|
Uitspraak
03/3432 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat te Apeldoorn, op
bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen een door de rechtbank Zutphen onder dagtekening 25 juni 2003 (reg.nr. 02/840 ZW) tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 23 maart 2005, waar appellante en gedaagde, beiden met
(voorafgaand) bericht van verhindering, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerkster bij
[naam werkgever] te [vestigingsplaats], waar zij op 5 januari 1999 is
uitgevallen vanwege schouderklachten en klachten ten gevolge van COPD.
Het dienstverband is per 1 juli 1999 beëindigd in het kader van een collectief ontslag wegens
faillissement. Per einde wachttijd heeft een beoordeling in het kader
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) plaatsgevonden,
waarna appellante met ingang van 4 januari 2000 een WAO-uitkering is
toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.
Op 3 februari 2000 heeft appellante zich vanuit de Werkloosheidswet (WW)
toegenomen arbeidsongeschikt gemeld wegens bijkomende psychische
klachten. Verzekeringsarts R. Ruliaman heeft op 12 december 2000
appellante mede in het kader van een eerstejaars herbeoordeling
onderzocht en een nieuw belastbaarheidsprofiel opgesteld. In zijn
rapport geeft Ruliaman aan dat de gezondheidstoestand verslechterd is
wegens bijkomende restricties van de psychische draagkracht, ten aanzien
van het werken onder tijdsdruk en conflicthantering, bij het gelijk
blijven van de overige restricties. Na overleg met de verzekeringsarts
zijn door arbeidsdeskundige F.E.J. van de Burgt overeenkomstig dit
belastbaarheidsprofiel functies geselecteerd en is het verlies aan
verdiencapaciteit vastgesteld op 20,77%. Vervolgens is bij besluit van 8
februari 2001 de arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van 1
februari 2001 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
15-25%, welke ingangsdatum na een bezwaarschriftprocedure bij besluit
van 11 juli 2001 gewijzigd is in 26 maart 2001.
Nadat appellante zich op 20 september 2001 wederom vanuit de WW ziek
gemeld had vanwege rug-, schouder-, nek- en beenklachten en
spanningsklachten, is zij op 14 november 2001 door verzekeringsarts J.K.
van Essen onderzocht. Deze heeft appellante met ingang van 19 november
2001 niet (meer) wegens ziekte of gebrek ongeschikt geacht tot het
verrichten van haar arbeid. De verzekeringsarts heeft blijkens het
afschrift medische kaart, telefonische informatie ingewonnen bij
appellantes huisarts, die hem tevens een brief van behandelend
psychiater drs. Gülsacan van 31 augustus 2001 heeft toegezonden.
Dienovereenkomstig heeft gedaagde met ingang van 19 november 2001
ziekengeld geweigerd.
In bezwaar heeft appellante aangevoerd dat haar spanningsklachten
zodanig zijn, dat zij niet in staat is loonvormende arbeid te
verrichten. Appellante is snel geïrriteerd of boos, kan om niets
agressief worden en heeft slaapproblemen. In verband met haar psychische
klachten is zij door haar huisarts doorgestuurd naar de psychiater.
Appellante is op 19 december 2001 door bezwaarverzekeringsarts G.P.J. de
Kanter onderzocht, die op basis van dossieronderzoek, het verhandelde
tijdens de hoorzitting en telefonisch contact met de huisarts, in zijn
rapport van 19 april 2002 tot de conclusie is gekomen, dat de medische
grondslag van het primaire besluit juist is, aangezien verzekeringsarts
Van Essen zijn beoordeling heeft gebaseerd op uitvoerig overleg met
appellante en op van de huisarts en de psychiater verkregen gegevens,
bij welke gegevens de door de verzekeringsarts getrokken conclusie past.
Bezwaarverzekeringsarts De Kanter is tot de slotsom gekomen dat bij
appellante sprake is van een overwegend door sociale problematiek
bepaald klachtenpatroon. Bij besluit van 23 april 2002, hierna: het
bestreden besluit, is het bezwaar dan ook ongegrond verklaard.
In beroep heeft appellante haar grieven uit het bezwaarschrift herhaald
en heeft zij een brief van 27 juni 2002 overgelegd van haar psychiater,
die aangeeft dat bij appellante, “wellicht door de ernst van de
bijzondere combinatie somatiek en psychiatrisch bij een reeds starre,
stuwe gezinsstructuur, nauwelijks verbetering is opgetreden in de
problematiek”. Daarnaast heeft appellante verzocht een deskundige aan
te wijzen die nader kan rapporteren over de gezondheidssituatie per de
in geding zijnde datum.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard onder overweging dat appellante na geneeskundig onderzoek op
12 december 2000 (anders dan voorheen) ook beperkt geacht werd op het
punt van de psychische belastbaarheid, waarbij volgens de eerdergenoemde
(bezwaar)verzekeringsartsen de beperkingen op (en na) 19 november 2001
niet zijn toegenomen. Daarvan uitgaande was appellante niet (meer)
buiten staat tot het verrichten van de haar eerder voorgehouden
functies. In hetgeen namens appellante naar voren is gebracht, heeft de
rechtbank geen aanleiding gezien de conclusies van de
(bezwaar)verzekeringsartsen voor onjuist te houden en desgewenst een
deskundige aan te wijzen om appelante nader te doen onderzoeken.
De Raad oordeelt als volgt.
Ingevolge artikel 19 van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij
ongeschiktheid tot het verrichten van zijn of haar arbeid als
rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte
recht op ziekengeld.
Als maatstaf van arbeid van appellante als bedoeld in artikel 19 van de
ZW dienen te worden aangemerkt de in het kader van de eind 2000/begin
2001 gehouden WAO-beoordeling geselecteerde functies zoals deze op basis
van het door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidsprofiel aan
appellante zijn voorgehouden door de arbeidsdeskundige. De Raad stelt
hierbij vast dat in dit belastbaarheidsprofiel rekening gehouden is met
de psychische belastbaarheid en houdt het oordeel van de
(bezwaar)verzekeringsartsen dat uit de klachten van appellante niet meer
beperkingen voortvloeien dan gedaagde heeft aangenomen, niet voor
onjuist. Hierbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat er zorgvuldig
medisch onderzoek heeft plaatsgevonden en dat de informatie van de
huisarts en de brief van de behandelende psychiater meegenomen zijn in
de beoordeling. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de
bezwaarverzekeringsarts De Kanter dat de brief van de psychiater
aansluit bij de reeds bekende gegevens en dat er sprake is van een
overwegend door sociale problematiek bepaald klachtenpatroon. Gezien het
feit dat door appellante geen andere medische stukken zijn ingebracht
die een ander licht op de zaak werpen, ziet de Raad geen aanleiding om
een deskundige aan te wijzen.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging
in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid
van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 4 mei 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|