|
|
||||||||||||||||||
|
Poortwachters- |
Voor de rechtmatigheid
van de bijstandverlening is het van groot belang dat reeds bij de
aanvraag wordt vastgesteld dat de belanghebbende ook daadwerkelijk recht
heeft op een bijstandsuitkering. Daarom worden aan de behandeling van de
aanvraag strenge eisen gesteld: |
||||||||||||||||||
| Domicilie: |
Behoudens
de uitzonderingen als bedoeld in artikel 63a
Abw
dient de belanghebbende de bijstandsaanvraag voor de intake in te dienen bij het Centrum
voor werk en inkomen (CWI) waar de gemeente
in welke hij zijn woonstede heeft onder valt (zie ook bijlage 1 bij het Besluit
werkgebieden CWI). Het begrip woonstede komt uit het Burgerlijk
Wetboek (titel 3 van Boek
1) en brengt onder andere tot uitdrukking dat het moet gaan om een
bestendig en vooropgezet verblijf in de gemeente. Het enkel vertoeven in
de gemeente valt daar niet onder. Iemand verliest zijn woonstede pas
indien zijn wil daartoe uit daden blijkt. Voor wijziging van woonstede zijn aanvullende daden nodig, zoals het
opzeggen van de woonruimte in een gemeente en het zich laten
uitschrijven uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
(GBA, bevolkingsregister) van die gemeente. Een postbusadres wordt
uiteraard niet als verblijfadres geaccepteerd. Voor de regels die gelden ten aanzien van dak- en thuislozen alsook domiciliegeschillen tussen gemeenten wordt verwezen naar hoofdstuk 2, §6. De aangewezen gemeenten voor de bijstandverlening aan ondernemers (schippers) in de binnenvaart worden genoemd in artikel 25 Bbz. |
||||||||||||||||||
| Domicilie gezin: | Gezinsbijstand
wordt verleend door de gemeente waar het gezin zijn woonstede heeft.
Indien uit daden van één van de partners blijkt dat deze zijn woonstede
wil prijsgeven, bijvoorbeeld wanneer de één (eventueel met kinderen)
niet langer met de ander samenwoont, dient de gemeente waar die partner
zijn nieuwe woonstede heeft bijstand te verlenen. Ingeval het verblijf
in die andere gemeente een vooropgezet tijdelijk karakter heeft, wordt
de bijstand op de oude voet voortgezet. |
||||||||||||||||||
| Kinderen/weglopers: | Kinderen
jonger dan 18 jaar behoren tot het gezin en zijn begrepen in de
gezinsbijstand. Een minderjarige volgt de woonstede van degene die het
gezag over hem uitoefent. Indien de ouders gescheiden leven, volgt het
kind de woonstede van de ouder bij wie hij feitelijk verblijft dan wel
laatstelijk heeft verbleven. Ten aanzien van een van huis weggelopen minderjarig kind geldt de hoofdregel dat de gemeente waar de ouders hun woonstede hebben de eventuele weglopers- en vervolguitkering dient te verlenen. Zie verder hoofdstuk 2, §4. Voor de niet ten laste komende kinderen van 18 jaar of ouder is de gemeente van de woonstede de bijstandverlenende gemeente. |
||||||||||||||||||
| Noodopvang: | Bij
opvang in bijvoorbeeld een Blijf-van-mijn-lijfhuis dient te worden
vastgesteld of de belanghebbende zijn woonstede heeft prijsgegeven. Van
het prijsgeven van de woonstede is sprake wanneer de belanghebbende niet
wenst terug te keren naar zijn (echtelijke) woning en een terugkeer
redelijkerwijs ook niet is te verwachten. In dat geval is de gemeente
waarin de opvang plaatsvindt de bijstandverlenende gemeente. Indien de
belanghebbende te kennen geeft te willen terugkeren naar zijn (echtelijke) woning,
blijft de
gemeente van herkomst de bijstandverlenende gemeente. Een voorschot als bedoeld in artikel 74 Abw zal gedurende het onderzoek naar het recht op bijstand dienen te worden verleend door de gemeente waarin de opvang plaatsvindt. |
||||||||||||||||||
| Het
indienen van de aanvraag: x |
De
aanvraag voor bijstand dient door de belanghebbende schriftelijk te
worden ingediend. Daartoe dient gebruik te worden gemaakt van een
speciaal daarvoor bestemd aanvraag- en inlichtingenformulier. Onder meer
met het oog op spoedgevallen waarin de wil van de belanghebbende niet
kenbaar kan worden gemaakt, kan in dergelijke uitzonderlijke gevallen de
vaststelling van het recht op bijstand ook ambtshalve geschieden. Wanneer ambtshalve
vaststelling heeft plaatsgevonden, kan een aanvraag van de
belanghebbende achterwege blijven. De aanvraag bevat in ieder geval: 1. naam en adres van de aanvrager; 2. de dagtekening; 3. het verzoek zelf; en 4. de ondertekening door de aanvrager. |
||||||||||||||||||
| De
bijstand dient door de echtgenoten gezamenlijk te worden aangevraagd dan
wel door één van hen met schriftelijke toestemming van de ander.
Burgemeester en wethouders stellen het recht op bijstand ambtshalve vast
indien één van de echtgenoten niet met de aanvraag instemt, doch
bijstandverlening, gezien de belangen van de overige gezinsleden,
niettemin geboden is. |
|||||||||||||||||||
| Inlichtingenplicht
en identificatieplicht: x |
De
belanghebbende doet aan de gemeente (of de CWI
indien het de intake betreft) op verzoek of onverwijld uit eigen
beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op
het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de
hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat
aan hem wordt betaald. De belanghebbende is niet verplicht een ambtenaar
van de gemeente tot zijn woning toe te laten. Maar vanaf het moment dat
de toegang wordt geweigerd, kunnen de door betrokkene verstrekte
gegevens niet langer worden geverifieerd, zodat het recht op
bijstand niet kan worden vastgesteld. De bijstand zal dan op voet van
het bepaalde in de artikel 69 Abw
worden opgeschort
en bij volharding vervolgens worden geweigerd. Net als voor al het overheidshandelen geldt
ook voor het
huisbezoek dat het evenredig moet zijn in relatie tot de gestelde doelen.
Bijvoorbeeld het overleggen van bank- en giroafschriften kan evengoed op
het kantoor van SZ, maar de gegevens omtrent de woonsituatie kunnen
beter worden gecontroleerd door een huisbezoek. Verder is de belanghebbende op grond van de Wet op de identificatieplicht en de Abw verplicht aan de gemeente desgevraagd terstond een rechtsgeldig identiteitsbewijs (niet een rijbewijs) ter inzage te verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de Abw. De ambtenaar die de aanvraag inneemt, dient aard en nummer van het identiteitsbewijs te registreren. Het hebben van een rechtsgeldig identiteitsbewijs kan niet verplicht worden gesteld, maar zonder rechtsgeldig identiteitsbewijs kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld en kan er daarom geen bijstand worden verleend. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt dan ook geheel bij de belanghebbende zelf. Rechtsgeldige identiteitsbewijzen zijn: 1. een reisdocument als bedoeld in artikel 2 Paspoortwet; 2. de Europese identiteitskaart; en 3. documenten waarover de vreemdeling op grond van de Vreemdelingenwet 2000 dient te beschikken. |
||||||||||||||||||
| Geen
terugwerkende kracht: x |
In
beginsel gaat de algemenebijstandsuitkering niet eerder in dan vanaf de
dag van melding of aanvraag. Tenzij de te late melding of indiening van
de aanvraag verschoonbaar is, heeft een aanvraag geen terugwerkende
kracht. Het is daarom van groot belang dat de belanghebbende zich met
zijn aanvraag tijdig meldt bij het CWI. Gelet op de behandeltijd van de
aanvraag en de daartoe openstaande wettelijke beslistermijn van acht weken
en dertien weken voor zelfstandigen (artikel 68,
eerste lid, Abw), is het
raadzaam de aanvraag ruim tevoren in te dienen. Bij verhuizing en bij afstuderen dient met de ingangsdatum van de bijstand, voor zover deze niet meer dan één maand afwijkt van de aanvraagdatum, soepel te worden omgegaan. Voor de ex-studerende geldt dan wel dat hij zich direct na het einde van zijn studie beschikbaar dient te hebben gesteld voor de arbeidsmarkt. In geval van verwijzing door een uvi of een afwijzende beschikking van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) geldt de datum van melding onderscheidenlijk aanvraag bij het CWI als ingangsdatum van de bijstand, mits de belanghebbende zich binnen drie dagen na de verwijzing onderscheidenlijk de ontvangst van de beschikking bij het CWI heeft gemeld. Indien belanghebbende zich na drie dagen doch binnen één maand bij het CWI meldt, geldt als ingangsdatum van de bijstand de hiervoor bedoelde ingangsdatum en daarbij opgeteld het aantal dagen dat belanghebbende zich te laat bij het CWI heeft gemeld. Ingeval belanghebbende meer dan één maand heeft laten verstrijken, geldt de dag van melding bij het CWI als ingangsdatum van de bijstand. Indien de belanghebbende zich na het eindigen van zijn WW-uitkering te laat bij het CWI meldt, geldt de dag van melding bij het CWI als ingangsdatum van de bijstand. Het UWV zendt de belanghebbende namelijk voorafgaande aan de beëindigingsbeschikking een mededeling ter zake van de einddatum WW-uitkering, zodat hij tijdig bijstand kan aanvragen. |
||||||||||||||||||
| Aanvraag
om bijzondere bijstand: x |
Met
het oog op de beoordeling van de noodzaak van de (te maken) kosten dient
een aanvraag om bijzondere bijstand in beginsel te worden
ingediend vóór of zeer spoedig na het tijdstip waarop de kosten zijn
gemaakt. Alleen indien er omtrent de noodzakelijkheid geen twijfel kan
bestaan, zoals bij eigen bijdragen en categoriale bijzondere bijstand,
en er geen wijziging in de draagkracht heeft plaatsgevonden, kan een
latere aanvraag worden geaccepteerd. Bijzondere bijstand kan dan nog tot
het einde van het kalenderjaar worden aangevraagd. |
||||||||||||||||||
| Herhaalde
aanvraag: |
Ook
in het geval vooraf meteen al duidelijk is dat het indienen van een
aanvraag geen zin heeft, dient de aanvraag - als belanghebbende daarop
staat - toch te worden ingenomen en dient er een schriftelijk besluit op
te worden genomen. Dit zal zich met name voordoen bij
aanvragen waarop al eerder afwijzend is beslist of die reeds eerder
buiten behandeling zijn gelaten. Een herhaalde aanvraag waarbij niet blijkt van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden dient te worden afgewezen onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking. Niet-ontvankelijkverklaring is hier dus niet aan de orde. |
||||||||||||||||||
| Doorzending
aanvraag: x |
Wanneer
het duidelijk is dat de aanvraag door een andere gemeente
in
behandeling dient te worden genomen, dient de aanvraag onverwijld naar de
betreffende gemeente te worden doorgezonden, onder gelijktijdige
mededeling daarvan aan de belanghebbende. Het verdient aanbeveling voor
de gemeente in
alle gevallen waarbij mogelijk sprake is van een andere domicilie
contact op te nemen met de betreffende gemeente. Indien twee gemeenten het niet eens kunnen worden over wie een bijstandsaanvraag in behandeling dient te nemen, dient de gemeente die de aanvraag doorgezonden heeft gekregen het geschil aanhangig te maken bij de Kroon. Hangende deze procedure bestaat het recht op bijstand jegens burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende werkelijk verblijft. Deze kosten van bijstand worden vergoed door de gemeente waarvan de taak is waargenomen. De beslistermijnen vangen aan op het moment dat de belanghebbende mededeling heeft ontvangen van de doorzending of de beslissing daartoe. Indien de gemeente beslist dat de aanvraag niet door haar in behandeling kan worden genomen en dat de aanvraag ook niet kan worden doorgezonden naar een andere gemeente, zendt zij samen met dat besluit de betreffende geschriften zo spoedig mogelijk terug aan de belanghebbende. |
||||||||||||||||||
| Opschorting
van rechtswege: x |
De
termijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag wordt opgeschort met ingang
van de dag waarop de gemeente (c.q. de CWI) krachtens
artikel
4:5 Awb de belanghebbende uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag
waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn
(hersteltermijn) ongebruikt is verstreken. Als buiten toedoen van de belanghebbende het
onderzoek naar de juistheid en de volledigheid van de door hem
verstrekte gegevens niet binnen de beslistermijn kan worden voltooid,
besluiten burgemeester en wethouders op de aanvraag op voet van de dan
bekende gegevens. Indien de belanghebbende de aanvraag niet binnen de gestelde termijn aanvult, wordt de aanvraag buiten behandeling gelaten. Een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag kan dan achterwege blijven. De beslissing om de aanvraag niet in behandeling te nemen, wordt bij beschikking aan de belanghebbende bekendgemaakt. Tegen dit besluit staat vervolgens het rechtsmiddel bezwaar open en voorlopige voorziening bij spoedeisendheid (zie paragraaf 5 van dit hoofdstuk). |
||||||||||||||||||
| Zie ook: | Hoofdstuk
2§4, §5 en §6,
hoofdstuk 4§3 (voorschot) en het Rechtmatigheidsplan van de
gemeente. |
||||||||||||||||||
|
|
xx x
home | index | register | afkortingen | inhoud Abw | zoeken | volgende © Copyright
Stichting Adviesgroep Bestuursrecht.
Alle rechten voorbehouden. |