|
Uitspraak
03/4787 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 12 februari 2002 is appellant vanwege gedaagde in kennis
gesteld van een besluit, waarbij aan hem met ingang van 12 februari 2002
geen ziekengeld meer is toegekend, omdat hij op en na deze datum niet
langer arbeidsongeschikt werd geacht.
Bij besluit van 26 september 2002 (hierna: het bestreden besluit) is het
bezwaar van appellant tegen voormeld besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 20 augustus 2003
(AWB 02/4139 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
Namens appellant is mr. J.G.P. de Wit, advocaat te ’s-Gravenhage, van
die uitspraak in hoger beroep gekomen. Bij aanvullend beroepschrift van
10 november 2003 (met bijlage) heeft mr. J.L. Plokker, kantoorgenoot van
mr. De Wit voornoemd, de gronden voor het hoger beroep aangevoerd.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 april 2005, waar
appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door A.M. Snijders, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de feiten en omstandigheden die in de aangevallen
uitspraak als volgt zijn weergegeven (appellant is daarbij aangeduid als
eiser):
“Eiser is als agrarisch medewerker werkzaam geweest. Op 7 januari 2000
heeft hij vanwege klachten als gevolg van een hartinfarct ziek gemeld.
In het kader van een beoordeling op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is eiser per 8 januari 2001 in
aanmerking gebracht voor een uitkering, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Per genoemde datum is eiser niet
meer voor zijn eigen werk geschikt geacht, maar hij is wel in staat
geacht de aan hem voorgehouden functies, zoals de functie van naaister/stikster meubelbekleding, te verrichten. Daarnaast is eiser in
aanmerking gebracht voor een uitkering krachtens de Werkloosheidswet. In
het kader van een eerstejaars WAO-herbeoordeling is eiser op 1 december
2001 door de verzekeringsarts onderzocht, die eiser onder meer op de
psychische belastende factoren, werken onder tijdsdruk (28 A) en
conflicthantering (28 E), beperkt heeft geacht. Nadat vervolgens een
arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden, is de mate van
arbeidsongeschiktheid van eiser ongewijzigd op 15 tot 25% vastgesteld.
In het kader van die herbeoordeling is eiser ook geschikt geacht voor
passende functies, onder meer (wederom) de functie van naaister/stikster
meubelbekleding. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij tegen de
besluiten, waarbij zijn mate van arbeidsongeschiktheid (ongewijzigd) op
15 tot 25% is vastgesteld, geen rechtsmiddelen heeft aangewend.
Inmiddels had eiser zich op 11 december 2001 vanwege spanningsklachten,
maag-, rug-, schouderklachten, alsmede klachten in de borst opnieuw
ziekgemeld.”
In dit geding is aan de orde de vraag of gedaagde terecht heeft besloten
om aan appellant terzake van het ziektegeval van 11 december 2001 met
ingang van 12 februari 2002 geen ziekengeld meer toe te kennen, omdat
hij op en na deze datum niet ongeschikt was tot het verrichten van zijn
arbeid.
Ingevolge artikel 19, eerste lid van de ZW zoals deze bepaling luidde
ten tijde hier in geding, heeft de verzekerde - voorzover hier van
belang - bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van
de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de
ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval
als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na
gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen blijvend
ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als
maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij
de beoordeling van betrokkenes aanspraak op uitkering ingevolge de WAO.
Het vorenstaande betekent dat terzake van het ziektegeval van 11
december 2001 als maatstaf dient te worden aangelegd de arbeid verbonden
aan de functies die voor appellant in het kader van de WAO per 8 januari
2001 als passend zijn aangemerkt. Nu evenvermelde concretisering in het
kader van de WAO betekent, dat een aantal functies ieder afzonderlijk
voor de betrokken verzekerde geschikt is geacht, dient onder “zijn”
arbeid in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan elk van
deze functies afzonderlijk.
De rechtbank heeft de hiervoor opgeworpen vraag bevestigend beantwoord
en daarbij overwogen dat de hersteldverklaring per 11 februari 2002 in
elk geval wordt gedragen door de geschiktheid van de functie naaister/stikster meubelkleding.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft
de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, met dien verstande dat -
anders dan de rechtbank heeft aangenomen - maatgevend is de functie van
naaister/stikster meubelkleding, zoals vermeld in een arbeidskundig
rapport van 10 april 2001. Aangezien deze functie, zoals ter zitting van
de Raad door gedaagdes gemachtigde nog nader is toegelicht, geheel
overeenstemt met de in januari 2002 bij de herbeoordeling in het kader
van de WAO aan de orde gestelde functie naaister/stikster meubelkleding,
leidt dit voorbehoud niet tot een andere conclusie.
Het in hoger beroep overgelegde rapport van 12 september 2003 van R.
Soylu, psychiater te Den Haag, vormt voor de Raad geen reden voor een
andersluidend oordeel. De Raad wijst erop dat bezwaarverzekeringsarts J.H.
Logger kennis heeft genomen van een brief van 4 juni 2002 van
psychomedisch centrum Parnassia en dat daarin reeds melding wordt
gemaakt van de door psychiater Soylu vermelde agressieproblematiek. Nu
daarmee rekening is gehouden werpt voormelde brief naar het oordeel van
de Raad geen wezenlijk ander licht op appellants gezondheidstoestand ten
tijde in geding. De ter zitting van de Raad door appellant - met
instemming van gedaagdes gemachtigde - overgelegde brieven van de
behandelend sector vormen eveneens geen reden voor een andersluidend
oordeel. De Raad merkt naar aanleiding hiervan nog op dat de namens
cardioloog J. Kolff geschreven brief van 3 februari 2000 zich al in het
dossier bevindt en destijds is betrokken bij de schatting in het kader
van de WAO per 8 januari 2001. De overige ter zitting van de Raad
overgelegde brieven van de behandelend sector hebben geen betrekking op
de datum in geding.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als
bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid
van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 mei
2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J. Verrips.
|
|