Abw
praktijk

 

               

 

 
vorige

 

HOOFDSTUK  2
Kring van rechthebbenden



§ 5.  Vreemdelingen

 

 

 

x

    
   

Algemeen:

     

De Abw is niet alleen van toepassing op Nederlanders. Ook aan vreemdelingen, die rechtmatig in Nederland verblijven, kan bijstand worden verleend. Een ieder die in Nederland verblijf houdt, maar niet de Nederlandse nationaliteit bezit, is vreemdeling.
 
Met de Nederlander wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
 
De vreemdelingen die onder artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, Vw 2000 vallen zijn:
1. houders van een verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd (zowel regulier als asiel);
2. gemeenschapsonderdanen van de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte;
3. zij die hun verblijfsrecht ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 (Turkse werknemers en hun gezin).
 
Overige vreemdelingen die met een Nederlander kunnen worden gelijkgesteld, zijn (zie ook Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw, Ioaz en Wvg):
a. vreemdelingen die ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie in Nederland verblijven; of
b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, Vw 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, Vw 2000. Vreemdelingen die dus al rechtmatig verblijf hebben gehouden op grond van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, Vw 2000 hebben ook recht op bijstand als zij in afwachting zijn van de beslissing op een aanvraag tot verlenging of een wijziging van de verblijfsvergunning (onderdeel g) of als zij in bezwaar dan wel beroep zijn gegaan (onderdeel h).
 
 
 

 
    De Koppelingswet:
 
      Met ingang van 1 juli 1998 is de zogenaamde Koppelingswet in werking getreden. De Koppelingswet heeft ook zijn weerslag op de Abw, Ioaw en Ioaz.
 
Het doel van de Koppelingswet is te verhinderen dat niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen gebruik kunnen maken van collectieve voorzieningen. Deze wet regelt dat alleen vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven recht kunnen doen gelden op sociale voorzieningen. Op welke sociale voorziening recht bestaat, is afhankelijk van het soort verblijfsrecht van de vreemdeling.
 
 
          Voor de Abw, Ioaw en Ioaz houdt dit in dat alleen bijstand kan worden verleend aan de vreemdeling die:
1. een rechtsgeldige verblijfsvergunning heeft op grond van artikel 8, a tot en met e, Vw 2000;
2. een verblijfstitel heeft op grond van een verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie (EU-onderdanen), voor zover de bijstandverlening niet in strijd is met de beperkingen die aan de verblijfstitel zijn verbonden;
3. vóór de beëindiging van een rechtmatig verblijf een aanvraag om voortgezette toelating heeft ingediend totdat op deze aanvraag is beslist; of
4. binnen de termijn van vier weken bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking of het niet verlengen van het verblijfsrecht en waarvan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) schriftelijk heeft verklaard dat de beslissing op het bezwaar of beroep in Nederland mag worden afgewacht (voor zover het een aanvraag betreft gedaan op of na 1 april 2001, de datum van inwerkingtreding van de Vw 2000).
 
 
          Er is geen bijstand mogelijk voor de vreemdeling die op andere gronden in Nederland verblijft dan de bovengenoemde. Er kan geen bijstand worden verleend aan de vreemdeling die geen verblijfstitel heeft, maar waarvoor geen last tot uitzetting bestaat (de vroegere gedoogde).
 
 
          Ook is het niet mogelijk om op grond van zeer dringende redenen algemene of bijzondere bijstand te verlenen aan de niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling.
 
 
 
 
    Uitzonderingen op de hoofdregel:
x
      In een aantal situaties zal een strikte hantering van de hoofdregel, waarbij vreemdelingen zonder een rechtsgeldige verblijfstitel geen aanspraak kunnen maken op voorzieningen, onaanvaardbare gevolgen hebben. Daarom heeft de wetgever enkele uitzonderingen in de wet opgenomen (artikel 10, tweede lid, Vw 2000):
1. De toegang tot onderwijs voor vreemdelingen tot 18 jaar zonder geldige verblijfstitel is verzekerd. Scholen behoeven leerlingen jonger dan 18 jaar niet te controleren op het verblijfsrecht. Een opleiding begonnen vóór het bereiken van de 18-jarige leeftijd kan worden afgemaakt.
2. De vreemdeling zonder geldige verblijfstitel heeft recht op gefinancierde rechtsbijstand (zie ook normbedragen Wrb).
3. Indien de vreemdeling zonder geldige verblijfstitel in een situatie verkeert waarin medische zorg noodzakelijk is en/of waarbij de volksgezondheid ernstig gevaar loopt, dient medische zorg te worden verleend. Daartoe is door het ministerie van VWS het Koppelingsfonds opgericht, beheerd door de Stichting Koppeling. Eerstelijnshulpverleners kunnen daar een beroep op doen wanneer zij noodzakelijke hulp hebben verleend aan een illegaal.
 
Omdat voornoemde voorzieningen buiten de Abw om gaan, kan voor de kosten ervan onder geen beding bijstand worden verleend.
 
 
 
 
    Jurisprudentie:       In zijn uitspraak van 7 oktober 1998 heeft de rechtbank van Den Haag bepaald dat een vreemdeling die in bezwaar en (administratief) beroep in afwachting is van een onherroepelijke beslissing op een aanvraag om toelating en die tevens onderdaan is van een verdragsstaat van het Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand, voor de toepassing van de Abw, Ioaw en Ioaz gelijkgesteld dient te worden met een Nederlander. Het ging hier om onderdanen van België, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, IJsland, Italië, Luxemburg, Malta, Noorwegen, Portugal, Spanje, Turkije, het Verenigd Koninkrijk en Zweden. Bijstand kon alleen worden verleend indien de vreemdeling nog niet eerder tot Nederland was toegelaten geweest en er tegen hem geen rechterlijke beslissing tot uitzetting bestond.
 
In hoger beroep, ingesteld door het ministerie, is dit vonnis vernietigd (20 januari 2000). Dit betekent dat de bepalingen van de Koppelingswet voor deze groep vreemdelingen onverkort blijven gelden. Zij kunnen niet worden gelijkgesteld met Nederlanders en aan hen kan dus geen bijstand worden verleend.
 
 
 
 
    Rvb:
x
      Met de inwerkingtreding van de Koppelingswet komen vier categorieën vreemdelingen niet langer in aanmerking voor bijstandverlening. Voor deze categorieën voorziet de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb), uitgevoerd door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), met ingang van 1 juli 1998 in een op de Abw gebaseerde bijstandsvervangende uitkering en een inschrijving in een ziekenfonds- en AWBZ-vervangende ziektekostenregeling. Het betreft de volgende categorieën vreemdelingen zonder status of verblijfsvergunning:
1. vermoedelijke slachtoffers van vrouwenhandel die zich beraden op het doen van aangifte;
2. getuige-aangevers en -vormers van vrouwenhandel;
3. gezinsherenigers en -vormers; en
4. (ex-)asielzoekers die vóór 1 juli 1998 een vergunning tot verblijf humanitair of medisch hebben aangevraagd en wier recht op algemene bijstand op grond van de Koppelingswet is beëindigd.
 
Wanneer bovengenoemde vreemdelingen bij SZ van de gemeente om uitkering verzoeken, dienen zij te worden doorverwezen naar de vreemdelingendienst. Via de vreemdelingendienst kan een Rvb-aanvraag bij het COA worden ingediend. Ook bij afwijzing van deze aanvraag kan geen bijstand worden verleend. Zie ook normbedragen Rva 1997, ROA, Rvb en Zorgwet VVTV.
 
 
 
 
    Garantstelling door derde:
x
      Het is mogelijk dat de vreemdeling die niet zelfstandig in de kosten van het bestaan kan voorzien, desondanks verblijf in Nederland wordt toegestaan. Dat kan indien een in Nederland wonende derde zich schriftelijk garant heeft gesteld voor de kosten die voortvloeien uit het verblijf van de betrokken vreemdeling en diens eventuele terugreis, zodanig dat deze kosten niet ten laste van de openbare kas kunnen komen (artikel 3.7, eerste lid, onderdeel b, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000)).
 
 
 
 
    Bijstand en garanten:
x
      De aanwezigheid van een garantverklaring kan geen reden zijn om een bijstandsaanvraag van een vreemdeling af te wijzen. Onderzocht dient te worden of de garant in de kosten van het bestaan van de vreemdeling voorziet. Is dat niet of niet geheel het geval, dan is - bij rechtmatig verblijf - bijstandverlening mogelijk. De vreemdelingendienst dient van de bijstandverlening in kennis te worden gesteld.
 
Bij het voornemen om bijstand te verlenen, dienen zowel betrokkene als garant te worden gewezen op het risico dat de verblijfsvergunning vanwege de bijstandverlening kan worden ingetrokken.
 
 
 
 
    Gezamenlijke huishouding met legale vreemdeling:
x
      Met uitzondering van ROA-gerechtigden kan aan een rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling die een gezamenlijke huishouding voert met een Nederlander, ondanks het bestaan van een garantstelling van een derde, bijstand worden verleend naar de norm van een echtpaar.
Indien geen beroep wordt gedaan op de echtparennorm, heeft de Nederlandse partner recht op bijstand naar de rijksbasisnorm (de norm als bedoeld in artikel 29, 30 en 31 Abw) van een alleenstaande of alleenstaande ouder.
 
          Inkomsten van de niet-rechthebbende partner worden in mindering gebracht op de bijstand voor zover het totale gezinsinkomen meer bedraagt dan de bijstandsnorm voor een echtpaar. De niet-rechthebbende partner is niet via de bijstand tegen ziektekosten verzekerd.
 
 
 
 
    Gezamenlijke huishouding met asielzoeker:       De Nederlander die een gezamenlijke huishouding voert met een asielzoeker heeft recht op bijstand naar de rijksbasisnorm van een alleenstaande of alleenstaande ouder. Ook hier worden inkomsten in mindering gebracht op de bijstand voor zover het gezamenlijke inkomen meer bedraagt dan de echtparennorm. Hetzelfde geldt voor onderstaand geval.
 
 
 
 
    Gezamenlijke huishouding met illegale vreemdeling:
x
      De Nederlander die een gezamenlijke huishouding voert met een illegale vreemdeling heeft/behoudt recht op bijstand naar de rijksbasisnorm van een alleenstaande of alleenstaande ouder. Indien de illegale vreemdeling in het geheel niet kan bijdragen in de kosten van de huishouding, dient op de rijksbasisnorm van de rechthebbende partner de maximale toeslag te worden toegekend die geldt voor een alleenwonende alleenstaande of alleenstaande ouder.
 
 
 
 
    Vreemdeling en militaire dienst:
x
      Wanneer een rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling naar zijn land moet terugkeren voor het vervullen van de militaire dienstplicht, kan hij bij terugkeer in Nederland opnieuw een geldige verblijfstitel verkrijgen. Turken kunnen de dienstplicht voor een groot deel afkopen. Bijstand voor de kosten van een dergelijke afkoopsom is niet mogelijk.
 
Aan het achtergebleven gezin kan bijstand worden verleend. Daarbij dient wel te worden beoordeeld in hoeverre betrokkenen er binnen redelijke grenzen alles aan hebben gedaan om bijstandsafhankelijkheid te voorkomen of te minimaliseren, bijvoorbeeld door het benutten van de mogelijkheden tot uitstel of afkoop van de dienstplicht. De bijstand dient te worden afgestemd op de feitelijke situatie van de achterblijvende gezinsleden.
 
 
 
 
    Remigratiewet:      

Voor personen die willen remigreren kan op grond van de Remigratiewet, uitgevoerd door de Sociale verzekeringsbank (SVB), vestiging Leiden, recht bestaan op de:
A. Basisvoorziening: een eenmalige vergoeding van reis- en verhuiskosten en een vergoeding voor overbrugging van de eerste twee maanden na terugkeer. Voorwaarden zijn o.a. dat de aanvrager 18 jaar of ouder is, hij (en zijn partner) ten minste één jaar ononderbroken, onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag in Nederland verblijf heeft (hebben) gehad op grond van artikel 8, onderdeel c en d, Vw 2000 en geen schulden heeft (hebben) bij het Rijk;
B. Remigratievoorziening: een maandelijkse uitkering en een ziektekostenverzekering. Voorwaarden zijn o.a. dat de aanvrager 45 jaar of ouder is, hij ten minste drie jaren ononderbroken, onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag in Nederland verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, onderdeel c en d, Vw 2000, hij de laatste zes maanden een relevante uitkering heeft ontvangen ingevolge bijvoorbeeld de Abw, Ioaw, Ioaz, WW, WAO, Wajong of AOW en hij (en zijn partner) geen schulden heeft (hebben) bij het Rijk.
 
Rechthebbenden op de voorzieningen van de Remigratiewet kunnen zijn:
1. de aanvragers die zelf, of waarvan de ouders, één van de volgende nationaliteiten hebben of hebben gehad: Bosnië-Herzegovina, Federale Republiek Joegoslavië (Servië en Montenegro), Griekenland, Italië, Kaapverdië, Kroatië, Macedonië, Marokko, Portugal, Slovenië, Spanje, Suriname, Tunesië of Turkije; of
2. de aanvragers die vluchteling of asielgerechtigde zijn; of
3. de aanvragers die de Nederlandse nationaliteit hebben en in Suriname zijn geboren, of waarvan één van de ouders de Nederlandse nationaliteit heeft en in Suriname is geboren; of
4. de aanvragers of wier ouders die waren of zijn opgenomen in het register van de Wet Rietkerk-uitkering. Het betreft hier Molukkers die in 1951 of 1952 in groepsverband door de Nederlandse regering naar Nederland zijn gebracht.
 
 
 

 
    Zie ook:       Hoofdstuk 3 en hoofdstuk 6, 7 en 8 Awb.
 
 
   

 

 

xx

x

 

home | index | register | afkortingen | inhoud Abw | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x