|
Uitspraak meervoudige kamer 04/1859 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
Aan het geding heeft voorts deelgenomen:
[werknemer], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: de werknemer
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 23 oktober 2002 heeft gedaagde bepaald dat de werknemer
ter zake van de ongeschiktheid tot werken aangevangen op 9 oktober 2002
geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) omdat hij
recht heeft op loondoorbetaling.
Bij besluit op bezwaar van 6 februari 2003 heeft gedaagde het verzoek
van appellante om verlenging van de termijn ingevolge artikel 29b van de
ZW afgewezen.
Bij besluit op bezwaar van 9 mei 2003, hierna: het bestreden besluit,
heeft gedaagde de bezwaren tegen de besluiten van 23 oktober 2002 en 6
februari 2003 ongegrond verklaard.
De rechtbank Zwolle heeft bij uitspraak van 8 maart 2004, nummer AWB
03/798 ZW, de beroepen tegen het besluit van 9 mei 2003 ongegrond
verklaard.
Namens appellante heeft J. Zwanepol, verbonden aan de Landelijke
vereniging van Arbeidsongeschikten, tegen die uitspraak hoger beroep
ingesteld.
De werknemer heeft desgevraagd laten weten als partij aan het geding te
willen deelnemen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 januari 2006, waar
voor appellante is verschenen [betrokkene], bijgestaan door Zwanepol,
voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen drs. H. ten Brinke,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Werknemer [werknemer] is niet verschenen doch heeft zich eveneens doen
vertegenwoordigen door Zwanepol.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Werknemer is verstandelijk gehandicapt en lijdt aan epilepsie en
chronische urethritis.
In het kader van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, respectievelijk
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) is
werknemer door gedaagde volledig arbeidsongeschikt geacht. Werknemer
heeft als arbeidsgehandicapte persoonlijke ondersteuning gekregen en
deze jobcoaching, verzorgd door de Stichting Rozij Werk, heeft ertoe geleid dat werknemer sedert 1987 op de
vrije arbeidsmarkt werkzaam is. Laatstelijk is hij op 1 juni 1997 in
dienst getreden bij appellante tegen een loonwaarde van 40%, in verband
waarmee zijn uitkering ingevolge de Wajong
slechts gedeeltelijk wordt
uitbetaald. Op 10 september 2001 heeft werknemer zich ziek gemeld met
surmenageklachten en heeft gedaagde hem een uitkering ingevolge de ZW
toegekend onder toepassing van het bepaalde in artikel 29b van deze wet.
Op 9 oktober 2002 heeft werknemer zich wederom ziekgemeld. Naar
aanleiding hiervan heeft gedaagde werknemer bij besluit van 23 oktober
2002 medegedeeld dat hij geen ziekengeld ontvangt omdat zijn werkgever,
appellante, verplicht is het loon door te betalen nu werknemer ten tijde
van de ziekmelding langer dan vijf jaar in dienst van appellante was.
Bij besluit van 6 februari 2003 heeft gedaagde appellante medegedeeld
dat deze termijn van vijf jaar niet wordt verlengd omdat de mogelijkheid
tot verlenging alleen geldt voor die categorie medewerkers, bij wie op
de datum van het medisch onderzoek geen beperkingen bestonden doch deze
zich op redelijk korte termijn zouden kunnen openbaren en alleen wanneer
een dergelijke aandoening zich niet in de eerste vijf jaar openbaart.
Bij het bestreden besluit zijn de besluiten van 23 oktober 2002 en 6
februari 2003 gehandhaafd. Gedaagde heeft daartoe, onder verwijzing naar
het bij dit besluit gevoegde rapport van de bezwaarverzekeringsarts van
6 mei 2003, geconcludeerd dat er geen medische redenen zijn om het
bezwaar gegrond te verklaren.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond
verklaard en daartoe overwogen dat de uitleg die gedaagde heeft gegeven
aan voormelde verlengingsmogelijkheid juist is.
Appellante heeft dit standpunt in hoger beroep bestreden.
De Raad oordeelt als volgt.
In artikel 29b, eerste lid, van de ZW, zoals dit luidde ten tijde in
geding, is bepaald dat de werknemer die onmiddellijk voorafgaand aan
zijn dienstbetrekking arbeidsgehandicapte is in de zin van de Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten, vanaf de eerste dag van de
ongeschiktheid tot werken recht heeft op ziekengeld over perioden van
ongeschiktheid tot werken wegens ziekte die aangevangen zijn in de vijf
jaren na aanvang van de dienstbetrekking.
Ingevolge artikel 87 van de ZW kunnen bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur (AMvB) voor bepaalde groepen van personen
bijzondere, zonodig van het bepaalde bij of krachtens deze wet
afwijkende bepalingen worden gemaakt ten aanzien van de verzekering en
de ziekengelduitkering. Bij AMvB van 20 juli 1998 (Stb. 1998, 488) is
met terugwerkende kracht tot 1 juli 1998 het Arbeidsgehandicaptebesluit
getroffen.
In artikel 8, eerste lid, van dit besluit is bepaald dat, indien ten
aanzien van een werknemer als bedoeld in artikel 29b van de ZW wordt
vastgesteld dat hij lijdt aan ziekte of gebreken, die maken dat hij
binnen vijf jaar na de beoordeling van de arbeidshandicap een
aanzienlijk verhoogd risico heeft op ernstige gezondheidsklachten, de in
artikel 29b van de ZW bedoelde termijn voor de afloop van die termijn
wordt verlengd, indien op dat moment de ziekte of gebreken dan wel het
verhoogde risico op ernstige gezondheidsklachten nog bestaan.
In de Nota van toelichting op het Arbeidsgehandicaptebesluit wordt ten
aanzien van deze verlengingsmogelijkheid onder meer opgemerkt:
"Tijdens de kamerbehandeling van de Wet Rea is voorts de aandacht
gevestigd op de specifieke problemen van personen met een sterk verhoogd
risico. Algemeen bleek men te voelen voor de suggestie van de
Gehandicaptenraad om voor mensen met een progressieve aandoening of een
sterk wisselend ziektebeeld een verlenging van de (reeds tot vijf jaar
verlengde) termijn van artikel 29b Ziektewet met (bijvoorbeeld) vijf
jaar mogelijk te maken. Een motie van die strekking van het lid Van
Nieuwenhoven werd met algemene stemmen aanvaard.
Met name voor personen met een progressief verlopende ziekte kan het
probleem optreden, dat zij op zich wel enkele jaren goed kunnen
presteren en verdienen, en in die periode dus als een gewone werknemer
kunnen worden beschouwd, doch dat op termijn hun vooruitzichten met
betrekking tot het ziekteverzuim (en invalideringsrisico) onverminderd
slecht blijven. Dit kan hun arbeidsmarktkansen belemmeren. In dit
besluit wordt derhalve voor de groep werknemers met een aanzienlijk
verhoogd risico de mogelijkheid geschapen voor verlenging van de
vijfjaarsperiode.
Dit houdt in dat voor het einde van de vijfjaarsperiode wordt bezien of
de aandoening die reden was om een persoon als een verhoogd risico te
beschouwen nog steeds aanwezig is. Is dit het geval dan wordt de
overname van de loondoorbetalingsverplichting met vijf jaar
verlengd."
In de bijlage bij de Mededeling M 99.027 van 9 april 1999 van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen, gericht aan de directies van
de uitvoeringsinstellingen, is het beleid met betrekking tot artikel 29b
van de Ziektewet en artikel 8 van het Arbeidsgehandicaptebesluit
neergelegd. Daarin wordt ten aanzien van de verlengde toepassing van
artikel 29b van de Ziektewet op grond van artikel 8 van het
Arbeidsgehandicaptebesluit het navolgende opgemerkt:
"Het moet gaan om een werknemer die lijdt aan ziekte of gebreken
die maken dat hij een aanzienlijk verhoogd risico heeft op ernstige
gezondheidsklachten binnen vijf jaar na de beoordeling van de
arbeidshandicap. Indien de ziekte of gebreken dan wel het verhoogde
risico op ernstige gezondheidsklachten zich binnen de vijfjaarsperiode
nog niet hebben voorgedaan, dan wordt deze periode verlengd. Het betreft
hier werknemers met een sterk progressieve aandoening, dan wel een sterk
wisselend ziektebeeld. Zij ontlenen hun arbeidshandicap aan het feit dat
er op het moment van de medisch/arbeidskundige beoordeling weliswaar nog
geen sprake is van structurele functionele beperkingen, maar dat de kans
zeer groot is dat die binnen vijf jaar zullen komen. De mogelijkheid tot
verlenging van de termijn waarbinnen de ongeschiktheid moet ontstaan,
dient dan als extra stimulans om zo’n “riskante” werknemer toch
aan te stellen."
Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van gedaagde nader
toegelicht dat de werknemer in de vijfjaarsperiode na het aangaan van
zijn arbeidsovereenkomst met appellante op 1 juni 1997 ziek is geweest
van 10 september 2001 tot 8 april 2002. Gedaagde gaat er van uit dat
werknemer ten gevolge van zijn arbeidshandicap daadwerkelijk een
verhoogd gezondheidsrisico had en dat voornoemde uitval daarmee verband
hield, zodat dit risico zich binnen de vijfjaarsperiode heeft
gerealiseerd.
De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er ten
aanzien van appellante als gevolg van zijn verstandelijke handicap,
epilepsie en chronische urethritis een aanzienlijk verhoogd risico op
ernstige gezondheidsklachten bestaat.
De Raad is, anders dan de rechtbank en gedaagde, van oordeel dat de
enkele omstandigheid dat dit risico op ernstige gezondheidsklachten zich
binnen de vijfjaarstermijn van artikel 29b van de ZW al heeft voorgedaan
niet aan verlenging van die termijn met toepassing van artikel 8, eerste
lid van het Arbeidsgehandicaptebesluit in de weg staat. Naar het oordeel
van de Raad verdraagt de restrictieve, strikt verzekeringstechnische
uitleg die gedaagde blijkens de hiervoor gedeeltelijk weergegeven
Mededeling aan dit artikellid geeft, zich niet met de tekst en strekking
van artikel 8, eerste lid, van het Arbeidsgehandicaptebesluit zoals deze
blijkt uit de Nota van toelichting bij dit Besluit en de parlementaire
geschiedenis van de hier in geding zijnde verlengingsmogelijkheid.
Dat voormelde opvatting van gedaagde door de Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid blijkens de beantwoording van Kamervragen van het lid
van de Tweede Kamer Verburg van 19 augustus 2002 wordt gedeeld maakt dit
niet anders.
De Raad concludeert dat het in de Mededeling neergelegde beleid in
zoverre de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat. Nu
aan het bestreden besluit dat beleid ten grondslag ligt, kan het in
rechte geen stand houden.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden
besluit voor vernietiging in aanmerking komen. Gedaagde dient een nieuw
besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze
uitspraak is overwogen.
Nu niet gebleken is van kosten van door een derde beroepsmatig verleende
rechtsbijstand acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven
aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het betaalde griffierecht van € 409,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en mr.
M.C. Bruning en mr. M.C.M. van Laar als leden, in tegenwoordigheid van
T.S.G. Staal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 maart
2006.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) T.S.G. Staal.
|
|