|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/3244 ZW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 4 mei 2004,
03/3500 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 12 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. I.G.M. van Gorkum, advocaat te
‘s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2006. Namens
appellant is verschenen mr. Van Gorkum. Het Uwv heeft zich laten
vertegenwoordigen door G.H.A. Determan.
II. OVERWEGINGEN
Appellant was tot zijn ontslag in 1997 werkzaam bij schoonmaakbedrijf
Cemsto voor gemiddeld 37,35 uur per week en ontving uit dien hoofde een
uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Tevens was appellant
werkzaam bij Cleaningsbedrijf De Residentie B.V. (hierna: de Residentie)
voor 38 uur per week, en na gedeeltelijk ontslag, in verband waarmee hij
ook voor deze functie een WW-uitkering ontving, voor 17 uur per week.
Vanuit die situatie heeft appellant zich op 26 april 1999 ziek gemeld
met hartklachten. Bij het einde van de wachttijd is voor appellant een
belastbaarheidspatroon opgesteld en zijn functies geselecteerd, hetgeen
resulteerde in toekenning van een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 24 april 2000 naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Op 22 november 2002 heeft appellant zich vanuit de WW bij het Uwv ziek
gemeld met spier- en rugklachten. Bij medisch onderzoek op 21 februari
2003 is appellant hersteld verklaard voor de in het kader van de
WAO-beoordeling geselecteerde functies. Bij besluit van 24 februari 2003
heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij met ingang van 21 februari
2003 geen recht meer heeft op uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).
Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van
11 juli 2003 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaard.
Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv onvoldoende
rekening heeft gehouden met zijn hartklachten. De door het Uwv gebruikte
medische gegevens zijn verouderd. Appellant is nog steeds onder
behandeling van een cardioloog. Er is dan ook ten onrechte geen nieuwe
medische informatie opgevraagd. Hierbij heeft appellant zich beroepen op
de uitspraken van de Raad van 27 juni 2003, LJN AL1626, en 1 april
2003, LJN A1600, respectievelijk gepubliceerd in RSV 2003/225 en RSV
2003/162.
Naast hartklachten heeft appellant last van zijn linkerarm, maagklachten
en rugklachten. Appellant verzoekt de Raad een deskundige te benoemen.
Voorts meent appellant dat de WAO-functies in het kader van de
ZW-beoordeling hadden moeten worden geactualiseerd, maar appellant acht
de functies hoe dan ook niet passend.
Tenslotte verzoekt appellant om schadevergoeding alsmede vergoeding van
proceskosten en griffierecht.
Het Uwv heeft zijn standpunt onverminderd gehandhaafd.
De Raad overweegt dat in het kader van het onderhavige geding de
passendheid van de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde
functies als zodanig niet ter discussie kan staan. Voorts is
actualisatie van deze functies in het kader van de ZW niet aan de orde.
De Raad stelt vast dat het Uwv bij de toets of appellant op 21 februari
2003 in staat was zijn arbeid te verrichten als maatstaf arbeid heeft
genomen de in het kader van de WAO-beoordeling per 24 april 2000
geschikt geachte functies.
Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” in de zin van
artikel 19 van de ZW worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding
feitelijk verrichte arbeid. In de jurisprudentie van de Raad is bepaald
dat, in geval de betrokkene in het kader van de WAO-beoordeling geschikt
is geacht voor passende functies en hij niet in enige arbeid heeft
hervat maar een WW-uitkering ontvangt, de WAO-functies als zijn arbeid
worden aangemerkt, en wel elk van die functies afzonderlijk.
Voorts heeft de Raad in zijn uitspraak van 19 januari 2005, LJN AS5738,
onder meer overwogen dat voormelde maatstaf niet zonder meer kan worden
aangehouden in geval de betrokkene na de WAO-beoordeling in enig werk
heeft hervat en hij die arbeid voorafgaande aan de uitval daadwerkelijk
verrichtte.
Bovendien geldt dat bij ziekmelding vanuit de WW in beginsel de
laatstelijk voor het ontslag verrichte werkzaamheden als maatstaf arbeid
dienen te worden aangehouden.
Blijkens de rapportage van bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff van
21 juni 2003 heeft appellant op 26 april 2000 zijn werkzaamheden
gedeeltelijk hervat. Voorts bevindt zich onder de gedingstukken een
brief van 21 februari 2002, gericht aan het Centrum voor Werk en
Inkomen, waarbij De Residentie voor appellant een ontslagvergunning
aanvraagt.
Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv desgevraagd meegedeeld dat
blijkens een door hem meegebrachte maar niet aan de Raad overgelegde
uitdraai van de uitkeringsgegevens van appellant deze op 11 november
2002 naast zijn WAO-uitkering een WW-uitkering ontving. De gemachtigde
kon geen opheldering verschaffen ten aanzien van de vraag uit welken
hoofde deze uitkering door appellant werd genoten.
Gelet op de door de bezwaarverzekeringsarts gemelde gedeeltelijke
werkhervatting, de ontslagaanvraag van de Residentie en een uit de
gedingstukken blijkende inconsistentie ten aanzien van het
arbeidsverleden van appellant, acht de Raad niet uitgesloten dat
appellant na 24 april 2000 heeft hervat in een deel van zijn oude
schoonmaakwerk, dat nog geruime tijd heeft verricht, uiteindelijk geheel
is uitgevallen en vervolgens ook op enig moment in 2002 daaruit is
ontslagen. De Raad is van oordeel dat in een dergelijke situatie, waarin
betrokkene naast een WW-uitkering uit een voorafgaand aan de
WAO-schatting beëindigd dienstverband, ook uit hoofde van een recent beëindigd
dienstverband WW-uitkering ontvangt, de aard en zwaarte van de
laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid bij de te hanteren
maatstaf arbeid moet worden betrokken.
Het vorenstaande heeft de Raad tot de conclusie gebracht dat het
bestreden besluit niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag
gelegde motivering en dat dit besluit wegens strijd met artikel 7:12 van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd. De
aangevallen uitspraak kan dan ook niet in stand blijven. Het Uwv zal
opnieuw op het bezwaar van appellant moeten beslissen met inachtneming
van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Gelet hierop komt de Raad aan de beoordeling van de medische grondslag
van het bestreden besluit niet meer toe.
Voorts is de Raad van oordeel dat het thans niet op zijn de weg ligt
zich over mogelijke schade, die overigens door appellant niet nader is
toegelicht, uit te spreken, nu nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit
op bezwaar zal gaan luiden. Het Uwv dient bij het nemen van een nieuw
besluit tevens aandacht te besteden aan de vraag in hoeverre er
aanleiding is om schade te vergoeden.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het
Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende
rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende
rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met
inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste
aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen
door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier
van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door
appellant betaalde griffierecht van in totaal € 133,- aan appellant
vergoedt;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter
en M.C. Bruning en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 12 juli 2006.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) J.J. Janssen.
|
|