|
Uitspraak
03/6334 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 15 januari 2003 heeft appellant ongegrond verklaard het
bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 10 september 2002 waarbij
appellant gedaagde een boete van € 227,- heeft opgelegd.
De rechtbank Zwolle heeft bij uitspraak van 19 november 2003, reg.nr.
AWB 03/234, het beroep van gedaagde tegen het besluit van 15 januari
2003 (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard, dat besluit
vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen
met inachtneming van de uitspraak, met bepalingen omtrent proceskosten
en griffierecht.
Appellant is van die uitspraak op bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is - gevoegd met zaak 04/461 ZW - behandeld ter zitting van
de Raad op 2 november 2005, waar namens appellant is verschenen mr. R.W.F.
Mezenberg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv), en waar gedaagde, met kennisgeving, niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Op dit geding zijn de bepalingen van de Ziektewet (ZW) van toepassing
zoals deze ten tijde in geding luidden.
Op 23 juli 2002 ontving appellant van gedaagde de hersteldmelding
betreffende werknemer F., welke melding 12 kalenderdagen te laat was
gedaan. Bij brief van 24 augustus 2002 heeft appellant gedaagde in
kennis gesteld van zijn voornemen gedaagde een boete van € 227,- op te
leggen, omdat gedaagde niet had voldaan aan de in de ZW neergelegde
verplichting de hersteldatum van een eerder ziek gemelde werknemer
tijdig aan appellant te melden. Nadat gedaagde geen reden voor de
overtreding had opgegeven, heeft appellant gedaagde bij besluit van 10
september 2002 een boete van € 227,- opgelegd. Daarbij heeft appellant toepassing gegeven aan het
Besluit boete ZW/WAO werkgevers 2002 (Stcrt. 2002, 112, in werking
getreden op 19 juni 2002), hierna: het Besluit.
In bezwaar heeft gedaagde de uitspraak van deze Raad van 6 november
2001, LJN AD6379, aangehaald, naar aanleiding waarvan appellant het
Besluit heeft genomen. Gedaagde heeft onder meer aangevoerd dat in het
Besluit slechts de verplichting die is neergelegd in de artikelen 45a
van de ZW en 29a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) is overgenomen. Nadere regels omtrent deze materie zijn echter
niet gesteld met als gevolg dat er geen afwegingskader is. Het Besluit
voldoet daarom nog steeds niet aan genoemde wettelijke bepalingen.
Beschikkingen, genomen op grond van het Besluit, ontberen nog steeds een
wettelijke grondslag. De boete had dan ook niet opgelegd mogen worden.
In het bestreden besluit wijst appellant op de verplichting van artikel
38, vierde lid, van de ZW, om de werkgever bij het niet naleven van de
verplichting van artikel 38, derde lid, van de ZW een boete op te leggen
van maximaal € 454,-. Op grond van artikel 38, vierde lid, van de ZW
is het Besluit opgesteld. Nu de hersteldmelding 12 kalenderdagen te laat
is gedaan, dient appellant gedaagde een boete op te leggen. Appellant
heeft geen aanleiding gezien om de opgelegde boete te matigen. In de
toelichting op het Besluit is expliciet vermeld dat het Besluit in
overeenstemming is gebracht met het wettelijk voorschrift om de boete
die is opgelegd nader af te stemmen op de ernst van de gedraging, de
mate waarin de werkgever de gedraging kan worden verweten en de
omstandigheden waarin de werkgever verkeert, alsmede met het wettelijk
voorschrift om geen boete op te leggen indien elke vorm van
verwijtbaarheid ontbreekt. Met het Besluit zijn wel degelijk nadere
regels gesteld. Appellant is daarom van mening dat met het Besluit is
tegemoetgekomen aan artikel 45a, tweede lid, van de ZW. Nu niet is
gebleken van dringende redenen die aanleiding zouden kunnen of moeten
zijn om geheel of gedeeltelijk af te zien van boeteoplegging, handhaaft
appellant de opgelegde boete. Appellant verklaart het bezwaar ongegrond.
Gedaagde heeft in beroep tegen het bestreden besluit in essentie
dezelfde argumenten aangevoerd als in bezwaar. Gedaagde wijst voorts op
de uitspraak van deze Raad van 5 juni 2002, LJN AE6184, waarin de Raad heeft geoordeeld dat het
Boetebesluit 1997 strijdig was met de wet en dus buiten toepassing moest
blijven.
Ter zitting van de rechtbank is van de zijde van appellant toegelicht
dat appellant de beleidsregels in de vorm van het Besluit heeft
vastgesteld, omdat de nadere regels in de vorm van een algemene
maatregel van bestuur (AMvB) zoals bedoeld in artikel 45a, zevende lid,
van de ZW uitbleven.
De rechtbank heeft overwogen dat, nu ten tijde van belang de uitwerking
van het bepaalde in artikel 38, vierde lid, juncto artikel 45a, zevende
lid, van de ZW niet heeft plaatsgevonden op de wijze waartoe de wet
opdracht heeft gegeven, de bepalingen van het Besluit buiten toepassing
dienen te worden gelaten. Dat het geformuleerde beleid overeenkomt met
de later in werking getreden AMvB maakt dit niet anders. De rechtbank
heeft het bestreden besluit vernietigd wegens het ontbreken van een
deugdelijke grondslag.
In hoger beroep wijst appellant er onder meer op dat de wet in bepaalde
situaties het opleggen van een boete dwingend voorschrijft en haalt
voorts de Nota van Toelichting bij het Besluit van 23 augustus 2002
(Stb. 2002, 456) tot wijziging van het Boetebesluit
socialezekerheidswetten (Stb. 2000, 462, hierna: het Boetebesluit) aan.
Appellant onderschrijft de opvatting van de Staatssecretaris dat het
(vooralsnog) ontbreken sedert 1 februari 2001 van nadere regels bij AMvB
er niet aan in de weg stond
dat appellant in voorkomende gevallen boetes aan werkgevers kon
opleggen. Het Besluit past volgens appellant geheel binnen het
wettelijke kader zoals dat door de Raad nader omschreven was in de
uitspraak van 6 november 2001. Met name voorziet het Besluit, anders dan
het besluit van appellants rechtsvoorganger uit 1997, in een afstemming
van de op te leggen boeten op de mate van verwijtbaarheid bij de
werkgever terzake van het geconstateerde verzuim. Het Besluit biedt
derhalve volgens appellant een goede basis voor de juiste afstemming van
boeten die appellant verplicht was aan werkgevers op te leggen op grond
van artikel 38 van de ZW. Appellant verzoekt de Raad de uitspraak van de
rechtbank te vernietigen en het inleidend beroep van gedaagde alsnog
ongegrond te verklaren.
Gedaagde heeft in het verweerschrift haar eerder in bezwaar en beroep
aangevoerde stellingen herhaald. Daaraan heeft gedaagde toegevoegd dat,
juist nu het hier gaat om een punitieve sanctie, appellant niet de
discretionaire bevoegdheid had nadere regels in beleidsregels vast te
leggen. Gedaagde acht dit in strijd met de wet en daarmee met het
legaliteitsbeginsel alsmede met de Grondwet en internationale verdragen.
De Raad overweegt als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad gaat er, met de
rechtbank, van uit dat sprake is van een te late hersteldmelding in de
zin van artikel 38, derde lid, van de ZW en dat appellant op grond van
artikel 38, vierde lid, van de ZW gehouden was de werkgever een boete op
te leggen van ten hoogste € 454,-. Vaststaat voorts dat ten tijde hier
in geding niet bij of krachtens AMvB nadere regels waren gesteld met
betrekking tot de afstemming van de aan een werkgever op te leggen boete
op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
omstandigheden waarin die werkgever verkeert. In het op 1 februari 2001
in werking getreden Boetebesluit zijn immers eerst per 11 september 2002 regels opgenomen met betrekking tot de oplegging van
boeten aan werkgevers (Stb. 2002, 456). Aan de Nota van Toelichting op
die regels ontleent de Raad het volgende. De belangrijkste reden voor de
keuze om nog geen nadere regels te stellen met betrekking tot de boeten
aan werkgevers was dat er op dat moment nog onzekerheid bestond over
mogelijke wijzigingen in de relevante wettelijke verplichtingen voor
werkgevers als gevolg van de toen nog in voorbereiding zijnde Wet
verbetering poortwachter. Gemeend werd dat enig uitstel geen problemen
zou opleveren, omdat het Uwv ingevolge de betreffende wetten
rechtstreeks wettelijk verplicht is (verwijtbare) overtredingen te
beboeten. Deze verplichting geldt ook als er geen nadere regels bij AMvB
zijn gegeven. Een goede uitvoering van deze wettelijke taak zou door het
uitstel evenmin belemmerd kunnen worden, omdat de rechtsvoorganger van
gedaagde de in 1997 door hemzelf daartoe uitgewerkte regels zou kunnen
blijven uitvoeren. Dit heeft het uitvoeringsorgaan vanaf 1 februari 2001
inderdaad gedaan. De rechtsopvolger, het Uwv, heeft de toepassing van
die regels voortgezet en vervolgens in aansluiting daarop zijn eigen
beleidsregels in de vorm van het hier in geding zijnde Besluit
vastgesteld.
De Raad overweegt dat in artikel 38, vierde lid, van de ZW weliswaar de
wettelijke grondslag voor de oplegging van een aan een maximum gebonden
boete aan de werkgever is gegeven, maar dat neemt niet weg dat de
afstemming daarvan ingevolge artikel 45a, zevende lid, van de ZW dient
plaats te vinden op grond van bij of krachtens AMvB gestelde nadere
regels. De door gedaagde in het Besluit vastgestelde beleidsregels
kunnen naar het oordeel van de Raad niet in de plaats treden van de
wettelijk voorgeschreven nadere regels. Aan het Besluit ontbreekt dan
ook een deugdelijke grondslag. Het daarop gebaseerde bestreden besluit
kan derhalve geen stand houden. De aangevallen uitspraak komt voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van
gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor
verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een
griffierecht van € 422,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid
van J.P. Mulder als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15
februari 2006.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.P. Mulder.
|
|