|
Uitspraak
04/5857 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluiten van 12 februari 2002, respectievelijk 25 februari 2003
heeft gedaagde aan [naam werknemer], een werknemer van appellante,
bericht dat aan hem in verband met zijn ziekmelding per 15 januari 2002,
respectievelijk 18 februari 2003 geen uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW)
toekomt omdat [werknemer], voormeld, tijdens ziekte recht heeft op
loondoorbetaling door appellante.
Het tegen beide bovenvermelde besluiten ingestelde bezwaar van
appellante is bij besluit van 10 februari 2004, hierna: het bestreden
besluit, niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 13 september 2004,
nummer AWB 04/441 ZW, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
Namens appellante heeft mr. J.P.A. Feijen, advocaat te Susteren, op bij
aanvullend beroepschrift vermelde gronden tegen die uitspraak hoger
beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 maart 2005, waar
voor appellante zijn verschenen [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2],
bijgestaan door mr. Feijen, voornoemd, en waar namens gedaagde is
verschenen B. Drossaert, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (Uwv).
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Gedaagde heeft appellante door toezending van afschriften van de in
rubriek I genoemde besluiten van 12 februari 2002 en 25 februari 2003 op
de hoogte gesteld van de ten aanzien van haar werknemer [naam
werknemer] genomen besluiten ingevolge de ZW.
Bij brief van 10 juli 2003 is door appellante tegen beide besluiten
protest aangetekend. Namens appellante heeft mr. Feijen bij brief van 30
juli 2003 (formeel) bezwaar gemaakt tegen voornoemde besluiten.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde de - naar zijn oordeel op 30
juli 2003 ingediende - bezwaren wegens niet-verschoonbare
termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.
Het daartegen ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak
ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het voor
appellante als werkgever duidelijk moest zijn dat de aan haar werknemer
[werknemer] gerichte brieven van 12 februari 2002 en 25 februari 2003
rechtsgevolgen teweegbrachten en derhalve besluiten waren. De rechtbank
heeft verder vastgesteld dat de wettelijke bezwaartermijn - van 6 weken
- is overschreden, nu het bezwaarschrift tegen deze besluiten pas op 31
juli 2003 bij gedaagde is ingekomen. De rechtbank is overigens van
oordeel dat het ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing bij de aan
appellante toegezonden besluiten onvoldoende reden is om de
termijnoverschrijding verschoonbaar te achten als bedoeld in artikel
6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in aanmerking genomen
dat noch in bezwaar noch in beroep door appellante feiten of
omstandigheden naar voren zijn gebracht die de termijnoverschrijding
verontschuldigbaar maken.
Namens appellante heeft mr. Feijen in hoger beroep nogmaals gewezen op
de feiten en omstandigheden, die de termijnoverschrijding, mede gelet op
het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing door gedaagde,
verschoonbaar doen zijn:
- de loonadministrateur van appellante heeft kort na ontvangst van de besluiten van 12 februari 2002 en 25 februari 2003 telefonisch contact
gezocht met het Uwv en is bij die gelegenheid door een medewerker van het Uwv niet gewezen op de mogelijkheid van bezwaar;
- de brieven van 12 februari 2002 en 25 februari 2003 waren niet kenbaar
als besluiten.
Gedaagde heeft in hoger beroep gepersisteerd bij het standpunt dat niet
is gebleken van feiten of omstandigheden om de termijnoverschrijding
verschoonbaar te achten.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad stelt allereerst vast dat uitgaande van de eerdergenoemde brief
van 10 juli 2003 van appellante, welke brief naar het oordeel van de
Raad als bezwaarschrift dient te worden aangemerkt, de wettelijke
bezwaartermijn ruimschoots is overschreden. Hiervan uitgaande blijft
ingevolge artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond
van termijnoverschrijding achterwege indien redelijkerwijs niet kan
worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Het ontbreken
van rechtsmiddelenvoorlichting als bedoeld in artikel 3:45 van de Awb
is, naar de Raad reeds meermalen heeft overwogen, in zijn algemeenheid
onvoldoende om de termijnoverschrijding verschoonbaar te doen zijn.
Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig.
De Raad is, anders dan appellante, van oordeel dat de besluiten van 12
februari 2002 en 25 februari 2003 voldoende kenbaar waren als besluiten
in de zin van artikel 1:3 van de Awb. In deze besluiten wordt immers in
duidelijke bewoordingen aan de werknemer [werknemer] te kennen gegeven
dat hem geen ziekengeld wordt toegekend. Een dergelijke mededeling is
onmiskenbaar op rechtsgevolg gericht.
De omstandigheid dat de loonadministrateur van appellante in
telefonische contacten met een medewerker van het Uwv door deze
medewerker niet zou zijn gewezen op de mogelijkheid om bezwaar te maken
levert onvoldoende reden op om de termijnoverschrijding verschoonbaar te
achten. De Raad maakt uit het navolgende gedeelte van het in rubriek I
van deze uitspraak genoemde aanvullend beroepschrift op dat niet de
kennelijke omissie van de zijde van het Uwv in voornoemde
telefoongesprekken, maar het stilzitten van appellante tussen het moment
van ontvangst van de besluiten van 12 februari 2002 en 25 februari 2003
en de indiening van het bezwaarschrift van 10 juli 2003 bij overigens
ongewijzigde omstandigheden de oorzaak is voor de termijnoverschrijding:
"Bij brief van 12 februari 2002 laat UWV GAK aan [werknemer] weten,
dat hij geen recht zou hebben op een ziektewetuitkering, aangezien op de
werkgever de plicht rust om loon door te betalen tijdens ziekte,
aangezien zulks alleen van toepassing zou zijn indien [werknemer] minder
dan 5 jaar bij [appellant] in dienst zou zijn. Bij brief van 13 februari
2002 wordt een afschrift van deze brief aan [appellant] gezonden. Bij en
in deze brieven wordt geen melding gemaakt van de mogelijkheid tot het
aantekenen van bezwaar of beroep.
Aangezien ten aanzien van de reďntegratie en het pakket op maat voor
[werknemer] toch nog verdere afspraken moesten worden gemaakt met UWV
Gak besteedde [appellant] aan deze brief niet teveel aandacht. Dat zou
een verder punt van bespreking met de arbeidsdeskundige kunnen gaan
vormen. Dit gold temeer nu [werknemer] weer vrij spoedig hersteld was en
de werkzaamheden hervatte, alsmede vanwege het gegeven dat [appellant]
ervan uitging dat zij, net zoals dat in het verleden het geval was, nog
wel een formeel besluit zou krijgen, waarin de mogelijkheid van bezwaar
en beroep zouden worden aangegeven. Wel liet [appellant] zijn
loonadministrateur kort na ontvangst van de brief van 13 februari 2003
even met het UWV bellen, met het verzoek om de vergissing te herstellen.
Daarbij wordt deze kenbaar gemaakt dat naar mening van het UWV haar
stellingname de juiste is. Geen gewag wordt gemaakt van het gegeven dat
[appellant] maar bezwaar moet aantekenen als zij het niet eens is met de
stellingname van het UWV. Gelet op het beperkte belang van de zaak,
sneeuwt deze als het ware onder en er wordt geen aandacht meer aan
besteed. Op 18 februari 2003 wordt [werknemer] evenwel opnieuw ziek en
dat wordt gemeld bij het UWV. Bij brief van 25 februari 2003 laat het
UWV aan [werknemer] weten dat hij zich moet melden bij zijn werkgever,
een en ander met toezending van een afschrift van deze brief aan
[appellant]. Ook in deze stukken wordt geen melding gemaakt van het
gegeven dat maar bezwaar aangetekend moet worden, indien heroverweging
op prijs wordt gesteld. [appellant] laat aanvang maart 2003 haar
loonadministrateur weer bellen met het UWV, die te horen krijgt dat het
standpunt van het UWV juist zou zijn , doch zonder dat daar een verdere
toelichting bij wordt gegeven. Andermaal wordt evenmin kenbaar gemaakt
dat voor een heroverweging het instellen van bezwaar de enige aangewezen
weg is. [appellant], in de persoon van de heer Slenter, besluit de
kwestie in een later stadium eens aan de orde te gaan stellen bij het
UWV, aangezien dat in strijd is met de eerder gedane toezeggingen en
gewekte verwachtingen. Dat lukt echter niet direct, een en ander wegens
drukke werkzaamheden. [appellant] verwacht overigens ook nu weer, dat er
nog wel eens een formeel besluit zal komen, aangezien hij vanuit het
verleden gewend is dat de aan hem gerichte correspondentie zeer
expliciet aangaf indien bezwaar of beroep mogelijk was. Eind juni 2003
komt hij toe aan het ophelderen van de zaak. Hij neemt telefonisch
contact op met het UWV en heeft enkele telefoongesprekken met mevrouw
Quax, die hem laat weten, dat het UWV terecht geen ziekengeld heeft
betaald, aangezien dat alleen geldt voor werknemers die
arbeidsgehandicapt zijn en onder de Wet REA vallen die korter dan 5 jaar
in dienst zijn. Voor de gedane toezeggingen voorafgaande aan de reďntegratie
wordt geen gehoor gevonden bij het UWV en voor het overige wordt kort
gezegd dat de kwestie voor wat betreft het UWV was afgedaan. [appellant]
had maar bezwaar moeten aantekenen. [appellant] heeft vervolgens alsnog
bezwaar aangetekend, door haar ‘protest’ genoemd, een en ander bij
brief van 10 juli 2003." De Raad komt derhalve tot de slotsom dat
de termijnoverschrijding in de bezwaarfase niet-verschoonbaar is te
achten.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid
van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 4 mei 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|