Abw
praktijk

 

               

 

 
vorige

 

HOOFDSTUK  4
Vormen van bijstand



§ 7.  Schuldenregeling en schuldsanering

 

 

 

 

    
   

Algemeen:

     

Zie eerst paragraaf 4, 5 en 6.
 
In het geval er bij de aanvraag voor bijstand in de vorm van een geldlening voor de noodzakelijke aanschaf van duurzame gebruiksgoederen sprake is van één of meerdere nog lopende geldleningen of schulden, dient te worden onderzocht of deze bestaande leningen of schulden zijn aan te merken als noodzakelijk of dat zij in de consumptieve en daarom niet-noodzakelijke sfeer liggen.
 
 
 

 
    Noodzakelijke lopende geldleningen:
x
      Bij lopende leningen die kunnen worden aangemerkt als noodzakelijk dient te worden nagegaan of deze samen met de nieuwe lening kunnen worden ondergebracht in een VKB-lening. De bepalingen van de vorige paragraaf zijn dan van toepassing.
 
Wanneer een dergelijke VKB-lening niet mogelijk is, dient de mogelijkheid van leenbijstand, eventueel met uitgestelde aflossing, te worden onderzocht. Ook hierbij dient onderbrenging van de lopende leningen in de nieuwe lening het uitgangspunt te zijn. Dit houdt in dat SZ namens de belanghebbende de lopende leningen ineens aflost en het aflossingsbedrag bijschrijft bij de nieuwe lening. De hoogte van de nieuwe lening moet dan wel zodanig zijn dat deze binnen drie jaren kan worden afgelost en de belanghebbende blijft beschikken over ten minste de beslagvrije voet.
 
Op grond van individuele omstandigheden kan de bijstand in de vorm van een geldlening ook om niet worden verstrekt.
 
 
 
 
    Niet-noodzakelijke lopende geldleningen:
x
      Indien de lopende leningen als niet noodzakelijk kunnen worden aangemerkt, dient aan de nieuwe lening, die is bestemd voor de noodzakelijke aanschaf van duurzame gebruiksgoederen, voorrang te worden gegeven. Voor zover de belanghebbende daardoor niet langer aan zijn lopende verplichtingen kan voldoen, zal hij met de betrokken schuldeiser(s) een regeling moeten treffen voor een redelijke en/of uitgestelde aflossing. Afhankelijk van de individuele omstandigheden bestaat in dergelijke gevallen ook de mogelijkheid dat de gemeente een geldlening verstrekt met uitgestelde aflossing.
 
 
 
 
    Geen samenvoeging bij lening i.v.m. niet
direct opeisbaar ver- mogen of tekort- schietend besef:
x
      Vanwege de bijzondere aflossingsbepalingen kunnen geldleningen die zijn verstrekt wegens vastliggend of niet direct opeisbaar vermogen niet samen met lopende leningen worden ondergebracht in één nieuwe lening. Hetzelfde geldt voor de bijstand die wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als geldlening is verstrekt.
 
 
 
 
    Schuldsanering en schuldenregeling:
x
      Onder schuldsanering wordt verstaan het volledig oplossen van een schuldenpakket door het verstrekken van een saneringskrediet, waarbij de schuldeisers akkoord moeten gaan met de aflossing van slechts een gedeelte van hun oorspronkelijke vordering. Doorgaans is het de VKB/GKB of een door de gemeente gesubsidieerde instelling die de schuldsaneringen uitvoert. Voor wettelijke schuldsanering zie hieronder bij "WSNP".
 
Bij een schuldenregeling daarentegen wordt zonder de verstrekking van een saneringskrediet tot een totaaloplossing gekomen door met de diverse schuldeisers (betalings)regelingen overeen te komen.
 
Indien de bijstandsconsulent vaststelt dat in een bepaald geval sprake is van een te hoge schuldenlast of te veel betalingsverplichtingen, wordt in de meeste gemeenten doorverwezen naar een derdeninstelling zoals de VKB. De aanvraag dient dan ook bij die instelling te worden ingediend. Daarbij dienen de meest recente loon- en uitkeringsspecificaties te worden overgelegd alsook een lijst van alle schulden met alle bijbehorende gegevens, zoals de hoogte van de restantschulden, de aflossingsverplichtingen, correspondentienummers en naam en adres van de schuldeisers.
 
 
          Indien de gemeente zelf medeschuldeiser is, kan op grond van artikel 78a, eerste lid, Abw akkoord worden gegaan met het voorgestelde saneringskrediet, voor zover er geen sprake is van schulden wegens (artikel 78a, tweede lid, Abw):
a. terugvordering van bijstand als gevolg van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende;
b. vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen kunnen worden verhaald.
 
 
 
 
    Voortgezette borgstelling bij schuldsanering:
x
      In het geval dat van het totale schuldenpakket een VKB-lening deel uitmaakt waarvoor de gemeente borg staat, verzoekt de VKB, wanneer de schuldsanering rond is en een saneringskrediet door haar is verstrekt, de gemeente op te staan als borg voor het dan nog openstaande bedrag van die VKB-lening. Bij dat verzoek dient de VKB aan te geven dat er sprake is geweest van een uitzichtloze schuldenpositie en dat zij harerzijds al het mogelijke heeft gedaan. Vervolgens staat de gemeente op als borg, waarbij er geen vordering op de belanghebbende ontstaat.
 
Indien geen saneringskrediet wordt verstrekt, kan de VKB de beschikbare aflossingscapaciteit maandelijks verdelen over de schuldeisers. Deze schuldenregeling kan ook worden uitgevoerd door de bijstandsconsulent.
 
 
 
 
    Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP):
x
      Met ingang van 1 december 1998 is de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) in werking getreden. De WSNP is als titel III ingevoegd in de Faillissementswet (Fw). De wet biedt mensen met problematische, uitzichtloze schulden uitzicht op een oplossing.
Het doel van de wet is tweeledig:
1. het bieden van een "schone lei" aan de schuldenaar, vandaar de bijnaam Schoneleiregeling; en
2. een stok achter de deur voor schuldeisers om zonder tussenkomst van de rechter mee te werken aan de regeling van schulden.
 
De bedoeling is dat schuldeisers op vrijwillige basis meewerken aan een buitengerechtelijke schuldsanering (minnelijk akkoord). Alleen in het geval dat dat niet is gelukt, kan gebruik worden gemaakt van de wettelijke schuldsanering. Daartoe dient dan een verzoek te worden gedaan aan de rechtbank. In of bij het verzoekschrift wordt onder meer een met redenen omklede verklaring van burgemeester en wethouders, c.q. de door hen gemandateerde kredietbank, opgenomen dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldsanering te komen, alsmede over welke aflossingsmogelijkheden de verzoeker beschikt. De rechtbank beslist binnen een paar weken of de verzoeker tot de schuldsaneringsregeling wordt toegelaten. Onverantwoord koopgedrag, fraude of een eerder faillissement in de tien jaren daarvoor kunnen redenen zijn om het verzoek af te wijzen. (Zo zal in de toekomst een schuldenaar worden geweigerd die in de voorafgaande tien jaren al eens gebruik heeft gemaakt van de WSNP).
 
Bij toelating tot de regeling, waaraan alle partijen dan dienen mee te werken, stelt de rechtbank een saneringsplan vast en benoemt zij een bewindvoerder die de sanering begeleidt. Gedurende een periode van meestal drie jaren (bij bijzondere omstandigheden zoals hoge leeftijd of ziekte soms korter, bij te lage aflossingen soms maximaal vijf jaren) staat de schuldenaar een deel van zijn inkomen (en bezittingen) af om zoveel mogelijk van de schulden af te lossen. Overigens vallen alleen studiefinancieringsschulden buiten de regeling. De uitspraak van de rechtbank, de naam, woonplaats en het beroep van de schuldenaar en de relevante gegevens over de bewindvoerder, worden openbaar gemaakt in de Staatscourant en in één of meer door de rechter-commissaris aan te wijzen nieuwsbladen.
 
De bewindvoerder, vaak een advocaat of een schuldhulpverlener, ziet erop toe dat alles volgens afspraak verloopt. De bewindvoerder dient verslag uit te brengen bij de rechtbank en verder onderhoudt hij contacten met de schuldeisers. Hij verricht onderzoek naar de schulden en inkomsten en neemt een aantal verantwoordelijkheden van de schuldenaar over. Zo kan hij waardevolle bezittingen zoals een auto of caravan verkopen. Het is in beginsel niet de bedoeling huisraad of persoonlijke bezittingen zoals sieraden of erfstukken te verkopen. Verder staat de wet de bewindvoerder toe om de post van de schuldenaar te openen. Deze zogeheten postblokkade dient ertoe om in zakelijke stukken nieuwe feiten over de schuldenaar aan het licht te brengen. Bij klachten over de bewindvoerder kan de rechtbank worden aangesproken.
 
Tijdens de schuldsanering betaalt de schuldenaar in de regel zelf zijn vaste lasten en normale rekeningen. De rechtbank kan echter ook beslissen dat de bewindvoerder dit doet. In dat geval krijgt de schuldenaar maandelijks of wekelijks een vast bedrag aan leefgeld waarvan alleen eten, drinken en vrijetijdsbesteding hoeft te worden bekostigd. Alle overige kosten voldoet de bewindvoerder van het inkomen van de schuldenaar, dat rechtstreeks op de rekening van de bewindvoerder wordt bijgeschreven. Het weekgeld bedraagt voor een volwassene meestal €|35,- en voor een kind €|25,-. Voor sommige handelingen zoals het aanvragen van een geldlening of borgstelling voor een geldlening van een kennis of familielid dient in elk geval toestemming te worden gevraagd aan de bewindvoerder.
 
Evenals bij de buitengerechtelijke schuldsanering kan ook bij de wettelijke regeling een beroep worden gedaan op gespecialiseerde hulpverleners om tijdens de uitvoering van het saneringsplan te kijken naar alle aspecten die de financiële problemen van de schuldenaar veroorzaken. Op die manier is de kans groter dat de schuldenaar na afloop van de regeling wél rond kan komen van zijn inkomen.
 
Na afloop van de vastgestelde periode beoordeelt de rechtbank of het saneringsplan goed is uitgevoerd. Is dat het geval, dan krijgt de schuldenaar een "schone lei", inhoudende dat hij het restant van de schulden niet meer hoeft terug te betalen. Indien de schuldenaar zich niet aan de afspraken houdt of blijkt dat hij onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, kan de rechtbank de regeling beëindigen. Een schone lei wordt dan niet verkregen. In extreme gevallen kan zelfs na afloop van de regeling een verkregen schone lei weer worden kwijtgeraakt doordat de schuldenaar alsnog wordt failliet verkaard.
 
In het zeldzame geval dat er geen gebruik kan worden gemaakt van een voorliggende voorziening zoals hierboven genoemd, kan voor de kosten van bewindvoering bijzondere bijstand worden verleend. Voor de in rekening te brengen kosten geldt doorgaans een maximum van 5% van de inkomensstroom op jaarbasis, exclusief BTW. Als minimum is 5% van de inkomensstroom naar de bijstandsnorm van een alleenwonende alleenstaande van 23 jaar aanvaardbaar. De eerste onderzoekskosten (beredderingsnota) komen geheel voor vergoeding in aanmerking.
 
 
 
 
    Zie ook:       Paragraaf 4, 5 en 6 van dit hoofdstuk.
 
 
   

 

 

xx

x

 

home | index | register | afkortingen | inhoud Abw | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x