|
Uitspraak meervoudige kamer
04/2121
ZW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 14 april 2004,
03/4615 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 3 mei 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2006.
Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr. W. Pouwelse.
II. OVERWEGINGEN
Appellante was via een uitzendbureau gedurende 32 uur per week, verdeeld
over vier dagen per week, werkzaam als kas-baliemedewerkster bij een
bank. Op 29 april 2003 heeft zij zich ziek gemeld wegens griep. Tevens
had zij last van hooikoorts.
De verzekeringsarts heeft haar na onderzoek per 4 juni 2003 hersteld
verklaard. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen dat appellante nog
melding maakte van moeheidsklachten en een grieperig gevoel, dat
uitgebreid bloedonderzoek niets had opgeleverd en dat het eigen werk
fysiek licht belastende werkzaamheden betrof, bestaande uit
receptiewerk, in de hal staan, administratieve taken, bijvullen van
geldautomaten, met afwisselend lopen, staan en zitten.
Bij besluit van 6 juni 2003 heeft het Uwv appellante verdere uitkering
van ziekengeld met ingang van 4 juni 2003 geweigerd. Bij besluit op
bezwaar van 15 oktober 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv
het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 juni 2003 ongegrond
verklaard onder verwijzing naar het onderzoek van
bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn. Uit diens rapport van 29
september 2003 blijkt dat deze bezwaarverzekeringsarts appellante heeft
onderzocht en tevens kennis heeft genomen van door hem opgevraagde
inlichtingen van de behandelend reumatoloog van appellante en van door
appellante overgelegde informatie van haar huisarts. De reumatoloog had
blijkens zijn rapportage van 12 september 2003 geen duidelijke oorzaak
voor de klachten van appellante gevonden en had geconcludeerd dat bij
appellante sprake was van chronische vermoeidheid met anamnestisch
intermitterende perioden van hoge koorts zonder aanwijzingen voor een
onderliggend reumatisch lijden. Tenderpoints waren bij het onderzoek
niet aangetroffen. De bezwaarverzekeringsarts overwoog dat in de
bezwaarfase geen nieuwe medische feiten of omstandigheden naar voren
waren gekomen, dat voor de klachten geen somatisch substraat was
gevonden en dat de bevindingen bij het onderzoek niet consistent waren
met de ernst van de anamnese. Dat sprake zou zijn van fibromyalgie kon
niet bevestigd worden.
De rechtbank heeft overwogen dat appellante in beroep geen medische
stukken in het geding heeft gebracht op basis waarvan zou kunnen worden
getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen.
In de door appellante overgelegde brief van de behandelend reumatoloog
van 16 januari 2004 is weliswaar vermeld dat hier zeer wel de diagnose
fibromyalgie kan worden gesteld, maar deze diagnose betekent niet zonder
meer dat er sprake is van arbeidsbeperkingen. De rechtbank oordeelde dat
de bezwaarverzekeringsarts terecht de conclusie van de verzekeringsarts
heeft onderschreven, en verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het bestreden besluit
evenals het primaire besluit berust op een onvoldoende
verzekeringsgeneeskundige beoordeling, nu aard en ernst van de
psychische en lichamelijke beperkingen zijn onderschat. Ter onderbouwing
van haar standpunt heeft appellante een rapport overgelegd van de
zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard, gedateerd 29 juli 2004. Deze vermeldt in
zijn rapport dat hij heeft afgezien van lichamelijk onderzoek van
appellante omdat bekend wordt verondersteld dat er bij lichamelijk
onderzoek bij fibromyalgie geen evidente pathologie kan worden
vastgesteld die voor verder beleid richtinggevend is, noch objectieve en
valide uitspraken mogelijk maakt omtrent de belastbaarheid. Dr. Busard
is van oordeel dat bij appellante op 4 juni 2003 sprake was van
fibromyalgie volgens de reumatologische classificatie dan wel van een
ongedifferentieerde somatoforme stoornis volgens de psychiatrische
classificatie. Hij achtte haar op de datum in geding niet in staat om
fulltime duurzaam regulier te werken.
In een reactie daarop, gedateerd 19 augustus 2004, wijst de
bezwaarverzekeringsarts erop dat de richtlijn van de Nederlandse
Vereniging voor Reumatologie van mei 2002 duidelijk laat zien dat er,
voor de diagnose fibromyalgie, minimaal 11 van de 18 tenderpoints moeten
bestaan en dat er sprake dient te zijn van chronische pijn op drie
locaties van het bewegingsapparaat. Nu de behandelend reumatoloog geen
tenderpoints heeft aangetroffen en de diagnose ongedifferentieerde
somatoforme stoornis niet de conclusie rechtvaardigt dat appellante niet
in staat moet worden geacht werkzaamheden te verrichten, handhaaft de
bezwaarverzekeringsarts de medische onderbouwing van de
hersteldverklaring.
Namens appellante is vervolgens een rapport van een onderzoek door de
revalidatiearts J.J.M.F. van der Putten van 20 juli 2004 overgelegd
waarin deze tot een fibromyalgiedrukpuntscore van meer dan 11 uit 18
komt en beperkingen aanwezig acht onder meer ten aanzien van arbeid.
De bezwaarverzekeringsarts heeft zich in een reactie op het rapport van
de revalidatiearts Van der Putten, ingezonden bij brief van het Uwv van
12 januari 2006, op het standpunt gesteld dat de bevindingen van deze
arts niet vermeld worden per datum in geding en dat het klachtenpatroon
van appellante na de datum in geding blijkbaar een wijziging heeft
ondergaan, waarbij ook het nadien beschreven beeld nog steeds geen
relevante belemmering laat zien ten aanzien van het eigen werk.
De Raad onderschrijft het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts over
de bevindingen van de zenuwarts Busard en de revalidatiearts Van der
Putten. Niet is gebleken dat appellante op de datum in geding als
rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of
gebrek niet in staat was haar werk van kas-baliemedewerkster zoals
hierboven omschreven te verrichten. Het Uwv heeft haar dan ook terecht
met ingang van 4 juni 2003 verdere uitkering van ziekengeld ingevolge de
ZW geweigerd.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 3 mei 2006.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) P. van der Wal.
|
|