|
Uitspraak
03/4572 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. B.J. Manspeaker, advocaat te Dordrecht, op
bij aanvullend beroepschrift met bijlagen aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Dordrecht onder dagtekening
8 augustus 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder
nummer AWB 02/422.
Ter aanvulling op het aanvullend beroepschrift heeft de gemachtigde van
appellant een nader medisch stuk ingezonden.
Gedaagde heeft een verweerschrift en vervolgens een aanvullend
verweerschrift met bijlage ingediend.
Op verzoek van de Raad heeft gedaagde een ontbrekend stuk ingezonden.
De gemachtigde van appellant heeft de Raad nog een aantal medische
stukken doen toekomen. Van enkele van die stukken, gesteld in de Turkse
taal, zijn naderhand Nederlandse vertalingen ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 mei 2005, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Manspeaker, en
waar namens gedaagde is verschenen mr. P.C.M. Huijzer, werkzaam bij het
Uwv.
II. MOTIVERING
In dit geding staat ter beantwoording de vraag of de rechtbank kan
worden gevolgd in haar oordeel dat het besluit van gedaagde van 23 april
2002, hierna: het bestreden besluit, in rechte stand kan houden.
Bij dat besluit heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van
appellant tegen het besluit van 20 februari 2002, waarbij gedaagde heeft
geweigerd om met ingang van diezelfde datum appellant in aanmerking te
brengen voor verdere uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).
De Raad overweegt als volgt.
Uit de aan evengenoemde besluiten ten grondslag liggende stukken komt
naar voren dat appellant, die op dat moment een uitkering ontving
ingevolge de Werkloosheidswet (WW), zich op 11 december 2001 bij
gedaagde heeft ziek gemeld met klachten als gevolg van lumbago. Gedaagdes
verzekeringsarts is, naar blijkt uit een rapport van 19 februari 2002,
tot de conclusie gekomen dat appellant mogelijk korte tijd toegenomen
arbeidsongeschikt is geweest in verband met acute lumbago, maar dat
thans bij - het op diezelfde datum gehouden - medisch onderzoek een
soepele rugfunctie wordt gezien, geen radiculaire symptomen en geen
beperkingen.
Bij het primaire besluit van 20 februari 2002 is daarom met ingang van
diezelfde datum aan appellant verder ziekengeld ontzegd om reden dat hij
met ingang van die datum weer geschikt was te achten voor zijn arbeid,
zijnde de functies die eerder waren gebruikt bij een beoordeling van
appellants aanspraak op uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 18 juni 2001. Bij
die WAO-beoordeling was appellant niet langer geschikt bevonden voor de
eigen maatgevende werkzaamheden als productiemedewerker, maar nog
wel in staat geacht om werkzaamheden te verrichten als verbonden aan
diverse bij raadpleging van het Functie Informatie Systeem geselecteerde
andere loondienstfuncties. Die beoordeling heeft toen geresulteerd in
een besluit van 31 oktober 2001, waarbij gedaagde heeft geweigerd om
appellant met ingang van 18 juni 2001 in aanmerking te brengen voor een
WAO-uitkering. Appellant, die daarna niet meer heeft gewerkt, is
vervolgens in aanmerking gebracht voor de hiervoor vermelde
WW-uitkering.
Namens appellant is in bezwaar in het bijzonder aangevoerd dat ten
onrechte geen rekening is gehouden met zijn psychische klachten.
Gedaagdes bezwaarverzekeringsarts heeft een onderzoek ingesteld waarvan,
naast een eigen medisch onderzoek, ook deel uitmaakte het inwinnen van
informatie bij de huisarts van appellant en de behandelend zenuwarts
B.J.M. Franssen. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat de
primaire verzekeringsarts wat betreft de somatiek een juiste conclusie
heeft getrokken, maar dat op het psychische vlak voor appellant nog een
beperking van toepassing is ten aanzien van het aspect
conflicthantering. In verband hiermee dient een van de destijds bij de
WAO-beoordeling gebruikte functies - die van chauffeur bestelauto - te
vervallen, maar zijn de overige (vier) functies onverminderd geschikt te
achten. Bij het bestreden besluit is om die reden het tegen het primaire
besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft geen grond aanwezig gebracht voor het oordeel dat
gedaagde de conclusies van zijn bezwaarverzekeringsarts niet had mogen
overnemen. Met name heeft de rechtbank in de namens appellant
overgelegde stukken - een brief van appellants huisarts alsmede de brief
van 7 juli 2002 van de zenuwarts Franssen - niet kunnen lezen dat voor
appellant, zoals hijzelf heeft doen stellen, meer psychische beperkingen
gelden dat de hiervoor genoemde beperking op het deelaspect
conflicthantering.
Appellant heeft zijn grieven in hoger beroep gehandhaafd. In het
bijzonder heeft hij staande gehouden als gevolg van zijn psychische
beperkingen volledig arbeidsongeschikt te zijn.
De Raad ziet deze grieven niet slagen, bij gebreke aan een toereikende
objectief medische onderbouwing daarvoor. Ook in de namens appellant in
hoger beroep overgelegde stukken is een dergelijke onderbouwing niet te
vinden. In dat kader overweegt de Raad dat hij zich geheel kan verenigen
met de beschouwingen van gedaagdes bezwaarverzekeringsarts J. van der
Stoep, als vervat in diens rapport van 9 december 2003. Die
beschouwingen komen erop neer dat de brieven van de zenuwarts Franssen
van 29 augustus 2003 en 7 november 2003 - evenals de vorige brieven van
die arts - een beschrijving van de objectiveerbare symptomatologie in
psychiatrische zin ontberen en overigens dateren van ruime tijd na de in
dit geding ter beoordeling voorliggende datum 20 februari 2002, en dat
de brief van de Regionale Sociale Dienst van de gemeente Alblasserwaard/Vijfheerenlanden
van 16 september 2003, betreffende een ontheffing op medische gronden
van de verplichting van appellant om in het kader van diens aanspraken
op een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet naar passende
arbeid te solliciteren, evenmin betekenis toekomt, nu een onderliggend
medisch rapport ontbreekt, voorts niet bekend is aan de hand van welke
criteria die beoordeling heeft plaatsgevonden en ook ten aanzien van die
brief geldt dat hij dateert van geruime tijd na de datum in geding.
Ook ten aanzien van de overige in hoger beroep ingebrachte medische
gegevens, waarvan in het bijzonder de uit Turkije afkomstige gegevens,
geldt dat deze geen aanwijzingen in objectief medische zin bevatten dat
appellant op de in dit geding aan de orde zijnde datum meer of
anderszins beperkt was dan de beperkingen die gedaagde bij zijn
besluitvorming tot uitgangspunt heeft genomen.
Ten slotte faalt ook de namens appellant in hoger beroep herhaalde grief
dat gedaagde heeft verzuimd om de functies die destijds bij de
WAO-beoordeling zijn gebruikt en die, als hiervoor weergegeven, thans in
het kader van de voorliggende beoordeling van zijn aanspraken op verdere
uitkering ingevolge de ZW de maatstaf vormen waarnaar die aanspraken
zijn beoordeeld, te actualiseren naar de datum 20 februari 2002. De Raad
volstaat in dit verband met een verwijzing naar zijn uitspraak van 6
augustus 2002, gepubliceerd in RSV 2002/254, waarin de Raad heeft blijk
gegeven van zijn opvatting dat in gevallen als het onderhavige geen
ruimte wordt gezien als eis te stellen dat middels actualisering wordt
aangetoond dat de in het verleden geselecteerde functies nog bestaan ten
tijde van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de ZW.
Uit het vorenoverwogene volgt dat de in de aanhef van deze rubriek
geformuleerde rechtsvraag bevestigend moet worden beantwoord. De
aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid
van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 6 juli 2005.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|