|
Uitspraak
03/4470 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante is door mr. J.W. Leseman, advocaat te Tilburg, op in
het aanvullend beroepschrift (met bijlage) vermelde gronden hoger beroep
ingesteld tegen een door de rechtbank Breda op 16 juli 2003 tussen
partijen gegeven uitspraak (reg.nr. 02/2315 ZW), waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 9 maart 2005, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Leseman,
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr.
M. Reitsma, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante, sinds 1 december 1992 in dienst bij Vriens Consulting B.V.
als administratief medewerkster, trad per 1 januari 2000 in dienst van
Vriens Beheer B.V. (hierna: de werkgever). Haar werkzaamheden en
feitelijke werksituatie wijzigden hierdoor niet. Kort na deze
overgang werden door laatstgenoemd bedrijf onderhandelingen
gestart met onder meer SBOD/ODPlus B.V. en werd overeengekomen dat
laatstgenoemd bedrijf de bedrijfsactiviteiten van de werkgever zou
overnemen. Aangezien door deze overname voor appellante geen werk meer
voorhanden zou zijn, werd door de werkgever een ontslagvergunning
aangevraagd bij het Centrum voor Werk en Inkomen (hierna: het CWI).
Vervolgens meldde appellante, die sinds 4 januari 2002 al gedeeltelijk
arbeidsongeschikt was, zich op 6 maart 2002 ziek. Op 8 maart 2002 diende
ze een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in bij de
rechtbank te Breda (kanton locatie Tilburg). Hangende deze procedure
werd de aanvraag om een ontslagvergunning bij het CWI afgewezen. Op 2
mei 2002 diende de werkgever een verweerschrift in en subsidiair een
verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Bij beschikking van 8
mei 2002 werd de arbeidsovereenkomst van appellante met ingang van 15
mei 2002 door de kantonrechter ontbonden. Daarbij werd aan appellante
een vergoeding toegekend van 15.000,-- (bruto).
Bij besluit van 18 juni 2002 is appellante met ingang van 15 mei 2002
blijvend geheel een uitkering ingevolge de Ziektewet (hierna: ZW)
geweigerd. Hiertoe is - samengevat - het volgende overwogen. Appellante
heeft ontslag genomen, waardoor zij niet heeft voldaan aan de wettelijke
verplichting om zich zodanig te gedragen dat zij door haar doen en laten
het Algemeen Werkloosheidsfonds of het Uwv niet benadeelt of zou kunnen
benadelen. Hieruit volgt dat een maatregel moet worden opgelegd die in
de vijfde categorie van de bijlage bij het Maatregelenbesluit valt. De
daarbij behorende maatregel houdt in dat de ziekengelduitkering blijvend
geheel wordt geweigerd. Voorts is geen sprake van een verminderde
verwijtbaarheid of het geheel ontbreken daarvan noch van een dringende
reden om van oplegging van de maatregel af te zien.
In het kader van de bezwaarprocedure is door appellante een brief
overgelegd van arboarts W. Stommels van 19 maart 2002 en is door
gedaagde nader informatie ingewonnen bij respectievelijk de
claimbeoordelaar ZW en de ex-werkgever van appellante. Voorts is door de
bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff desgevraagd een verklaring
verkregen van de huisarts van appellante P.N.L.H. Terwindt van 6
november 2002. Uit deze verklaring komt naar voren dat de psychische
toestand van appellante ten tijde van het indienen van het
ontbindingsverzoek niet zodanig was dat haar het ontslag niet is aan te
rekenen en voorts dat het voortbestaan van de dienstbetrekking - ook al
zou appellante niet werken - niet reeds tot schade van de gezondheid zou
leiden. Op grond van al deze informatie is door bezwaarverzekeringsarts
Van Hooff in zijn rapport van 11 november 2002 geconcludeerd dat
appellante niet aan ιιn van de voorwaarden voldoet om te kunnen
oordelen dat geen sprake is van verwijtbare werkloosheid. In
overeenstemming hiermee is het besluit van 18 juni 2002 bij het
bestreden besluit van 13 november 2002 gehandhaafd, zij het met de
correctie dat appellante geen ontslag heeft genomen maar een verzoek tot
ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft ingediend.
In hoger beroep is door appellante, onder verwijzing naar een verklaring
van huisarts Terwindt van 8 oktober 2003, naar voren gebracht dat zij
het ten tijde van het indienen van het verzoek tot ontbinding van de
arbeidsovereenkomst psychisch bijzonder moeilijk had als gevolg van een
arbeidsconflict met de werkgever. Verder is naar voren gebracht dat ook
de werkgever een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst had
ingediend en het verzoek tot ontbinding van appellante derhalve niet
bepalend kan worden geacht voor het uiteindelijke resultaat, zodat geen
sprake kan zijn van een benadelingshandeling. Voorts is gesteld dat geen
sprake is van verwijtbaarheid, maar wel van een dringende reden. Tot
slot is verzocht om appellante tevens een uitkering ingevolge de
Werkloosheidswet (hierna: WW) toe te kennen.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaard.
De Raad overweegt als volgt.
Artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW bepaalt dat
gedaagde het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend
weigert, indien de verzekerde door zijn doen of nalaten het Algemeen
Werkloosheidsfonds of het wachtgeldfonds benadeelt of zou kunnen
benadelen. In het krachtens artikel 45, zesde lid, van de ZW
vastgestelde Maatregelenbesluit Tica, zoals dat besluit luidde ten tijde
in geding, is in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, bepaald dat
de maatregel bij een benadelingshandeling als hiervoor aangeven bestaat
uit weigering van de gehele uitkering voor de duur dat de verzekerde
aanspraak op loon zou hebben kunnen doen gelden, dan wel de
dienstbetrekking zou hebben kunnen voortduren. Het tweede lid van
artikel 45 van de ZW bepaalt dat een maatregel als bedoeld in het eerste
lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de
verzekerde de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een
maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van
verwijtbaarheid ontbreekt. Artikel 45, vierde lid, van de ZW, bepaalt
dat indien daarvoor dringende redenen zijn, gedaagde kan besluiten van
het opleggen van een maatregel af te zien.
Partijen verschillen in de eerste plaats van mening over de vraag of
sprake is van een benadelingshandeling in de zin van artikel 45, eerste
lid, aanhef en onder j, van de ZW.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Naar de Raad heeft
vastgesteld is in dit geval sprake van een verzoek tot ontbinding van de
arbeidsovereenkomst van de zijde van appellante, welk verzoek is
ingediend na het intreden van haar arbeidsongeschiktheid. Dit levert
naar het oordeel van de Raad een benadelingshandeling op in de zin van
artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW. Het feit dat
hangende de procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst eveneens
een verzoek tot ontbinding van de zijde van de werkgever is ingediend,
kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden. De Raad is van oordeel
dat appellante haar verzoek tot ontbinding had kunnen intrekken en tegen
het verzoek tot ontbinding van de werkgever inhoudelijk verweer had
kunnen voeren. Naar het oordeel van de Raad is niet aannemelijk dat een
dergelijk verweer geen kans van slagen zou hebben gehad.
De Raad overweegt vervolgens dat bij het beantwoorden van de vraag of de
benadelingshandeling ook aan de betrokkene is te verwijten, naar vaste
jurisprudentie van de Raad (zie onder meer de uitspraak van de Raad van
3 november 2004, 02/5850 ZW, LJN AR6101), aan de hand van de
concrete omstandigheden van het geval dient te worden vastgesteld of aan
de voortzetting van de dienstbetrekking zodanige bezwaren zijn verbonden
dat die voortzetting redelijkerwijs van de zieke werknemer niet kan
worden gevergd.
Gedaagde heeft deze vraag ontkennend beantwoord en heeft zich hierbij
gebaseerd op genoemd rapport van de bezwaarverzekeringsarts Van Hooff.
De Raad ziet in de omtrent appellante beschikbare medische en andere
informatie geen aanleiding om aan de juistheid van het standpunt van
deze bezwaarverzekeringsarts te twijfelen. De Raad heeft daarbij in het
bijzonder gewicht toegekend aan de aan het rapport ten grondslag
liggende verklaring van huisarts Terwindt van 6 november 2002, welke
naar het oordeel van de Raad volstrekt helder is en niet voor meerdere
uitleg vatbaar. De in hoger beroep ingebrachte verklaring van huisarts
Terwindt van 8 oktober 2003 heeft de Raad niet tot een ander oordeel
kunnen leiden. Aan laatstgenoemde verklaring kan in het licht van de
eerdere verklaring van de huisarts naar het oordeel van de Raad niet het
gewicht worden gehecht dat appellante daaraan gehecht wenst te zien.
De Raad overweegt voorts dat van een dringende reden volgens vaste
jurisprudentie van de Raad slechts sprake kan zijn indien de
desbetreffende maatregel voor de betrokkene onaanvaardbare consequenties
heeft. Voor een dergelijk oordeel ziet de Raad in de stukken geen
aanknopingspunten. De Raad overweegt tot slot dat aan de WW te ontlenen
aanspraken in een geding als het onderhavige niet aan de orde kunnen
komen.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.C. Bruning
en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J.
Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|