard. De rechtbank
heeft bij uitspraak van 18 juni 2003 het beroep tegen het besluit van 28
maart 2002 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger
beroep ingesteld. Het besluit van 28 maart 2002 heeft derhalve formele
rechtskracht.
Gedaagde heeft zich op 6 september 2001, terwijl hij een uitkering
ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld wegens griep,
spierpijn en spanningsklachten. De verzekeringsarts J.H.M. Peters heeft
blijkens zijn rapport van 3 januari 2002 de medische toestand van
gedaagde met het oog op het recht op WAO-uitkering onderzocht. Hij
vermeldt in de rapportage de medische voorgeschiedenis van gedaagde en
de bevindingen van de revalidatiearts Coster en de psycholoog Smit.
Peters heeft voorts de anamnese afgenomen. De verzekeringsarts heeft bij
lichamelijk en psychisch onderzoek van gedaagde geen wijzigingen
vastgesteld ten opzichte van de per 8 november 2000 vastgelegde
belastbaarheid. Hij concludeert dat de belastbaarheid van gedaagde
ongewijzigd is.
Bij besluit van 16 januari 2002 heeft appellant aan gedaagde meegedeeld
dat de mate van arbeidsongeschiktheid na het verstrijken van de in
artikel 43a van de WAO vermelde wachttijd van 4 weken - per 4 oktober
2001 - minder dan 15% is en dat geen WAO-uitkering wordt toegekend.
In het kader van de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts J.M.
van der Lugt een onderzoek ingesteld naar de medische toestand van
gedaagde. Zij heeft gedaagde zelf onderzocht na de hoorzitting op 27
februari 2002. Tevens heeft zij nadere medische gegevens van de huisarts
verkregen. Het betreft brieven en rapportages van de behandelende
neuroloog, internist, gastroenteroloog en revalidatiearts alsmede
rapportages van de behandelende psycholoog en psychotherapeut, verbonden
aan de GGZ te Groningen.
De bezwaarverzekeringsarts stelt vast dat bij haar eigen lichamelijk
onderzoek van gedaagde geen duidelijke lichamelijke afwijkingen zijn
gebleken. Bij de verschillende specialistische onderzoeken naar de
lichamelijke klachten zijn evenmin duidelijke objectiveerbare medische
gegevens naar voren gekomen. De betrokken specialisten typeren de
klachten als tendomyogeen en het gevolg van spanningsklachten.
De behandelaars van de GGZ stellen bij brief van 25 mei 2001 dat sprake
is van een angststoornis. In een brief van 31 januari 2002 wordt gesteld
dat er geen sprake is van een psychiatrisch toestandsbeeld.
De bezwaarverzekeringsarts verenigt zich met het
verzekeringsgeneeskundig oordeel van de primaire verzekeringsarts Peters
dat er geen sprake is van toename van beperkingen ten opzichte van de
per 8 november 2000 vastgestelde belastbaarheid.
Appellant heeft dienovereenkomstig bij besluit 1 meegedeeld dat uit
medisch onderzoek is gebleken dat ten opzichte van de beoordeling per 8
november 2000 niet is gebleken van een toename van beperkingen. Gedaagde
is daarom terecht per 4 oktober 2001 voor minder dan 15%
arbeidsongeschikt geacht. Het bezwaar tegen het besluit van 16 januari
2002 is ongegrond verklaard.
Naar aanleiding van de ziekmelding van gedaagde per 6 september 2001
heeft appellant tevens een onderzoek ingesteld in verband met de
aanspraken van gedaagde op ziekengeld. De verzekeringsarts heeft na
onderzoek van gedaagde en beoordeling van de medische gegevens
geconcludeerd dat gedaagde nog steeds geschikt is te achten voor de per
8 november 2000 geselecteerde functies.
Bij besluit van 5 februari 2002 heeft appellant meegedeeld dat gedaagde
op 31 januari 2002 niet ongeschikt wordt geacht voor het verrichten van
zijn arbeid. Gedaagde heeft daarom met ingang van 31 januari 2002 geen
recht op ziekengeld. Of gedaagde over de periode van 6 september 2001
tot 31 januari 2002 recht heeft op ziekengeld, laat appellant, zo wordt
meegedeeld, in het midden.
De bezwaarverzekeringsarts Van der Lugt heeft blijkens haar rapport van
18 april 2002, op grond van onderzoek, zich verenigd met het medisch
oordeel van de primaire verzekeringsarts.
Bij besluit 2 heeft appellant meegedeeld dat gedaagde per 31 januari
2002 geschikt wordt geacht voor zijn arbeid: de per 8 november 2000
geselecteerde functies. Het bezwaar tegen het besluit van 5 februari
2002 is ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij uitspraak 1 met betrekking tot het WAO-besluit 1
aangegeven dat er, gelet op de beschikbare medische gegevens, geen reden
is de medische beoordeling per 4 oktober 2001 onjuist te achten. De
rechtbank overweegt evenwel dat appellant een arbeidskundige beoordeling
van de mate van arbeidsongeschiktheid per 4 oktober 2001 niet achterwege
had mogen laten. Zij heeft op deze grond besluit 1 vernietigd.
Bij uitspraak 2 met betrekking tot het Ziektewetbesluit 2 heeft de
rechtbank geoordeeld dat appellant ten onrechte met het oog op de
aanspraak op ziekengeld per 31 januari 2002 de per 8 november 2000
geselecteerde functies als de maatstaf arbeid heeft aangemerkt. De
rechtbank oordeelt dat ter zake de maatstaf arbeid wordt gevormd door de
bij de WAO-schatting per 4 oktober 2001 te duiden functies. Zij heeft
daarom besluit 2 vernietigd.
Appellant heeft in hoger beroep de uitspraken 1 en 2 bestreden.
Appellant stelt dat gedaagde ter zake van de op 10 november 1999
aangevangen arbeidsongeschiktheid de in artikel 19 van de WAO bedoelde
wachttijd per 8 november 2000 heeft doorlopen.
Ingevolge artikel 43a van de WAO geldt vanaf 8 november 2000 de in dat
artikel vermelde periode van vijf jaar.
Appellant wijst voorts op de jurisprudentie van de Raad. Uit deze
jurisprudentie valt af te leiden dat artikel 43a WAO ziet op toename van
de medische beperkingen, resulterend in een toename van de
arbeidsbeperkingen. Daarom kan, bij gebreke van de toename van medische
beperkingen, de arbeidskundige beoordeling van de mate van
arbeidsongeschiktheid achterwege blijven.
In het onderhavige geval is, aldus appellant, het medisch oordeel dat de
beperkingen van gedaagde op 4 oktober 2001 ten opzichte van 8 november
2000 niet zijn toegenomen. De rechtbank heeft dit medisch oordeel niet
onjuist geacht. Gezien deze gegevens is in verband met de beoordeling
van de WAO-aanspraak per 4 oktober 2001 terecht de arbeidskundige
beoordeling achterwege gebleven. De rechtbank heeft besluit 1 ten
onrechte vernietigd.
Appellant is voorts van oordeel dat de rechtbank bij uitspraak 2 ten
onrechte besluit 2 heeft vernietigd.
Gedaagde heeft bij verweer gesteld dat zijn medische beperkingen zodanig
zijn dat hij ten tijde in geding ongeschikt is voor het verrichten van
elke vorm van arbeid in loondienst.
De Raad overweegt in verband met het WAO-geding als volgt.
Artikel 43a, eerste lid, van de WAO luidt:
Indien degene:
a. wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van
arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 43, eerste lid, is
ingetrokken; of
b. die aan het einde van de in artikel 19 bedoelde wachttijd ongeschikt
was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, maar
geen recht had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat
hij niet arbeidsongeschikt was, binnen vijf jaar na de datum van die
intrekking dan wel binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van
die wachttijd arbeidsongeschikt wordt, en deze arbeidsongeschiktheid
voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid
ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten dan wel als die
op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid
wegens ziekte of gebreken, vindt toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra die
arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
Uit de hierboven vermelde gegevens blijkt dat gedaagde na het staken van
zijn arbeid als lasser met ingang van 24 september 1997 een
WAO-uitkering heeft ontvangen. Deze uitkering is met ingang van 6 juli
1998 ingetrokken, omdat gedaagde voor minder dan 15% arbeidsongeschikt
is geacht.
Op grond van artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO is
dat artikel met ingang van 6 juli 1998 op gedaagde van toepassing
geworden.
Gedaagde is vervolgens op 8 maart 1999 werkzaamheden als afwashulp gaan
verrichten. Hij is voor deze arbeid uitgevallen op 10 november 1999 en
heeft deze arbeid definitief gestaakt op 28 februari 2000.
Appellant heeft in verband met deze uitval het recht van gedaagde op een
WAO-uitkering op grond van artikel 43a en op grond van artikel 19 van de
WAO beoordeeld. In medisch onderzoek is, zoals vermeld, vastgesteld dat
de beperkingen van gedaagde zijn toegenomen. Deze ten opzichte van 6
juli 1998 toegenomen beperkingen zijn vastgelegd in het nieuwe
belastbaarheidpatroon d.d. 18 januari 2000/31 mei 2001.
In arbeidskundig onderzoek zijn vervolgens de functies
metaalperser/bediende, zeefdrukker en samensteller geselecteerd. Het
verlies aan verdiencapaciteit is per 7 december 1999 (na de wachttijd
ingevolge artikel 43a) en per 8 november 2000 (na de wachttijd ingevolge
artikel 19) op minder dan 15% berekend.
Appellant heeft daarom per deze data geen WAO-uitkering aan gedaagde
toegekend.
Het desbetreffende besluit op bezwaar van 28 maart 2002 is rechtens
onaantastbaar.
Appellant heeft in verband met de ziekmelding van 6 september 2001 de
toepassing van artikel 43a WAO wederom onderzocht. Appellant heeft
daarbij vastgesteld dat gedaagde per 8 november 2000 de in artikel 19
van de WAO bedoelde wachttijd heeft doorlopen. Op grond van artikel 43a,
eerste lid, aanhef en onder b, is daarom per 8 november 2000 (opnieuw)
de in artikel 43a bedoelde periode van vijf jaar in werking getreden.
De Raad verenigt zich, gelet op het bepaalde in artikel 43a, met dat
standpunt.
De Raad verenigt zich voorts met het betoog van appellant dat artikel
43a van de WAO ziet op de toename van medische beperkingen, resulterend
in de toename van de arbeidsbeperkingen, en dat bij gebreke van een
toename van medische beperkingen een arbeidskundige beoordeling van de
mate van arbeidsongeschiktheid achterwege kan blijven.
De medische stukken bieden geen aanknopingspunten om het standpunt van
appellant dat de belastbaarheid van gedaagde per 4 oktober 2001 ten
opzichte van 8 november 2000 ongewijzigd is, onjuist te achten. Het
onderzoek van de verzekeringsartsen Peters en Van der Lugt is zorgvuldig
te achten. Gedaagde heeft geen medische gegevens in het geding gebracht,
die aanleiding vormen te twijfelen aan deze medische beoordeling.
De Raad concludeert dan ook dat appellant terecht stelt dat in het
onderhavig geval de arbeidskundige beoordeling achterwege kon blijven.
De rechtbank heeft ten onrechte een nadere arbeidskundige beoordeling
noodzakelijk geacht. De aangevallen uitspraak 1 dient te worden
vernietigd. Besluit 1 dient in rechte in stand te blijven.
De Raad merkt in verband met het Ziektewetgeding op dat volgens zijn
jurisprudentie in het geval van gedaagde als maatstaf voor de arbeid
gelden de laatstelijk voor de ziekmelding in het kader van de
WAO-schatting geselecteerde functies.
Gedaagde heeft zich ziek gemeld per 6 september 2001. Voor die datum
zijn met betrekking tot gedaagde per 8 november 2000 onder meer de
functies metaalperser/bediende, zeefdrukker en samensteller
geselecteerd.
Appellant stelt daarom terecht in besluit 2 dat deze functies de
maatstaf voor de arbeid vormen in verband met de beoordeling van de
aanspraken ingevolge de Ziektewet per 31 januari 2001. De rechtbank
heeft ten onrechte deze functies als maatstaf voor de arbeid afgewezen.
Uitspraak 2 dient daarom eveneens te worden vernietigd.
Besluit 2 dient in rechte in stand te blijven.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraken 1 en 2;
Verklaart de inleidende beroepen tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G. Olde
Kalter en mr. C.J.W. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr.
J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30
maart 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|