Abw
praktijk

 

               

 

 
vorige

 

HOOFDSTUK  5
Van aanvraag tot beroep



§ 1.  De aanvraag

 

 

 

 

    
   

Poortwachters-
functie:
 

     

Voor de rechtmatigheid van de bijstandverlening is het van groot belang dat reeds bij de aanvraag wordt vastgesteld dat de belanghebbende ook daadwerkelijk recht heeft op een bijstandsuitkering. Daarom worden aan de behandeling van de aanvraag strenge eisen gesteld:
1. de belanghebbende is verplicht tot het verstrekken van alle gegevens die nodig zijn om het recht op bijstand vast te stellen;
2. de verstrekte gegevens dienen volledig te zijn;
3. de verstrekte gegevens dienen te worden geverifieerd;
4. de aanvraagprocedure dient eenduidig te zijn; en
5. er dient binnen acht weken op de aanvraag te worden beslist en binnen dertien weken indien het een aanvraag betreft om als zelfstandige bijstand te ontvangen.
 
Gedurende de gehele aanvraagprocedure is het van belang dat de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende wordt benadrukt. De aanvrager dient zijn volledige medewerking aan het onderzoek te verlenen. Indien hij dat weigert, wordt geen bijstand verleend.
 
De bijstandsconsulent dient juist bij de aanvraagprocedure voortdurend alert te zijn op eventuele fraudeaspecten.
 
 
 

 
    Domicilie:
 
      Behoudens de uitzonderingen als bedoeld in artikel 63a Abw dient de belanghebbende de bijstandsaanvraag voor de intake in te dienen bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI) waar de gemeente in welke hij zijn woonstede heeft onder valt (zie ook bijlage 1 bij het Besluit werkgebieden CWI). Het begrip woonstede komt uit het Burgerlijk Wetboek (titel 3 van Boek 1) en brengt onder andere tot uitdrukking dat het moet gaan om een bestendig en vooropgezet verblijf in de gemeente. Het enkel vertoeven in de gemeente valt daar niet onder. Iemand verliest zijn woonstede pas indien zijn wil daartoe uit daden blijkt. Voor wijziging van woonstede zijn aanvullende daden nodig, zoals het opzeggen van de woonruimte in een gemeente en het zich laten uitschrijven uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, bevolkingsregister) van die gemeente. Een postbusadres wordt uiteraard niet als verblijfadres geaccepteerd.
 
Voor de regels die gelden ten aanzien van dak- en thuislozen alsook domiciliegeschillen tussen gemeenten wordt verwezen naar hoofdstuk 2, §6. De aangewezen gemeenten voor de bijstandverlening aan ondernemers (schippers) in de binnenvaart worden genoemd in artikel 25 Bbz.
 
 
 
 
    Domicilie gezin:       Gezinsbijstand wordt verleend door de gemeente waar het gezin zijn woonstede heeft. Indien uit daden van één van de partners blijkt dat deze zijn woonstede wil prijsgeven, bijvoorbeeld wanneer de één (eventueel met kinderen) niet langer met de ander samenwoont, dient de gemeente waar die partner zijn nieuwe woonstede heeft bijstand te verlenen. Ingeval het verblijf in die andere gemeente een vooropgezet tijdelijk karakter heeft, wordt de bijstand op de oude voet voortgezet.
 
 
 
 
    Kinderen/weglopers:       Kinderen jonger dan 18 jaar behoren tot het gezin en zijn begrepen in de gezinsbijstand. Een minderjarige volgt de woonstede van degene die het gezag over hem uitoefent. Indien de ouders gescheiden leven, volgt het kind de woonstede van de ouder bij wie hij feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven.
 
Ten aanzien van een van huis weggelopen minderjarig kind geldt de hoofdregel dat de gemeente waar de ouders hun woonstede hebben de eventuele weglopers- en vervolguitkering dient te verlenen. Zie verder hoofdstuk 2, §4.
 
Voor de niet ten laste komende kinderen van 18 jaar of ouder is de gemeente van de woonstede de bijstandverlenende gemeente.
 
 
 
 
    Noodopvang:       Bij opvang in bijvoorbeeld een Blijf-van-mijn-lijfhuis dient te worden vastgesteld of de belanghebbende zijn woonstede heeft prijsgegeven. Van het prijsgeven van de woonstede is sprake wanneer de belanghebbende niet wenst terug te keren naar zijn (echtelijke) woning en een terugkeer redelijkerwijs ook niet is te verwachten. In dat geval is de gemeente waarin de opvang plaatsvindt de bijstandverlenende gemeente. Indien de belanghebbende te kennen geeft te willen terugkeren naar zijn (echtelijke) woning, blijft de gemeente van herkomst de bijstandverlenende gemeente.
 
Een voorschot als bedoeld in artikel 74 Abw zal gedurende het onderzoek naar het recht op bijstand dienen te worden verleend door de gemeente waarin de opvang plaatsvindt.
 
 
 
 
    Het indienen van de aanvraag:
x
      De aanvraag voor bijstand dient door de belanghebbende schriftelijk te worden ingediend. Daartoe dient gebruik te worden gemaakt van een speciaal daarvoor bestemd aanvraag- en inlichtingenformulier. Onder meer met het oog op spoedgevallen waarin de wil van de belanghebbende niet kenbaar kan worden gemaakt, kan in dergelijke uitzonderlijke gevallen de vaststelling van het recht op bijstand ook ambtshalve geschieden. Wanneer ambtshalve vaststelling heeft plaatsgevonden, kan een aanvraag van de belanghebbende achterwege blijven.
 
De aanvraag bevat in ieder geval:
1. naam en adres van de aanvrager;
2. de dagtekening;
3. het verzoek zelf; en
4. de ondertekening door de aanvrager.
 
 
          De bijstand dient door de echtgenoten gezamenlijk te worden aangevraagd dan wel door één van hen met schriftelijke toestemming van de ander. Burgemeester en wethouders stellen het recht op bijstand ambtshalve vast indien één van de echtgenoten niet met de aanvraag instemt, doch bijstandverlening, gezien de belangen van de overige gezinsleden, niettemin geboden is.
 
 
 
 
    Inlichtingenplicht en identificatieplicht:
x
      De belanghebbende doet aan de gemeente (of de CWI indien het de intake betreft) op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald. De belanghebbende is niet verplicht een ambtenaar van de gemeente tot zijn woning toe te laten. Maar vanaf het moment dat de toegang wordt geweigerd, kunnen de door betrokkene verstrekte gegevens niet langer worden geverifieerd, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De bijstand zal dan op voet van het bepaalde in de artikel 69 Abw worden opgeschort en bij volharding vervolgens worden geweigerd. Net als voor al het overheidshandelen geldt ook voor het huisbezoek dat het evenredig moet zijn in relatie tot de gestelde doelen. Bijvoorbeeld het overleggen van bank- en giroafschriften kan evengoed op het kantoor van SZ, maar de gegevens omtrent de woonsituatie kunnen beter worden gecontroleerd door een huisbezoek.
 
Verder is de belanghebbende op grond van de Wet op de identificatieplicht en de Abw verplicht aan de gemeente desgevraagd terstond een rechtsgeldig identiteitsbewijs (niet een rijbewijs) ter inzage te verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de Abw. De ambtenaar die de aanvraag inneemt, dient aard en nummer van het identiteitsbewijs te registreren.
 
Het hebben van een rechtsgeldig identiteitsbewijs kan niet verplicht worden gesteld, maar zonder rechtsgeldig identiteitsbewijs kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld en kan er daarom geen bijstand worden verleend. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt dan ook geheel bij de belanghebbende zelf.
 
Rechtsgeldige identiteitsbewijzen zijn:
1. een reisdocument als bedoeld in artikel 2 Paspoortwet;
2. de Europese identiteitskaart; en
3. documenten waarover de vreemdeling op grond van de Vreemdelingenwet 2000 dient te beschikken.
 
 
 
 
    Geen terugwerkende kracht:
x
      In beginsel gaat de algemenebijstandsuitkering niet eerder in dan vanaf de dag van melding of aanvraag. Tenzij de te late melding of indiening van de aanvraag verschoonbaar is, heeft een aanvraag geen terugwerkende kracht. Het is daarom van groot belang dat de belanghebbende zich met zijn aanvraag tijdig meldt bij het CWI. Gelet op de behandeltijd van de aanvraag en de daartoe openstaande wettelijke beslistermijn van acht weken en dertien weken voor zelfstandigen (artikel 68, eerste lid, Abw), is het raadzaam de aanvraag ruim tevoren in te dienen.
 
Bij verhuizing en bij afstuderen dient met de ingangsdatum van de bijstand, voor zover deze niet meer dan één maand afwijkt van de aanvraagdatum, soepel te worden omgegaan. Voor de ex-studerende geldt dan wel dat hij zich direct na het einde van zijn studie beschikbaar dient te hebben gesteld voor de arbeidsmarkt.
 
In geval van verwijzing door een uvi of een afwijzende beschikking van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) geldt de datum van melding onderscheidenlijk aanvraag bij het CWI als ingangsdatum van de bijstand, mits de belanghebbende zich binnen drie dagen na de verwijzing onderscheidenlijk de ontvangst van de beschikking bij het CWI heeft gemeld. Indien belanghebbende zich na drie dagen doch binnen één maand bij het CWI meldt, geldt als ingangsdatum van de bijstand de hiervoor bedoelde ingangsdatum en daarbij opgeteld het aantal dagen dat belanghebbende zich te laat bij het CWI heeft gemeld. Ingeval belanghebbende meer dan één maand heeft laten verstrijken, geldt de dag van melding bij het CWI als ingangsdatum van de bijstand.
 
Indien de belanghebbende zich na het eindigen van zijn WW-uitkering te laat bij het CWI meldt, geldt de dag van melding bij het CWI als ingangsdatum van de bijstand. Het UWV zendt de belanghebbende namelijk voorafgaande aan de beëindigingsbeschikking een mededeling ter zake van de einddatum WW-uitkering, zodat hij tijdig bijstand kan aanvragen.
 
 
 
 
    Aanvraag om bijzondere bijstand:
x
      Met het oog op de beoordeling van de noodzaak van de (te maken) kosten dient een aanvraag om bijzondere bijstand in beginsel te worden ingediend vóór of zeer spoedig na het tijdstip waarop de kosten zijn gemaakt. Alleen indien er omtrent de noodzakelijkheid geen twijfel kan bestaan, zoals bij eigen bijdragen en categoriale bijzondere bijstand, en er geen wijziging in de draagkracht heeft plaatsgevonden, kan een latere aanvraag worden geaccepteerd. Bijzondere bijstand kan dan nog tot het einde van het kalenderjaar worden aangevraagd.
 
 
 
 
    Herhaalde aanvraag:
 
      Ook in het geval vooraf meteen al duidelijk is dat het indienen van een aanvraag geen zin heeft, dient de aanvraag - als belanghebbende daarop staat - toch te worden ingenomen en dient er een schriftelijk besluit op te worden genomen. Dit zal zich met name voordoen bij aanvragen waarop al eerder afwijzend is beslist of die reeds eerder buiten behandeling zijn gelaten.
 
Een herhaalde aanvraag waarbij niet blijkt van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden dient te worden afgewezen onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking. Niet-ontvankelijkverklaring is hier dus niet aan de orde.
 
 
 
 
    Doorzending aanvraag:
x

      Wanneer het duidelijk is dat de aanvraag door een andere gemeente in behandeling dient te worden genomen, dient de aanvraag onverwijld naar de betreffende gemeente te worden doorgezonden, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de belanghebbende. Het verdient aanbeveling voor de gemeente in alle gevallen waarbij mogelijk sprake is van een andere domicilie contact op te nemen met de betreffende gemeente.
 
Indien twee gemeenten het niet eens kunnen worden over wie een bijstandsaanvraag in behandeling dient te nemen, dient de gemeente die de aanvraag doorgezonden heeft gekregen het geschil aanhangig te maken bij de Kroon. Hangende deze procedure bestaat het recht op bijstand jegens burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende werkelijk verblijft. Deze kosten van bijstand worden vergoed door de gemeente waarvan de taak is waargenomen. De beslistermijnen vangen aan op het moment dat de belanghebbende mededeling heeft ontvangen van de doorzending of de beslissing daartoe.
 
Indien de gemeente beslist dat de aanvraag niet door haar in behandeling kan worden genomen en dat de aanvraag ook niet kan worden doorgezonden naar een andere gemeente, zendt zij samen met dat besluit de betreffende geschriften zo spoedig mogelijk terug aan de belanghebbende.
 
 
 
 
    Opschorting van rechtswege:
x

      De termijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de gemeente (c.q. de CWI) krachtens artikel 4:5 Awb de belanghebbende uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn (hersteltermijn) ongebruikt is verstreken. Als buiten toedoen van de belanghebbende het onderzoek naar de juistheid en de volledigheid van de door hem verstrekte gegevens niet binnen de beslistermijn kan worden voltooid, besluiten burgemeester en wethouders op de aanvraag op voet van de dan bekende gegevens.
 
Indien de belanghebbende de aanvraag niet binnen de gestelde termijn aanvult, wordt de aanvraag buiten behandeling gelaten. Een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag kan dan achterwege blijven. De beslissing om de aanvraag niet in behandeling te nemen, wordt bij beschikking aan de belanghebbende bekendgemaakt. Tegen dit besluit staat vervolgens het rechtsmiddel bezwaar open en voorlopige voorziening bij spoedeisendheid (zie paragraaf 5 van dit hoofdstuk).
 
 
 
 
    Zie ook:       Hoofdstuk 2§4, §5 en §6, hoofdstuk 4§3 (voorschot) en het Rechtmatigheidsplan van de gemeente.
 
 
   

 

 

xx

x

 

home | index | register | afkortingen | inhoud Abw | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x