|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/496 ZW en 06/2198 ZW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 december 2004,
02/939 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 31 mei 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.I. Steinmetz, advocaat te Amsterdam, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2006.
Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen
door B.M. Klijs.
II. OVERWEGINGEN
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Bij besluit van 12 november 1998 heeft het Uwv appellants uitkering
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke
laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80
tot 100%, met ingang van 10 januari 1999 ingetrokken, onder overweging
dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder
dan 15% was. Bij besluit van 14 januari 2000 heeft het Uwv het bezwaar
van appellant ongegrond verklaard.
Vervolgens heeft appellant zich op 22 februari 1999 opnieuw ziek gemeld.
Bij besluit van 22 juni 1999 heeft het Uwv geweigerd om aan appellant
met ingang van 22 februari 1999 een uitkering ingevolgde de Ziektewet (ZW)
toe te kennen. Bij besluit van 14 januari 2000 (besluit I) heeft het Uwv
de bezwaren van appellant gegrond verklaard, onder overweging dat
appellant per 22 februari 1999 geen recht heeft op ziekengeld, maar dat
op grond van zorgvuldigheidsoverwegingen over de periode 22 februari
1999 tot en met 21 juni 1999 alsnog ziekengeld wordt toegekend.
De rechtbank heeft de beroepen tegen voormelde besluiten gegrond
verklaard.
Bij een nieuwe beslissing op bezwaar d.d. 31 mei 2005, ter uitvoering
van de aangevallen uitspraak, heeft het Uwv de bezwaren van appellant
tegen het besluit van 12 november 1998 gegrond verklaard en aan
appellant met ingang van 10 januari 1999 alsnog een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Tegelijkertijd heeft het
Uwv in voornoemd besluit van 31 mei 2005 (besluit II) de bezwaren van
appellant tegen het besluit van 22 juni 1999 ongegrond verklaard.
Nu besluit II niet (geheel) aan appellants beroep tegemoet komt, wordt
ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen dat
besluit. Van een belang van appellant bij een beoordeling van besluit I
is niet gebleken, zodat de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk zal
verklaren.
Namens appellant is de Raad verzocht het besluit II te vernietigen
voorzover daarin is bepaald dat het bezwaar (alsnog) ongegrond wordt
verklaard. Het staat het Uwv, volgens de gemachtigde van appellant, niet
vrij thans alsnog het bezwaar ongegrond te verklaren. De gemachtigde is
van oordeel dat het bezwaar ook bij de nieuwe beslissing gegrond
verklaard dient te worden.
De Raad overweegt ten aanzien van het bestreden besluit II het volgende.
De Raad stelt vast dat appellant per 10 januari 1999 een
werkloosheidsuitkering heeft ontvangen en uit dien hoofde op grond van
artikel 7, aanhef en onder a, van de Ziektewet ingevolge deze wet
verzekerd was. Dat appellant achteraf volledig arbeidsongeschikt wordt
geacht, kan hieraan niet afdoen. Mitsdien is bij het onderhavige besluit
op een ondeugdelijke motivering het bezwaar tegen het besluit van 22
juni 1999 ongegrond verklaard, zodat dat besluit in zoverre niet in stand
kan blijven.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van
appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor
verleende rechtsbijstand.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen besluit II gegrond, voorzover daarbij het
bezwaar tegen het besluit van 22 juni 1999 ongegrond is verklaard, en
vernietigt dit besluit in zoverre;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep
tot een bedrag groot € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 31 mei 2006.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J. Verrips.
|
|