|
Uitspraak
03/5742 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 10 januari 2003 is appellante vanwege gedaagde in kennis
gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit (hierna: het
bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).
De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 31 oktober 2003 (03/80 ZW)
het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te
Zoetermeer, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak
in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van appellante heeft de Raad nog stukken doen toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van 29 juni 2005, waar appellante is
verschenen bij gemachtigde P.J. Reeser voornoemd, en waar gedaagde zich
heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.M. de Groot, werkzaam bij het
Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante, die in het verleden werkzaam is geweest als inpakster,
ontving sinds eind december 1995 wegens rugklachten een volledige
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Na een vijfjaarlijkse herbeoordeling,
waarbij zij in staat werd geacht om in regelmatige werktijden niet
rugbelastende werkzaamheden te verrichten, waarmee zij een zodanig
inkomen kon verdienen dat zij niet langer arbeidsongeschikt werd geacht,
is de arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van 29 december 2000
ingetrokken.
Appellante is laatstelijk sinds 17 september 2001 weer werkzaam geweest
als inpakster en heeft zich na een eerdere ziekmelding op 25 april 2002
ziek gemeld. Terzake van dit ziektegeval is appellante op 31 oktober
2002 gezien door een verzekeringsarts. Zij had toen nog klachten van de
rechter hand, waaraan in mei 2002 een operatie had plaatsgevonden. De
verzekeringsarts heeft na onderzoek en gelet op de door de behandelend
neuroloog bij brief van 18 oktober 2002 verstrekte informatie,
appellante met ingang van 4 november 2002 hersteld verklaard.
Bij besluit van 1 november 2002 is aan appellante dienovereenkomstig met
ingang van 4 november 2002 geen ziekengeld meer toegekend.
In de bezwaarfase is appellante gezien door bezwaarverzekeringsarts L.
Greveling, die in aanmerking nemend dat appellant laatstelijk inpakwerk
had verricht waarbij de rechter pols/elleboog niet werd belast, haar
eveneens niet langer ongeschikt achtte voor dit werk.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar dan ook ongegrond verklaard.
De Raad staat in dit geding voor de beantwoording van de vraag of aan
appellante terecht met ingang van 4 november 2002 geen ziekengeld meer
is toegekend.
De rechtbank heeft die vraag bevestigend bentwoord en daarbij met name
betekenis toegekend aan de bevindingen van de betrokken
verzekeringsartsen. De Raad verenigt zich met het oordeel van de
rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde
overwegingen. In dit verband wijst de Raad er nogmaals op dat de
primaire verzekeringsarts blijkens zijn rapport van 31 oktober 2002
beschikt over informatie van de behandelend neuroloog. In diens brief
van 18 oktober 2002 wordt reeds melding gemaakt van drukneuropathie van
de nervus ulnaris. Met de hieruit voortvloeiende klachten is dan ook
rekening gehouden bij de hersteldverklaring per 4 november 2002.
De in hoger beroep overgelegde brieven van neurochirurg Verhagen wijzen
uit dat appellante geruime tijde na de hier in geding zijnde datum en
wel op 23 september 2003 opnieuw een operatie in verband met een ulnaris
neuropathie rechts heeft ondergaan. Dit neemt echter niet weg dat mede
gelet op voormelde brief van de behandelend neuroloog appellante destijds
op goede gronden hersteld is verklaard.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van J. Verrips
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J. Verrips.
|
|