|
Uitspraak
02/6164 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak
van de rechtbank Maastricht, kenmerk 00/1120, van 1 november 2002.
Namens gedaagde heeft mr. P. de Casparis, advocaat te Zoetermeer, een
verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 maart
2005, waar appellant zich - na daartoe ambtshalve te zijn opgeroepen -
heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.J. Beelen, werkzaam bij het Uwv
en waar voor gedaagde is verschenen mr. D.C. Coppens, kantoorgenoot van
mr. de Casparis.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Gedaagde is als uitzendkracht via het uitzendbureau Randstad gaan werken
met ingang van 19 september 1996. Zij is werkzaam geweest als
verpleegkundige bij het inlenende Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA)
te Geleen voor in principe 16 uur per week op dinsdag en donderdag. Het
COA heeft gedaagde op 28 oktober 1996 medegedeeld dat na afronding van
de werkzaamheden haar dienstverband beëindigd zou worden per 1 december
1996. Wegens het plotseling overlijden van haar vader heeft gedaagde
niet gewerkt op dinsdag 5 november 1996 en donderdag 7 november 1996. Op
maandag 11 november 1996 heeft gedaagde zich ziek gemeld. Haar laatste
feitelijke werkdag bij het COA was donderdag 31 oktober 1996.
Bij besluit van 24 januari 1997 heeft appellant te kennen gegeven dat
gedaagde geen recht heeft op een uitkering kracht de Ziektewet (ZW)
omdat zij na 31 oktober 1996 niet verzekerd was ingevolge de ZW en ook
op basis van artikel 46 van de ZW geen aanspraak kon maken op
ziekengeld. De rechtbank Maastricht heeft het beroep tegen dit besluit
bij uitspraak van 5 juni 1998 gegrond verklaard, welke uitspraak door de
Centrale Raad van Beroep bij uitspraak van 20 april 2000 is vernietigd.
De Raad heeft in die uitspraak tevens appellant opgedragen het door
gedaagde ingediende beroepschrift te behandelen als bezwaarschrift.
Ter uitvoering van die uitspraak heeft appellant bij besluit van 4
augustus 2000 een nieuw besluit genomen. In dit besluit heeft appellant
opnieuw geweigerd aan gedaagde een uitkering in het kader van de ZW te
verstrekken, ingaande de dag van ziekmelding 11 november 1996, omdat
gedaagde op die dag niet verzekerd zou zijn voor de sociale
verzekeringswetten. Naar de mening van appellant eindigt de
dienstbetrekking van een uitzendkracht op het moment dat de
werkzaamheden worden beëindigd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit besluit vernietigd
omdat naar het oordeel van de rechtbank de dienstbetrekking van gedaagde
met Randstad heeft geduurd tot 1 december 1996. Daartoe heeft de
rechtbank als volgt overwogen:
“In artikel 4, lid 2 van de (van) toepassing zijnde CAO is bepaald dat
de arbeidsverhouding wordt aangegaan voor de duur van de opdracht, die
door de opdrachtgever, in casu het COA, aan het uitzendbureau wordt
verstrekt en dat deze duur vooraf wordt overeengekomen of tussentijds
wordt aangegeven door de opdrachtgever. In artikel 4, lid 3 van deze CAO
is geregeld dat de arbeidsverhouding daarom van rechtswege eindigt door
het verstrijken van de opdracht als genoemd in lid 2 van dit artikel.
Nu de duur van de arbeidsverhouding - blijkens de brief van het COA van
28 oktober 1996 - tussentijds door de opdrachtgever is aangegeven tot
1 december 1996, komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat er op
het moment van de ziekmelding, 11 november 1996, sprake was van een
arbeidsverhouding tussen eiseres en Randstad, nu gelet op de hierboven
weergegeven artikelleden 2 en 3 van artikel 4 van de CAO de
arbeidsverhouding per 1 december 1996 van rechtswege beëindigd zou
worden.”
In hoger beroep bestrijdt appellant deze zienswijze onder verwijzing
naar artikel 6, tweede lid aanhef van de ZW. Volgens appellant was
gedaagde niet verzekerd nu zij op de dag van haar ziekmelding geen
arbeid heeft verricht noch behoorde te verrichten en zij evenmin
loonbetaling van Randstad heeft ontvangen.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad kan zich vinden in de hierboven weergegeven overweging van de
rechtbank, voorzover daarin tot uitdrukking is gebracht dat de
arbeidsverhouding van gedaagde niet verbroken is na afloop van de
laatste dag van het feitelijk verrichten van werkzaamheden.
Gesteld, noch gebleken is dat gedaagde na haar laatste werkdag op 31
oktober 1996 bij het COA voornemens was geen werkzaamheden meer voor
deze instelling te gaan verrichten. Dit neemt niet weg dat op grond van
artikel 6, tweede lid, van de ZW, zoals dit artikellid luidde ten tijde
van de ziekmelding, geen dienstbetrekking aanwezig wordt geacht op
dagen, waarop geen arbeid wordt verricht en geen uitkering of een
uitkering van minder dan de helft van het normale loon van de werkgever
wordt genoten, tenzij zich één van de in dit artikellid onder a tot en
met f vermelde omstandigheden voordoet. Gegeven de daarop te zijner
zitting gegeven toelichting verstaat de Raad het door appellant
ingenomen standpunt aldus dat, gelet op het feitelijke arbeidspatroon
van gedaagde tot 31 oktober 1996, de arbeidsrelatie dermate flexibel was
dat geen van de in artikel 6, tweede lid, van de ZW onder a tot en met f
vermelde uitzonderingen op de regel dat geen dienstbetrekking aanwezig
wordt geacht op dagen dat niet wordt gewerkt, van toepassing is. De Raad
is evenwel van oordeel dat, hoewel gedaagde in de weken na aanvang van
haar werkzaamheden tot aan de week waarin haar vader overleed, in twee
van de zes weken 16 uur heeft gewerkt, in één week 22 uur in verband
met extra werkzaamheden in een weekend en in de overige weken minder dan
16 uur, zulks nog niet met zich brengt dat niet meer kan worden
gesproken van een dienstbetrekking die er toe strekt dat slechts een
gedeelte van een normale werkweek arbeid wordt verricht als bedoeld in
artikel 6, tweede lid, aanhef en onder d, van de ZW. Dit betekent dat in
evenbedoelde weken gedaagde ook op de dagen, waarop zij niet werkte bij
het COA verzekerd was voor de ZW. Naar het oordeel van de Raad is hierin
met betrekking tot de week waarin zij - na een onderbreking wegens het
overlijden van haar vader - haar werk zou hervatten en zich heeft ziek
gemeld, geen wijziging gekomen. Hier komt bij dat, voorzover al zou
moeten worden aangenomen dat betekenis toekomt aan het gegeven dat
gedaagde in de week voorafgaande aan haar ziekmelding niet heeft
gewerkt, in dat geval gesproken moet worden van een normale verhindering
in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW. Het
begrip normale verhindering is in deze wetsbepaling ingevoegd voor het
geval dat iemand na het sluiten van een arbeidsovereenkomst, doch nog
voor de dag, waarop de arbeid zou worden aangevangen, arbeidsongeschikt
wordt.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, op
andere gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene
wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de kosten van het geding,
aan de zijde van gedaagde wegens de haar verleende rechtsbijstand
begroot op € 644,- voor het geding in hoger beroep.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
griffierecht van € 414,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en
mr. G. van der Wiel en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in
tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 19 mei 2005.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) R.E. Lysen.
|
|