|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/4253 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. C.F.M. Raaijmakers, advocaat te Haarlem, op
bij aanvullend beroepschrift ingediende gronden, hoger beroep ingesteld
tegen een door de rechtbank Rotterdam op 9 juli 2002, onder reg.nr.
01/1381 ZW, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 11 februari 2004 nog stukken
ingezonden.
Namens appellant is bij brief van 28 mei 2004 een nader stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 juni 2004, waar
voor appellant is verschenen mr. Raaijmakers (voornoemd) en waar namens
gedaagde is verschenen mr. M. Scholten, werkzaam bij het Uwv.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 4
augustus 2004 psychiater R. Tonneijck als deskundige benoemd voor het
instellen van een onderzoek.
Deze heeft van het onderzoek dat plaatsvond op 11 oktober 2004, verslag
uitgebracht aan de Raad. Vervolgens heeft verzekeringsarts R. Ruitenberg
op dit verslag gereageerd bij rapport van 10 februari 2005.
Na de gegeven toestemming van partijen, heeft de Raad bepaald dat het
onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en
gedaagde als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en
omstandigheden:
Eiser is aanvankelijk uitgevallen op 6 januari 2000 voor zijn werk
als chauffeur wegens psychische klachten. Bij besluit van 24 januari
2001 is aan eiser een WAO-uitkering toegekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Eiser is voor de resterende
arbeidscapaciteit een Werkloosheidsuitkering (WW uitkering) toegekend.
Op 16 maart 2001 heeft eiser zich vanuit de WW ziek gemeld wegens een
(gestelde) toename van dezelfde klachten. Na onderzoek door de
verzekeringsarts is eiser op en na 16 maart 2001 niet wegens ziekte
ongeschikt geacht tot het verrichten van arbeid zoals voor hem geduid
door de arbeidsdeskundige in het kader van de schatting voor de WAO.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit van 24 augustus 2001ongegrond verklaard. In navolging van de
verzekeringsartsen van gedaagde is de rechtbank van oordeel dat
appellant, rekening houdend met zijn beperkingen in de categorie
psychisch belastende factoren, in staat moet worden geacht om de
werkzaamheden verbonden aan de geduide functies in het kader van de
WAO-beoordeling te verrichten. Uit de in beroep namens appellant
overgelegde rapportages van appellants behandelend psychiater J. van der Linden kan volgens de rechtbank niet worden opgemaakt dat
appellant zou voldoen aan de criteria binnen het Schattingsbesluit voor
niet benutbare mogelijkheden.
Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat uit de rapportage van
zijn behandelend psychiater Van der Linden blijkt dat appellants
psychische klachten na de WAO-beoordeling, waarbij slechts is uitgegaan
van een beperkte psychische belasting, zijn toegenomen omdat Van der
Linden concludeert dat er bij appellant sprake is van algeheel
onvermogen en dreigende schade bij werkhervatting vanwege een ernstige
chronische (recidiverende) depressie. Volgens appellant bestond er gelet
op het duidelijke oordeel van Van der Linden, goede grond te twijfelen
aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit en
had in deze dan ook besloten moeten worden tot het raadplegen van een
deskundige.
De Raad heeft aanleiding gevonden om psychiater R. Tonneijck als
deskundige te benoemen. Deze komt op basis van eigen onderzoek, de in
het dossier aanwezige op appellant betrekking hebbende stukken,
informatie van de behandelend psychiater Van der Linden en informatie
van de huisarts tot de conclusie dat er bij appellant op de datum van
geding sprake was van een ernstige depressieve stoornis, chronisch van
aard, en een ernstige persoonlijkheidsstoornis met theatrale en
afhankelijke trekken. Tonneijck kan zich niet verenigen met het
standpunt van bezwaarverzekeringsarts Ruitenberg, en is van mening dat
appellant de geduide functies niet kon vervullen op de datum in geding.
Gedaagde is het niet eens met de conclusie van Tonneijck.
Bezwaarverzekeringsarts Ruitenberg geeft in zijn commentaar van 10
februari 2005 aan dat de vraagstelling aan de deskundige, is gericht op
de afwijkingen in de gezondheidstoestand en niet op de mogelijkheden en
beperkingen. Deze vraagstelling is volgens hem vanuit de
verzekeringsgeneeskundige optiek incompleet, omdat er sprake is van een
ziekmelding die vooraf werd gegaan door een WAO-beoordeling, waarbij
tevens de genoemde beperkingen werden vastgesteld.
De Raad kent doorslaggevende betekenis toe aan het oordeel van de door
hem ingeschakelde deskundige Tonneijck. De Raad heeft daarbij in
aanmerking genomen dat deze onafhankelijke en onpartijdige deskundige
zijn oordeel heeft gebaseerd op eigen onderzoek van appellant, de in het
dossier aanwezige op appellant betrekking hebbende stukken, informatie
van de behandelende sector en de anamnese van appellant. Zodoende is de
Raad van oordeel, mede verwijzend naar de brieven van de behandelend
psychiater Van der Linden en de informatie van de huisarts, dat
appellant ten tijde in geding niet in staat was de werkzaamheden
verbonden aan ιιn van de geduide functies in het kader van de
voorafgaande WAO-beoordeling te verrichten.
Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit, evenals de
aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, voor
vernietiging in aanmerking komt.
De Raad acht termen aanwezig op grond van artikel 8:75 van de Algemene
wet bestuursrecht, gedaagde te veroordelen in de proceskosten van
appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op
644,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en 644,--
voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand, in totaal 1288,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw
besluit neemt met de inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag
groot 1288,--,
te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde griffierecht van in totaal 109,23 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van mr. A.
van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 april
2005.
(get.) Ch. Van Voorst.
(get.) A. van Netten.
|
|