|
Uitspraak meervoudige kamer 04/3288 ZW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 27 april
2004, 02/3610 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 3 mei 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.L.M. Arets, advocaat te Landgraaf, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2006.
Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen
door mr. K.M. van der Sande.
II. OVERWEGINGEN
Appellant heeft zich op 30 mei 2002 vanuit een uitkeringssituatie
ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld.
Op 3 juni 2002 om 13.40 uur vond aan het huisadres van appellant een
controlebezoek plaats, waarbij de controleur geen gehoor kreeg. Aan een
volgens de controleur bij die gelegenheid in de brievenbus van appellant
gedeponeerde oproep om op 4 juni 2002 om 10.45 uur op het spreekuur te
verschijnen heeft appellant niet voldaan.
Naar aanleiding van het vorenstaande heeft gedaagde op 27 juni 2002
besloten om aan appellant wegens overtreding van de
controlevoorschriften een maatregel op te leggen door de
ziekengelduitkering over een periode van vier weken (3 juni 2002 tot en
met 30 juni 2002) te verlagen met 5%.
Appellant heeft tegen voormeld besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van
31 oktober 2002 (het bestreden besluit) heeft gedaagde de bij het
primaire besluit opgelegde maatregel gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard en daarbij - samengevat - overwogen dat appellant, door
bij het controlebezoek op 3 juni 2002 niet thuis te zijn, artikel 5 van
de controlevoorschriften heeft overtreden. Appellants argument dat hij
op dat tijdstip een met het oog op zijn medicijngebruik noodzakelijk
bezoek bracht aan de apotheek heeft de rechtbank verworpen. Naar het
oordeel van de rechtbank is een bezoek aan een apotheek niet gelijk te
stellen met dat aan de behandelend arts, in welke situatie de
verplichting om thuis te blijven niet geldt. Verder was de rechtbank
niet overtuigd van de noodzaak van het bezoek aan de apotheek op dat
tijdstip.
De rechtbank heeft verder vastgesteld dat appellant, door op 4 juni 2002
niet op het spreekuur te verschijnen, artikel 3 van de
controlevoorschriften heeft overtreden. Appellants grief dat hij de
oproepkaart als gevolg van een verkeerde bezorging niet tijdig had
ontvangen, achtte de rechtbank, in aanmerking genomen dat de betrokken
controleur heeft verklaard de oproep in de goede brievenbus te hebben
gedaan, niet aannemelijk. Deze overtreding van de controlevoorschriften
had moeten leiden tot een maatregel van 10% gedurende acht weken.
Appellant is dan ook - aldus de rechtbank - door het besluit van het
Uwv om de bij het primaire besluit opgelegde maatregel te handhaven niet
benadeeld.
De rechtbank was tenslotte van oordeel dat niet was gebleken van
verminderde verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 45, tweede lid, van
de Ziektewet.
In hoger beroep heeft appellants gemachtigde alleen het in eerste aanleg
aangevoerde argument met betrekking tot het bezoek aan de apotheek
herhaald.
De Raad verenigt zich terzake met het oordeel van de rechtbank en
onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.
Hierin ligt besloten dat de rechtbank naar het oordeel van de Raad
terecht heeft overwogen dat een bezoek aan een apotheek niet kan worden
gelijk gesteld met het bezoek aan een behandelend arts, in welk geval de
verplichting om thuis te blijven ingevolge artikel 5, derde lid, van de
controlevoorschriften niet geldt.
Voor de Raad staat mitsdien vast dat appellant de controlevoorschriften
heeft overtreden. Ook de Raad acht van een verminderde verwijtbaarheid
niet gebleken.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 3 mei 2006.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) P. van der Wal.
|
|