Abw
praktijk

 

               

 

 
vorige

 

HOOFDSTUK  6
De bijstandsnorm



§ 1.  Algemeen

 

 

 

 

    
   

De bijstandsnorm:
rijksbasisnorm en gemeentelijke toeslag:
x

     

De algemenebijstandsnormen zijn in beginsel gelijk aan de normen die de wet bepaalt (artikelen 29 tot en met 31 Abw) en kunnen in bepaalde gevallen worden verhoogd met een gemeentelijke toeslag (artikel 33 Abw). De in de wet genoemde normen zijn de rijksbasisnormen. Zowel de hoogte van de toepasselijke norm als de hoogte van een eventueel te verlenen gemeentelijke toeslag is afhankelijk van de leeftijd en de (samen)leefvorm van de belanghebbende(n). De hoogte van de gemeentelijke toeslag is bovendien afhankelijk van de mate waarin andere kosten dan woonkosten kunnen worden gedeeld met een ander.
 
De normen die gelden voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar bedragen evenals de maximale gemeentelijke toeslag een bepaald percentage van het wettelijk minimumloon (WML), dat in dit geval gelijk is aan de echtparennorm ex artikel 30, eerste lid, onderdeel c, Abw. Met de echtparennorm op 100% gesteld, bedraagt de alleenstaandennorm 50%, de alleenstaandeoudernorm 70% en de maximale gemeentelijke toeslag 20% WML.
 

 
   


      Voor personen van 18, 19 of 20 jaar kent de Abw normen die zijn gerelateerd aan het niveau van de kinderbijslag. Indien de noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de toepasselijke norm en voor deze kosten geen beroep kan worden gedaan op de ouder(s), is een toeslag in de vorm van bijzondere bijstand mogelijk tot aan de norm die geldt voor een 21-jarige. Voor 18-, 19- en 20-jarigen die samenleven met een ander of die één of meer kinderen verzorgen, geldt een samengestelde norm.
 
Personen jonger dan 18 jaar zijn uitgesloten van het recht op bijstand. Alleen in uitzonderlijke situaties kan op grond van zeer dringende redenen bijstand worden verleend (zie hoofdstuk 2, §4).
 
 
   

      Voor personen die in een inrichting verblijven gelden normen die zijn gebaseerd op de behoefte aan zak- en kleedgeld. Voor de kosten van vaste lasten kan gedurende een bepaalde periode bijzondere bijstand worden verleend.
 
 
   

      Voor alleenstaanden van 21 en 22 jaar geldt de rijksbasisnorm, genoemd in artikel 30, eerste lid, onderdeel a, Abw. Gelet op het bij deze leeftijden toepasselijke nettominimumjeugdloon, dat lager is dan het nettominimumloon geldend voor een 23-jarige of ouder, gelden voor 21- en 22-jarigen lagere gemeentelijke toeslagen. In de meeste gemeenten heeft de 21-jarige in het geheel geen recht op een gemeentelijke toeslag en heeft de 22-jarige slechts recht op een toeslag van doorgaans 10% WML.
 
 
   

      Voor personen van 65 jaar of ouder gelden normen die zijn gebaseerd op het ouderdomspensioen op grond van de AOW. Een eventuele gemeentelijke toeslag is hier niet van toepassing.
 
 
   

      Behoudens uitzonderingen kan voor een persoon die recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding de rijksbasisnorm of de gemeentelijke toeslag lager worden vastgesteld. Deze schoolverlatersuitkering zal doorgaans niet meer bedragen dan de studiefinancieringsnormen, bedoeld in artikel 48, tweede lid Abw.
 
 
 
 
    Gemeentelijke bij-
standsverordening:
x
      In de Gemeentelijke bijstandsverordening, ook wel Verordening verhogingen en verlagingen van de bijstandsnorm genoemd, worden de volgende (samen)leefvormen onderscheiden:
1.
de alleenwonende alleenstaande;
2. de woningdelende alleenstaande;
3. de alleenwonende alleenstaande ouder;
4. de woningdelende alleenstaande ouder;
5. de gezamenlijke huishouding;
6. de woningdelende gezamenlijke huishouding.
 
Indien de zorg voor het kind of de kinderen van een alleenstaande ouder wordt gedeeld met een ander, kan de gemeente ten aanzien van die alleenstaande ouder een co-oudernorm toepassen.
 
 
 
 
    Alleenwonende:       Een alleenwonende is de belanghebbende die, eventueel met zijn ten laste komend(e) kind(eren), in zijn eentje een woning bewoont. Onder woning wordt verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Huursubsidiewet (Hsw). Het moet dan gaan om een zelfstandige woonruimte (zie hierna). Onder woning wordt mede begrepen een woonwagen en een woonschip.
 
Voor zover de alleenwonende alleenstaande van 23 jaar of ouder en de alleenwonende alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder geen kosten kunnen delen met een ander, hebben zij naast de rijksbasisnorm recht op de maximale gemeentelijke toeslag ex artikel 33 Abw.
 
 
 
 
    Zelfstandige woonruimte:
x
      Zelfstandige woonruimten zijn eengezinswoningen, appartementen, flats, serviceflats en onder bepaalde voorwaarden niet-vrije etages. Zelfstandige woonruimten, al dan niet in een wooncomplex, hebben naast een eigen toegang in ieder geval een eigen, dat wil zeggen een niet met anderen gedeelde, keuken, toilet en wasgelegenheid.
 
Van een niet-vrije etage is sprake wanneer keuken, toilet en wasgelegenheid uitkomen op een gemeenschappelijke ruimte. Indien de bewoner zijn vertrekken kan afsluiten voor andere bewoners en hij deze vertrekken kan bereiken zonder vertrekken van andere bewoners te betreden, kan een niet-vrije etage als zelfstandige woonruimte of woning worden aangemerkt.
 
 
 
 
    Woningdelende:       Een woningdelende is in beginsel de belanghebbende die zijn woning deelt met een ander, niet zijnde een ten laste komend kind. De vorm van de woningdeling, zoals onderhuur, kostgangerschap of medehuur, is daarbij niet relevant.
 
Van een gezamenlijke huishouding is pas sprake indien twee of meer personen dezelfde zelfstandige woonruimte bewonen en zij bovendien blijk geven elkaar wederzijds te verzorgen. Woningdeling met één of meer ten laste komende eigen (stief)kinderen van 18, 19 of 20 jaar leidt voor de alleenstaande ouder tot een alleenwonendennorm, waarbij de hoogte van de gemeentelijke toeslag afhankelijk is van het inkomen van het kind of de kinderen. Inkomsten per kind van niet meer dan 40% van het nettominimumloon worden als zodanig beschouwd dat daarmee geen kosten kunnen worden gedeeld. Hogere inkomsten leidt tot een verlaging van de gemeentelijke toeslag met doorgaans 10% WML. Woningdeling met een kind van 21 jaar of ouder leidt, ongeacht zijn inkomen, altijd tot deze woningdelersnorm.
 
 
 
 
    Woningdeling met verzorgings-
behoeftige:
x
      Indien de belanghebbende zijn woning deelt met een verzorgingsbehoeftige die hij verzorgt, vindt een verlaging van de gemeentelijke toeslag of de rijksbasisnorm plaats van doorgaans 10% WML. Indien de verzorgingsbehoeftige eveneens een bijstandsuitkering ontvangt, wordt ook hij 10% WML gekort wegens het kunnen delen van kosten met een ander. Sommige gemeenten hanteren bij kostendeling, ook in andere gevallen dan deze, een kortingspercentage van slechts 8% WML.
 
 
 
 
    Geheel ontbreken van woonkosten:
x
      Burgemeester en wethouders kunnen de bijstandsnorm of de gemeentelijke toeslag lager vaststellen voor zover de belanghebbende(n) lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft/hebben dan waarin de bijstandsnorm of de toeslag voorziet als gevolg van de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden. Bijvoorbeeld met een kraakpand kan dat het geval zijn, hoewel in het algemeen ook aan kraakpanden kosten zijn verbonden. Bij het geheel ontbreken van woonkosten kan de bijstandsnorm of de gemeentelijke toeslag met 20% WML worden verlaagd.
 
 
 
 
    Gezinsbijstand:
x

      Aan personen die een gezin vormen, wordt de bijstand als gezinsbijstand verstrekt. Dit houdt in dat de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen worden afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van het gehele gezin. Niet tot de middelen van het gezin worden gerekend inkomsten uit arbeid van ten laste komende kinderen jonger dan 18 jaar, alsmede door hen ontvangen werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, tenzij ten behoeve van die kinderen bijzondere bijstand wordt gevraagd (artikel 43, tweede lid, onderdeel g, Abw).
 
Onder gezin wordt verstaan:
1. de gehuwden tezamen;
2. de gehuwden met de tot hun last komende kinderen;
3. de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende kinderen.
 
 
   
      Met gehuwden worden gelijkgesteld ongehuwd samenwonenden en geregistreerde partners. Het geregistreerd partnerschap kent dezelfde rechten en plichten als het huwelijk. Onder ten laste komend kind wordt verstaan het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken.
 
 
 
 
    Uitzonderingen op de gezinsbijstand:
x
      Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om van het beginsel van gezinsbijstand af te wijken indien dit gelet op alle omstandigheden noodzakelijk is. Dit kan zich onder andere voordoen bij van huis weggelopen minderjarigen.
 
Bij opname van één van de partners in een inrichting is de bijstandsnorm de som van de normen die voor ieder van hen als alleenstaande of alleenstaande ouder zouden gelden (artikel 31, tweede lid, Abw). De niet in de inrichting verblijvende partner kan aanspraak maken op een gemeentelijke toeslag.
 
 
 
 
    Niet-rechthebbende partner en toeslagenbeleid:
x
      Indien één van de partners geen recht op algemene bijstand heeft, wordt zijn inkomen slechts in aanmerking genomen voor zover het inkomen van de partners tezamen, met inbegrip van de bijstand die zou worden verleend indien zijn inkomen niet in aanmerking wordt genomen, meer zou bedragen dan de echtparennorm ex artikel 30, eerste lid, onderdeel c, Abw. Ongeacht de hoogte van het inkomen van de niet-rechthebbende partner wordt de rechthebbende partner wegens het kunnen delen van kosten met een ander met doorgaans 10% WML op zijn gemeentelijke toeslag gekort. Indien de niet-rechthebbende partner geen inkomen heeft, dient aan de rechthebbende partner in beginsel een gemeentelijke toeslag op de rijksbasisnorm te worden verleend van 20% WML.
 
Indien de partners gescheiden leven, doch niet duurzaam gescheiden, wordt het inkomen van de niet-rechthebbende partner slechts in aanmerking genomen voor zover dat inkomen de bijstandsnorm inclusief gemeentelijke toeslag van de rechthebbende partner te boven gaat.
 
Indien de niet-rechthebbende partner onderwijs of een beroepsopleiding volgt als bedoeld in artikel 50, derde lid, Abw, geldt voor de rechthebbende partner de schoolverlatersuitkering als bedoeld in artikel 36 Abw (zie paragraaf 7 van dit hoofdstuk).
 
 
 
 
    Zie ook:       Hoofdstuk 2 en de Gemeentelijke bijstandsverordening (Verordening verhogingen en verlagingen van de bijstandsnorm).
 
 
   

 

 

xx

x

 

home | index | register | afkortingen | inhoud Abw | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x