|
Uitspraak
03/3949 ZW en 03/3952 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden
hoger beroep ingesteld tegen een op 19 juni 2003 door de rechtbank
’s-Hertogenbosch tussen partijen gegeven uitspraak (reg.nrs. AWB
02/452 ZW en AWB 02/1591 WW), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Mr. C.P.M. Smit, werkzaam bij Bureau Rechtshulp Oss, heeft zich gesteld
als gemachtigde van gedaagde en een verweerschrift ingediend.
Mr. J.W. de Bruin, advocaat te Oss, heeft zich als opvolgend gemachtigde
gesteld en een aanvullend verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 maart 2005, waar
namens appellant is verschenen mr. J.A.M. Anedda, werkzaam bij het Uwv,
terwijl gedaagde - met voorafgaand bericht - niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde is op 11 januari 1999 in dienst getreden bij [werkgeefster] als
CAT-tekenaar en was laatstelijk werkzaam in een dienstbetrekking voor
onbepaalde tijd. Na een periode van arbeidsongeschiktheid die op 25
september 2000 is aangevangen, heeft zij in maart 2001 haar werk weer
hervat. Op donderdag 7 juni 2001 is zij overstuur naar huis gegaan na
een gesprek met haar werkgever. Vrijdag 8 juni 2001 heeft zij geprobeerd
zich ziek te melden bij het Uwv, waar zij kreeg te horen dat slechts
haar werkgever haar ziek kon melden. Gedaagde durfde zich niet ziek te
melden bij de werkgever. Maandag 11 juni 2001 heeft zij een gesprek
gevoerd op het kantoor van haar werkgever, waar zij een op donderdag 14 juni 2001 gedateerd document (hierna: het document) op verzoek van
haar werkgever voor ontvangst heeft getekend. De tekst op het document
luidt: “Hierbij voldoen wij aan uw verzoek de lopende
arbeidsovereenkomst per 14.6.2001 te beëindigen.”.
De werkgever heeft, kennelijk op verzoek van appellant, per fax van 13
juli 2001 een aangifte van arbeidsongeschiktheid van gedaagde gedaan,
waarbij als eerste arbeidsongeschiktheidsdag is vermeld 14 juni 2001. Op
de zogeheten “eigen verklaring” van gedaagde heeft zij gemeld sedert
7 juni 2001 overspannen/overwerkt te zijn.
Appellant heeft bij besluit van 17 augustus 2001 uitkering van
ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) geheel geweigerd gedurende de
periode dat gedaagde aanspraak op loon zou hebben kunnen doen gelden,
dan wel haar dienstbetrekking zou hebben kunnen voortduren, omdat
gedaagde een benadelingshandeling heeft gepleegd.
Bij besluit van 18 januari 2002 heeft appellant het bezwaar van gedaagde
ongegrond verklaard.
Gedaagde is op 1 november 2001 in dienst getreden van een andere
werkgever, die haar per 24 december 2001 in de proeftijd heeft
ontslagen. Appellant heeft bij besluit van 12 februari 2002 geweigerd
gedaagde met ingang van 24 december 2001 uitkering ingevolge de
Werkloosheidswet (WW) toe te kennen omdat gedaagde verwijtbaar werkloos
is geworden. Het bezwaar van gedaagde tegen deze beschikking heeft
appellant bij besluit van 16 mei 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van gedaagde tegen het besluit van 16 mei
2002 ongegrond verklaard (de WW-zaak) en het beroep van gedaagde tegen
het besluit van 18 januari 2002 gegrond, met vernietiging van dat
besluit en diverse nevenbeslissingen (de ZW-zaak). De rechtbank heeft
daarbij overwogen dat als de datum van de benadelingshandeling 11 juni
2001 moet worden aangemerkt en dat op dat moment het
arbeidsongeschiktheidsrisico nog niet was ingetreden.
Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld,
voorzover het de ZW-zaak betreft, en in hoger beroep gemotiveerd het
standpunt van de rechtbank bestreden. Volgens appellant is het
arbeidsongeschiktheidsrisico reeds op 7 juni 2001 ingetreden en is
daarvoor onder meer steun te vinden in de verklaring van [betrokkene]
van 7 november 2001 dat gedaagde wegens een depressieve toestand in de
periode 8 tot 14 juni 2001 niet tot werken in staat was. Gedaagde heeft
zich primair op het standpunt gesteld dat zij geen benadelingshandeling
heeft gepleegd en subsidiair dat zij minder verwijtbaar heeft gehandeld.
De Raad overweegt het volgende.
In geding is slechts de weigering van appellant gedaagde uitkering van
ziekengeld te verstrekken.
Anders dan de rechtbank en met appellant is de Raad van oordeel dat voor
de bepaling van het ontstaan van het arbeidsongeschiktheidsrisico niet
moet worden uitgegaan van de datum met ingang waarvan een werkgever een
werknemer formeel ziek meldt, maar van het moment waarop een werknemer
daadwerkelijk ongeschikt is geworden zijn arbeid te verrichten. De Raad
kan zich eveneens verenigen met het standpunt van appellant dat gedaagde
op 7 juni 2001 arbeidsongeschikt is geworden. Voor dit standpunt vindt
de Raad steun in de omstandigheden dat gedaagde op 7 juni 2001 overstuur
haar werk heeft verlaten, dat zij geprobeerd heeft zich op 8 juni 2001
bij appellant ziek te melden, dat zij in de zogeheten “eigen
verklaring” heeft aangegeven sedert 7 juni 2001 arbeidsongeschikt te
zijn en dat haar huisarts heeft verklaard dat gedaagde van 8 juni tot 14
juni 2001 in een depressieve toestand verkeerde met spanningsklachten.
Het arbeidsongeschiktheidsrisico was derhalve ingetreden toen gedaagde
op maandag 11 juni 2001 het document tekende op basis waarvan per 14
juni 2001 een einde aan haar dienstbetrekking kwam. Dusdoende heeft
gedaagde een benadelingshandeling gepleegd als bedoeld in artikel 45,
eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW. Hoewel de Raad zich kan
voorstellen dat gedaagde door haar superieuren onder druk is gezet om
het document te tekenen, heeft gedaagde de Raad niet kunnen overtuigen
van het feit dat zij zich in het geheel niet bewust was van het feit dat
zij door tekening van het document een einde aan haar dienstbetrekking
maakte. De tekst op het document is niet voor tweeërlei uitleg vatbaar,
terwijl evenmin is komen vast te staan dat gedaagde op psychische
gronden in een dusdanige toestand verkeerde dat haar geen enkel verwijt
van haar handelen kan worden gemaakt.
De Raad ziet evenmin aanleiding om een verminderde verwijtbaarheid aan
te nemen. De stelling dat te verwachten viel dat gedaagde, indien zij
het document niet zou hebben ondertekend, normaal gesproken (zeer) korte
tijd later toch door haar werkgever, maar dan in het kader van
reorganisatie, zou zijn ontslagen wijst de Raad als niet onderbouwd en
te speculatief af.
Tenslotte oordeelt dat de Raad dat, gelet op de door appellant
aangevoerde omstandigheden, geen sprake is van dringende redenen als
bedoeld in artikel 45, vierde lid, van de ZW.
Het bovenoverwogene voert de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep
slaagt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Verklaart het inleidend beroep in zoverre ongegrond.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid
van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 4 mei 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|