|
Uitspraak
04/2499 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Bij brief van 5 juni 2003 is gedaagde vanwege appellant in kennis
gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: het
bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 26 maart 2004 (ZW
03/2100) het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat
besluit vernietigd.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Appellant heeft de Raad bij brief van 24 maart 2005 een ten aanzien van
gedaagde ter uitvoering van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) genomen besluit van 10 maart
2005 - met bijlage - doen toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 augustus 2005,
waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers,
werkzaam bij het Uwv, en waar namens gedaagde is verschenen mr. R.M.T.
van Diepen, advocaat te Amsterdam.
II. MOTIVERING
Naar uit de gedingstukken blijkt is op een door gedaagde in 1999 bij
appellant ingediende aanvraag om uitkering ingevolge de WAO afwijzend
beslist. Zij werd per 17 februari 2000 niet arbeidsongeschikt geacht.
Per 23 oktober 2000 heeft gedaagde zich vanuit een uitkeringssituatie
ingevolge de Werkloosheidswet opnieuw wegens toegenomen klachten
arbeidsongeschikt gemeld. Naar aanleiding hiervan is aan haar met
toepassing van artikel 43a van de WAO met ingang van 20 november 2000
een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij hetzelfde besluit is deze
uitkering met ingang van 12 maart 2002 ingetrokken, omdat gedaagde niet
langer arbeidsongeschikt werd geacht.
Op 3 maart 2003 heeft gedaagde zich vanuit een uitkeringssituatie
ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld met recidiverende depressieve
klachten en verschillende lichamelijke klachten. Terzake van dit
ziektegeval is gedaagde op 14 april 2003 gezien door een
verzekeringsarts, die bij onderzoek weinig objectiveerbare lichamelijke
klachten vaststelde, met daarbij mogelijk wel een grote lijdensdruk met
somatisatie, en de in het verleden vastgestelde beperkingen in dezelfde
mate aanwezig achtte. Gedaagde werd geschikt geacht voor de haar in het
verleden voorgehouden functies en dienovereenkomstig is aan haar bij
besluit van 23 april 2003 met ingang van 14 april 2003 geen ziekengeld
meer toegekend.
In de bezwaarfase is gedaagde gezien door een bezwaarverzekeringsarts,
die na onderzoek en mede op grond van inlichtingen van de behandelend
sector concludeerde dat in de fysieke en psychische beperkingen van
gedaagde geen grond gelegen was om haar niet in staat te achten vier van
de vorenbedoelde functies te vervullen.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar van gedaagde tegen voormeld
besluit ongegrond verklaard.
In eerste aanleg is namens gedaagde, naast grieven tegen de eerdere
intrekking van de WAO-uitkering per 12 maart 2002, aangevoerd dat in het
bestreden besluit ten onrechte niet is beslist op hetgeen bij
bezwaarschrift was aangevoerd, te weten dat is nagelaten toepassing te
geven aan artikel 43a van de WAO (Wet Amber).
De rechtbank heeft deze grief gehonoreerd en bij de aangevallen
uitspraak overwogen dat appellant naar aanleiding van de ziekmelding van
3 maart 2003 een besluit had moeten nemen, waarbij aan gedaagde met
ingang van 31 maart 2003 een uitkering ingevolge de WAO was toegekend
dan wel geweigerd. Naar het oordeel van de rechtbank was een beoordeling
van de aanspraken van gedaagde krachtens de Ziektewet per 14 april 2003
niet aan de orde, zodat het primaire en het bestreden besluit een
inadequate reactie vormden op die ziekmelding.
De rechtbank heeft op grond van deze overwegingen het bestreden besluit
vernietigd.
Appellant kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en
heeft bij aanvullend beroepschrift onder meer het navolgend aangevoerd:
“Naar onze mening is de opvatting van de rechtbank dat er geen
ZW-aanspraken meer zijn onjuist. Nadat er een periode van vier weken is
verstreken, is er geen einde wachttijd ZW bereikt. Dat valt niet af te
leiden uit artikel 29 ZW, waarin onder meer is bepaald, dat geen
ziekengeld wordt uitgekeerd nadat een tijdvak van 52 weken van
ongeschiktheid tot werken is verstreken. Voorts is in artikel 32a ZW de
samenloop tussen recht op ziekengeld en recht op WAO op grond van
artikel 43a geregeld. Hieruit valt af te leiden dat er ook na afloop van
de periode van vier weken een aanspraak op ziekengeld kan bestaan. Het
is derhalve niet onjuist om een beslissing te nemen over het recht op
ziekengeld, ook nadat de periode van vier weken is verstreken. Daarnaast
wordt nog opgemerkt - zoals ook in bezwaar en in beroep is gemeld - dat de naar voren gebrachte argumenten die betrekking hebben op de WAO
een beslissing in het kader van de ZW niet in de weg staan.
In het aanvullend bezwaarschrift van 19 mei 2003 wordt door de
gemachtigde de vraag gesteld waarom Amber niet is toegepast, hetgeen
volgens haar wel had moeten gebeuren.
In beroep heeft zij dit standpunt herhaald. Daarover merken wij op dat
uit de stukken niet blijkt dat [gedaagde] met haar ziekmelding bij de
afdeling WW de bedoeling heeft gehad om een WAO-uitkering (op grond van
Amber) aan te vragen.”
De Raad onderschrijft hetgeen appellant in overeenstemming met de
jurisprudentie van de Raad heeft aangevoerd ( zie onder meer de
uitspraak van de Raad van 6 augustus 2002, LJN AE7220). Toen gedaagde
zich op 3 maart 2003 ziek meldde ontving zij een werkloosheidsuitkering,
zodat zij verzekerd was ingevolge de Ziektewet en aanspraak kon maken op
ziekengeld. Appellant heeft de onderhavige ziekmelding derhalve terecht
in het kader van deze wet beoordeeld. Het besluit van 23 april 2003 tot
beëindiging van het ziekengeld per 14 april 2003 is dan ook genomen ter
uitvoering van de Ziektewet. Naar het oordeel van de Raad heeft de
rechtbank, gelet op het bepaalde in de artikelen 7:11 en 8:69 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb), in dit geding waarin een besluit ter
uitvoering van de Ziektewet aan de orde is, ten onrechte de aanspraken
van gedaagde op toekenning van een uitkering ingevolge de WAO betrokken.
Dat appellant naar aanleiding van de onderhavige ziekmelding inmiddels
ook een besluit in het kader van de WAO heeft genomen kan hieraan niet
afdoen.
In aansluiting op het vorenstaande merkt de Raad nog op dat dit besluit
niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:18
van de Awb.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden
vernietigd en dat het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden
verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als
bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid
van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28
september 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M. Gunter.
|
|