|
Uitspraak meervoudige kamer 03/803 ZW en 03/5209 WAO
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 15 januari 2003,
02/302 ZW, en 15 september 2003, 2002/1439 WAO (hierna de aangevallen
uitspraken),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.J. Crombag, advocaat te Geleen, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van appelante heeft de Raad nog stukken doen toekomen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2004.
Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Crombag voornoemd. Het Uwv
heeft zich niet doen vertegenwoordigen.
Na heropening van het onderzoek heeft het Uwv op verzoek van de Raad een
arbeidskundig rapport laten uitbrengen, waarop de gemachtigde van
appellante heeft gereageerd.
De Raad heeft aan prof. dr. M. Richartz, psychiater te Maastricht,
verzocht als deskundige een rapport uit te brengen. Partijen hebben naar
aanleiding hiervan over en weer commentaar geleverd. De deskundige heeft
op 18 oktober 2005 een rapport uitgebracht.
Naar aanleiding van dat rapport heeft het Uwv een commentaar van een
bezwaarverzekeringsarts ingezonden, waarop de gemachtigde van appellante
heeft gereageerd. Bij brief van 5 januari 2006 heeft voornoemde
deskundige desgevraagd meegedeeld in voormeld commentaar geen aanleiding
te zien zijn conclusie te wijzigen.
Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 15 maart 2006.
Appellante is daar verschenen, bijgestaan door mr. R.C. Breuls, advocaat
te Geleen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. F. van
Dam.
II. OVERWEGINGEN
Appellante, die laatstelijk via een uitzendbureau bij een
assemblagebedrijf werkzaam was in de productie van kabel- en draadbomen,
is op 21 februari 2001 na een ongeval met een bromfiets
arbeidsongeschikt geworden.
Terzake van dit ziektegeval is appellante verschillende keren gezien
door een verzekeringsarts, die blijkens het Afschrift Medische Kaart
vaststelde dat er tevens sprake was van psychische klachten, welke
samenhingen met problemen rond een echtscheiding. Op het spreekuur van
17 oktober 2001 constateerde de verzekeringsarts dat appellante
geleidelijk opknapte. Op 28 november 2001 heeft de verzekeringsarts
geconcludeerd dat appellante wel weer in staat was om haar werk te
hervatten. Zij werd toen met ingang van 2 januari 2002 hersteld
verklaard.
Bij besluit van 30 november 2001 is dienovereenkomstig met ingang van 2
januari 2002 aan appellante geen ziekengeld meer toegekend.
Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en is naar aanleiding
hiervan gezien door een bezwaarverzekeringsarts, die haar psychische
belastbaarheid voldoende achtte om het oorspronkelijke werk te
verrichten.
Bij besluit van 17 januari 2002 (bestreden besluit 1) is het bezwaar
ongegrond verklaard.
Op 14 maart 2002 heeft een verzekeringsarts in het kader van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) gerapporteerd dat appellante,
gelet op de hersteldverklaring per 2 januari 2002, niet gedurende 52
weken arbeidsongeschikt is geweest. Bij brief van 20 maart 2002 is
appellante vervolgens in kennis gesteld van het besluit om aan haar
terzake van de op 21 februari 2001 ingetreden arbeidsongeschiktheid geen
uitkering ingevolge de WAO toe te kennen.
In de bezwaarfase terzake van dit besluit zag de betrokken
bezwaarverzekeringsarts geen nieuwe gegevens of argumenten, die een
ander licht werpen op de ziektegeschiedenis van appellante, zodat het
bezwaar bij besluit van 22 augustus 2002 (bestreden besluit 2) ongegrond
werd verklaard.
Bij uitspraak van 15 januari 2003 en van 15 september 2003 heeft de
rechtbank, gelet op de verzekeringsgeneeskundige gegevens, het beroep
tegen bestreden besluit 1 respectievelijk bestreden besluit 2 ongegrond
verklaard.
De door de Raad geraadpleegde deskundige prof. dr. Richartz voornoemd
heeft in samenwerking met drs. A.J. Gerbers, arts-assistent psychiatrie,
een rapport uitgebracht, waarin wordt geconcludeerd dat bij betrokkene
sprake is van een pijnstoornis, gebonden aan psychische factoren alsook
symptomen bij een posttraumatische stress stoornis. Met name de
pijnstoornis leidt volgens de deskundige tot beperkingen in het
functioneren. In antwoord op de vraag of betrokkene op de datum in
geding 2 januari 2002 in staat was haar functie, zoals beschreven in een
nader arbeidskundige rapport van 17 januari 2005, te vervullen, kon de
deskundige slechts vanuit waarschijnlijkheidsoogpunt vaststellen dat
betrokkene daartoe niet in staat was.
Naar aanleiding van voormeld rapport heeft bezwaarverzekeringsarts C.G.
van der Kooij op 27 oktober 2005 onder meer het navolgende commentaar
geleverd:
“In het journaal van de huisarts kom ik diverse consulten tegen
waarin verslag wordt gedaan van psychische problematiek. In februari
2000 stressgerelateerde klachten, hyperventilatie in september 2000, in
maart 2001 haar plan om te gaan scheiden en het voorstel van
maatschappelijk werk om zich samen met de dochter te laten opnemen op de
PAAZ. Belanghebbende was dus wel degelijk bekend met stressfactoren.
Met de begeleiding in het ziektewettraject van 11 april tot 28 november
2001 werd stil gestaan bij de lichamelijke klachten in samenhang met de
psychische problematiek. Op 9 mei wordt haar daarbij het voordeel van de twijfel gegund en
ziekengeld voortgezet. In oktober krijgt belanghebbende eigen woonruimte
toegewezen en startte zij in een vrouwenpraatgroep. In november wordt de
woonsituatie naar haar zeggen onhoudbaar en bespreekt de
verzekeringsarts een hervatting, is belanghebbende het eens en zal zij
werk zoeken bij uitzendbureaus.
In verzekeringsgeneeskundige zin werd er ten behoeve van het
begeleidingsproces dus in ruime mate rekening gehouden met de
niet-geobjectiveerde pijnklachten die op dat moment onder druk stonden
van de tweede scheiding et cetera. Belanghebbende werd daarmee de tijd
gegund om te herstellen en haar evenwicht te doen hervinden. In november
2001 leek het in goed overleg verstandig om terug de stap naar arbeid te
maken, belanghebbende stemde daarmee in. In het verslag (blz. 2, derde
alinea) van drs. Gielens d.d. 17-05-2004 komt uit de
persoonlijkheidsstuctuur naar voren dat belanghebbende ertoe neigt om
verantwoordelijkheid van de oplossing van problemen bij anderen neer te
leggen. Ondanks de begeleiding van de ziektewet en een uiteindelijke
afspraak komt belanghebbende daar vervolgens op terug.”
“Ik kan het dus met Richartz eens zijn dat er sprake is van een
pijnstoornis gebonden aan psychische factoren maar kom in
verzekeringsgeneeskundig opzicht tot een andere conclusie. Er is daarmee
namelijk onvoldoende objectivering om arbeidsongeschiktheid aan te
nemen. Zeker wanneer we daarbij de aard van de maatgevende arbeid
betrekken.
Richartz houdt met het waarschijnlijkheidsoogpunt in antwoord B2 wel erg
veel slag om de arm wanneer hij concludeert dat belanghebbende toen
waarschijnlijk niet in staat was haar functie te vervullen. De gestelde
diagnose geeft onvoldoende basis om ongeschiktheid te kunnen
concluderen. Met het begeleidingstraject werd nadrukkelijk tegemoet
gekomen aan het onder druk staande evenwicht. Verder werd vanuit diverse
(para)medische hoeken ondersteuning geboden in het oplossen van haar
problemen. Op het moment dat belanghebbende zich voldoende hersteld had
werd in goed overleg de ziekteperiode afgesloten. Daar kan ik me binnen
de geldende kaders nog steeds in vinden.
In die zin ben ik het niet eens met de (waarschijnlijke) afwijkende
conclusie van prof. Richartz.”
De Raad is gelet op de hiervoor weergegeven reactie er niet van
overtuigd geraakt dat de conclusie van de deskundige kan worden gevolgd.
De Raad merkt hierbij op dat de deskundige zijn standpunt mede lijkt te
hebben gebaseerd op de ontwikkeling in de psychische gesteldheid van
appellante na de datum in geding. Zo wijst de Raad erop dat de
psychische problematiek volgens de deskundige pas aan de oppervlakte is
gekomen, toen zij in 2002 werd geconfronteerd met de tegen haar
ex-echtgenoot gerezen verdenkingen. Uit het medisch journaal van de
huisarts leidt de Raad af dat dit eind januari 2002 is gebeurd. De
persoonlijkheidsstructuur van betrokkene in aanmerking nemend konden
volgens de deskundige het wegvallen van afleiding in de vorm van een
baan en de toegenomen aandacht voor het traumatische verleden, alsook
het lopende juridische conflict in de loop van de tijd hebben geleid tot
een verergering van de klachten tot de “huidige, volgens betrokkene
invaliderende, pijnklachten.” Waar de deskundige benadrukt dat met
name de pijnstoornis op het moment van zijn onderzoek leidde tot
beperkingen in het functioneren en de conclusie omtrent de datum in
geding slechts vanuit een oogpunt van waarschijnlijkheid is getrokken
ziet de Raad onvoldoende grond om die conclusie te onderschrijven. De
Raad acht hierbij van belang dat de deskundige in zijn reactie op het
commentaar van voornoemde bezwaarverzekeringsarts er geen blijk van
heeft gegeven dat hij zijn eigen oordeel serieus heeft heroverwogen.
De Raad is gelet op het aangehaalde commentaar van voornoemde
bezwaarverzekeringsarts van oordeel dat aan de bevindingen van de
betrokken verzekeringsartsen doorslaggevende betekenis dient te worden
toegekend en dat appellante dus terecht met ingang van 2 januari 2002
niet langer ongeschikt is geacht tot het verrichten van haar arbeid.
Gedaagde heeft derhalve terecht besloten om aan appellante met ingang
van die datum geen ziekengeld meer toe te kennen. Nu appellante niet
gedurende 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest is aan haar
ook terecht geen uitkering ingevolge de WAO toegekend.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraken dienen te
worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van T.S.G. Staal, uitgesproken in het openbaar op 26
april 2006.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) T.S.G. Staal.
|
|