St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

ALGEMENE  KINDERBIJSLAGWET  (AKW)
x
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant
(Zie ook: normbedragen AKW)

 

 

 

 
MEMORIE VAN TOELICHTING

Nadere regelgeving:
- Bekendmaking op grond van de Wet beperking export uitkeringen 2003
- Besluit beleidsregels SVB afwijking ingangsdatum uitkering
- Besluit consumentenprijsindex voor kinderbijslagbedragen
- Besluit controlevoorschriften ten aanzien van kinderbijslaggerechtigden van wie het gezin buiten Nederland woont
- Besluit onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag
- Besluit regels export uitkeringen

- Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999
- Boetebesluit socialezekerheidswetten
- Controlevoorschriften AKW
- Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten
- Regeling aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland 2010
- Regeling gelijkstelling pleegkinderen
- Regeling inkomen kinderbijslag 1997
- Regeling klokuren 2010
- Regeling samenloop met buitenlandse tegemoetkomingen 2008
- Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen
- Regeling terugvordering geringe bedragen
- Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012
- Samenloopbesluit kinderbijslag
- SZW-intrekkingsregeling 2004
- SZW-intrekkingsregeling 2008

Vervallen nadere regelgeving:
- Bekendmaking op grond van de Wet beperking export uitkeringen 2001 (vervallen)
- Besluit begripsomschrijving prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie 1994 (vervallen)
- Besluit bijzondere verhoging kinderbijslag 2006 (vervallen)
- Besluit bijzondere verhoging kinderbijslag januari 2000 (vervallen)
- Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW (vervallen)
- Besluit koranonderwijs AKW/Anw (vervallen)
- Ghanabesluit AKW (vervallen)
- Maatregelbesluit AKW (vervallen)
- Regeling aanwijzing ontwikkelingsorganisaties BEU 2002 (vervallen)
- Regeling aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland (vervallen)

- Regeling ex artikel 7 Algemene Kinderbijslagwet
(vervallen)
- Regeling klokuren 1998 (vervallen)
- Regeling recht op kinderbijslag voor werkloze kinderen in het buitenland (vervallen)

- Regeling samenloop kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet met buitenlandse kinderbijslag of kinderbijslag op grond van een regeling van een volkenrechtelijke organisatie (vervallen)

Relevante overige regelgeving:
- Besluit beleidsregels SVB 2010
- Besluit internationale taken Sociale Verzekeringsbank
- Regeling tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen
- Wet beperking export uitkeringen
- Wet beslistermijnen sociale verzekeringen

 

 

Inhoudsopgave AKW

Hoofdstuk I Algemene bepalingen artt. 1 - 5b
Hoofdstuk II Kring der verzekerden art. 6 - 6a
Hoofdstuk III De kinderbijslag artt. 7 - 25
§ 1x Het recht op kinderbijslag artt. 7 - 13a
§ 2x Het geldend maken van het recht op kinderbijslag artt. 14 - 17h
§ 3x De betaling van de kinderbijslag artt. 18 - 25
Hoofdstuk IV Bijzondere bepalingen voor kinderen die vóór 1 oktober 1986 zijn geboren (vervallen) artt. 26 - 29
Hoofdstuk V De financiering artt. 29a - 29b
Hoofdstuk VI

Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie

artt. 29c - 32
Hoofdstuk VII Strafbepalingen artt. 33 - 40
Hoofdstuk VIII Slotbepalingen artt. 41 - 43
xxxxxxxxxxxxx xxxxxxxxxxx|x

Parlementaire behandeling:
Bijlage Handelingen II 1957-1958, 1959-1960, 1960-1961, 4953.
Handelingen II 1960-1961, blz. 4185-4253; 1961-1962, 4953; 1961-1962, blz. 3257-3294.
Bijlage Handelingen I 1961-1962, 4953.
Handelingen I 1961-1962, blz. 3213-3237.

Geschiedenis:
Staatsblad 1995, 198Staatsblad 1995, 200Staatsblad 1995, 220Staatsblad 1995, 250Staatsblad 1995, 676Staatsblad 1995, 690Staatsblad 1995, 691Staatsblad 1995, 692Staatsblad 1996, 227Staatsblad 1996, 248Staatscourant 1996, 121Staatscourant 1996, 243Staatsblad 1997, 33Staatsblad 1997, 96Staatscourant 1997, 124Staatsblad 1997, 760Staatsblad 1997, 789Staatsblad 1997, 794Staatsblad 1998, 203Staatsblad 1998, 278Staatsblad 1998, 267Staatsblad 1998, 446Staatsblad 1998, 387Staatscourant 1998, 243Staatsblad 1998, 742Staatsblad 1999, 250Staatscourant 1999, 119Staatsblad 1999, 564Staatsblad 1999, 594Staatsblad 1999, 601Staatsblad 2000, 40Staatscourant 2000, 117Staatsblad 2000, 286Staatsblad 2000, 496Staatscourant 2000, 243Staatsblad 2000, 593Staatsblad 2001, 67Staatsblad 2000, 627Staatsblad 2001, 128Staatsblad 2001, 225Staatscourant 2001, 114Staatsblad 2001, 481Staatsblad 2001, 568Staatscourant 2001, 237Staatsblad 2001, 625Staatscourant 2002, 116Staatscourant 2002, 246Staatscourant 2003, 122Staatsblad 2003, 376Staatsblad 2003, 524Staatsblad 2003, 544Staatsblad 2003, 553Staatsblad 2004, 50Staatsblad 2004, 717Staatsblad 2004, 728
Staatsblad 2005, 573Staatscourant 2005, 249Staatsblad 2005, 710Staatsblad 2005, 708Staatsblad 2005, 718Staatscourant 2006, 105Staatsblad 2006, 427Staatsblad 2006, 593Staatscourant 2006, 248Staatscourant 2007, 123Staatsblad 2007, 305Staatsblad 2007, 551Staatsblad 2007, 555Staatscourant 2008, 122Staatsblad 2008, 510Staatscourant 2008, 246Staatsblad 2008, 600Staatsblad 2009, 384Staatsblad 2009, 265Staatsblad 2009, 390Staatsblad 2009, 282Staatsblad 2009, 318Staatsblad 2009, 492Staatsblad 2009, 542Staatsblad 2009, 580Staatsblad 2010, 74Staatsblad 2010, 350Staatsblad 2010, 838Staatsblad 2011, 9Staatsblad 2011, 618Staatsblad 2011, 576Staatscourant 2011, 22935Staatsblad 2011, 645Staatsblad 2011, 650Staatsblad 2012, 198Staatsblad 2012, 462Staatsblad 2012, 463Staatsblad 2012, 614Staatsblad 2012, 682.

 

 

WET van 26 april 1962, Stb. 1962, 160, tot vaststelling van een algemene kinderbijslagverzekering (Algemene Kinderbijslagwet). Laatste tekstplaatsing: Stb. 1990, 128. Inwerkingtreding: 1 augustus 1962 (Stb. 1962, 256).

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen vast te stellen inzake een algemene, de gehele bevolking omvattende, verplichte kinderbijslagverzekering;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

HOOFDSTUK  I

Algemene bepalingen

 

Art. 1. [Begripsbepalingen]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 1997, 789Stb. 1998, 203Stb. 2000, 496Stb. 2011, 9]
Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens;
c. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000;
d. continentaal plat: de exclusieve economische zone van het Koninkrijk, bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet instelling exclusieve economische zone, voor zover deze grenst aan de territoriale zee van Nederland.

 

Art. 2. [Begrip ingezetene]  [GeschiedenisOvWMvT]
Ingezetene in de zin van deze wet is degene die in Nederland woont.

 

Art. 3. [Woonplaats, vestigingsplaats]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2005, 710Stb. 2010, 350]
-1. Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen welke in Nederland hun thuishaven hebben, ten opzichte van de bemanning als deel van Nederland beschouwd.
-3. Hij die Nederland metterwoon heeft verlaten en binnen één jaar nadien metterwoon terugkeert zonder inmiddels in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of op het grondgebied van een andere mogendheid te hebben gewoond, wordt ook voor de duur van zijn afwezigheid geacht in Nederland te hebben gewoond.

 

Art. 4. [Begrip kind]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2010, 74]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder kind: eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind.
-2. Als eigen kind wordt beschouwd het kind:
a. van de vrouw die op grond van artikel 198 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek als zijn moeder wordt aangemerkt;
b. van de man die op grond van artikel 199 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek als zijn vader wordt aangemerkt;
c. van de man die op grond van artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek verplicht is bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding, tenzij het kind reeds op grond van artikel 199 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek als eigen kind van een andere man wordt aangemerkt;
d. van de man wiens biologisch vaderschap door middel van DNA-onderzoek is vastgesteld, mits de man het kind feitelijk in relevante mate onderhoudt en het kind niet reeds tot een andere man in een familierechtelijke vaderschapsrelatie staat;
e. van de man die na toepassing van Nederlands internationaal privaatrecht tot het kind in een familierechtelijke vaderschapsrelatie staat.
-3. Als pleegkind wordt beschouwd het kind dat als eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.
-4. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald in welke gevallen een kind met een pleegkind wordt gelijkgesteld. [Rgp]

 

Art. 5. Vervallen.  [GeschiedenisOvWMvT]

 

Art. 5a. [LBIO als medebelanghebbende]  [GeschiedenisStb. 1995, 198]
Bij een besluit ingevolge de artikelen 14, vierde lid, en 21 is mede belanghebbende het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.

 

Art. 5b. Vervallen.  [GeschiedenisStb. 1997, 789Stb. 1999, 564Stb. 2001, 627 + bis]

 

 

HOOFDSTUK  II

Kring der verzekerden

 

Art. 6. [Kring verzekerden]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 1998, 203Stb. 2000, 496 + bisStb. 2010, 74Stb. 2011, 9]
-1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene die:
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
-2. Niet verzekerd is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden. [Bubkvv99]
-4. Bij een maatregel als bedoeld in het derde lid kan worden bepaald dat bij een niet-rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l,¹ verzekerd zijn:
a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid verrichten dan wel hebben verricht;
b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.

1. Volgens de redactie dient na "onderdeel a tot en met e en l," te worden ingevoegd: van de Vreemdelingenwet 2000.

 

Art. 6a. [Uitbreiding en beperking kring verzekerden i.v.m. internationaal recht]  [GeschiedenisStb. 1998, 267]
Zo nodig in afwijking van artikel 6 en de daarop berustende bepalingen:
a. wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;
b. wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.

 

 

HOOFDSTUK  III

De kinderbijslag

 

§ 1.  Het recht op kinderbijslag

 

Art. 7. [Recht op kinderbijslag] [GA]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 1995, 220Stb. 1995, 676Stb. 1995, 691Stb. 1997, 33Stb. 1997, 760Stb. 1997, 789 + bisStb. 1998, 742Stb. 2000, 593Stb. 2001, 625Stb. 2003, 376Stb. 2003, 544Stb. 2004, 728Stb. 2005, 708Stb. 2008, 600Stb. 2010, 74Stb. 2010, 838Stb. 2011, 650]
-1. De verzekerde heeft overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op kinderbijslag voor een kind dat:
a. jonger is dan 16 jaar en tot zijn huishouden behoort; of
b. jonger is dan 18 jaar en door hem in belangrijke mate wordt onderhouden.
-2. De verzekerde heeft voor een kind van 16 of 17 jaar slechts recht op kinderbijslag, indien:
a. de verzekerde heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, en 4a, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, dan wel daarvan op grond van die wet is vrijgesteld;
b. het kind na het behalen van een startkwalificatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Leerplichtwet 1969 op lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is om tot een school onderscheidenlijk een instelling te worden toegelaten dan wel een vervolgstudie volgt anders dan hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
c. het kind als leerling of deelnemer van een met een school of instelling als bedoeld in artikel 4a van de Leerplichtwet 1969 vergelijkbare inrichting van onderwijs buiten Nederland staat ingeschreven en deze inrichting geregeld bezoekt, dan wel met overeenkomstige toepassing van de vrijstellingsgronden van die wet van die verplichtingen is vrijgesteld;
d. het kind werkloos is.
-3. Een kind als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt voor het vaststellen van het aantal kinderen voor wie recht op kinderbijslag bestaat voor twee kinderen geteld indien het door de verzekerde grotendeels wordt onderhouden en:
a. jonger is dan 16 jaar; en:
1º. door of in verband met het volgen van onderwijs of een beroepsopleiding niet tot het huishouden van de verzekerde, noch als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander behoort; of
[BkAA]
2º. in verband met ziekte of gebreken niet tot het huishouden van de verzekerde, noch als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander behoort; of
b. 16 of 17 jaar is en niet tot het huishouden van de verzekerde, noch als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander behoort.
-4. Voor het vaststellen van de mate waarin een kind door de verzekerde wordt onderhouden worden:
a. het inkomen van het kind geacht te zijn aangewend voor het onderhoud van het kind; en
b. bijdragen in het onderhoud van het kind geleverd door degene met wie de verzekerde een huishouden vormt en degene met wie de verzekerde geen huishouden vormt, maar die krachtens overeenkomst of rechterlijke uitspraak verplicht is bijdragen te leveren voor levensonderhoud ten behoeve van dat kind, aangemerkt als door de verzekerde in het onderhoud van dat kind geleverde bijdragen.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld naar welke wordt beoordeeld of een kind in belangrijke mate of grotendeels door de verzekerde wordt onderhouden.
[Bok] [Rik97]
-6. Voor de toepassing van dit artikel wordt het kind geacht de studie of beroepsopleiding eerst na de vakantie te hebben beëindigd, indien:
a. de studie of de beroepsopleiding wordt beëindigd tijdens een door de onderwijsinstelling vastgestelde vakantie; dan wel
b. de studie of de beroepsopleiding wordt afgesloten met een eindexamen, dat kort vóór het begin van het laatste door de onderwijsinstelling vastgestelde vakantie van het desbetreffende schooljaar wordt afgelegd.
-7. Een kind als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, wordt als werkloos aangemerkt, indien het:
a. een startkwalificatie heeft behaald; en
b. als werkzoekende is geregistreerd bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-8. Een in het buitenland woonachtig kind dat een startkwalificatie heeft behaald dan wel een vorm van onderwijs heeft afgerond die vergelijkbaar is met het behalen van een startkwalificatie wordt als werkloos aangemerkt indien het als werkzoekende is geregistreerd bij een met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vergelijkbare instelling dan wel bij het ontbreken van een dergelijke instelling aannemelijk kan maken dat het werkloos is en beschikbaar is voor de arbeidsmarkt.
-9. Een kind als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, wordt voor het recht op kinderbijslag meegerekend zolang het werkloos is.
-10. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot nadere invulling van het tweede lid, vierde lid, onderdeel a, zevende lid en achtste lid.
[Ra7A] [Rk98] [Rrkwkb]

 

Art. 7a. [Uitsluiting bij recht op studiefinanciering]  [GeschiedenisStb. 1996, 227Stb. 2000, 286Stb. 2010, 74]
-1. De verzekerde heeft geen recht op kinderbijslag overeenkomstig de bepalingen van deze wet voor een kind indien dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000.
-2. Ook bestaat geen recht op kinderbijslag zolang op een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht, ingediend door degene die studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 heeft aangevraagd, geen uitspraak is gedaan.

 

Art. 7b. [Beperking export kinderbijslag]  [GeschiedenisStb. 1999, 250 + bisStb. 1999, 594 + bisStb. 2003, 524Stb. 2010, 74Stb. 2010, 350]
-1. Geen recht op kinderbijslag heeft de verzekerde die op de eerste dag van een kalenderkwartaal niet in Nederland woont. Evenmin heeft de verzekerde recht op kinderbijslag ten behoeve van het kind indien dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal niet in Nederland woont.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de verzekerde dan wel dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal woont in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op kinderbijslag kan bestaan.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing op de verzekerde indien hij dan wel het kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal niet in Nederland woont doch langer dan drie maanden onafgebroken in Nederland verblijft.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat recht bestaat op kinderbijslag voor: [Breu] [RaoB02]
a. de verzekerde die werkzaamheden verricht in het algemeen belang en niet in Nederland woont;
b. de verzekerde die in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba woont; of
c. de gezinsleden van de in de onderdelen a of b bedoelde verzekerde.
-5. Onze Minister deelt mede in welke landen op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op kinderbijslag kan bestaan. In deze mededeling wordt tevens opgenomen: [BB01] [BB03]
a. de vindplaats van het desbetreffende verdrag of besluit; en
b. de eventueel in dat verdrag of besluit aanwezige beperkingen.

 

Art. 7c. [Overgangsrecht 1 januari 2006 voortgezette verzekering]  [GeschiedenisStb. 2005, 718Stb. 2007, 551]
-1. De persoon die tot op de dag vóór inwerkingtreding van de Wet van 22 december 2005 tot wijziging van enige socialeverzekeringswetten in verband met de beëindiging van de verzekeringsplicht van in het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden (Stb. 2005, 718) voortgezet verzekerd was op grond van artikel 27, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, zoals dat artikellid op die dag luidde, en op die dag nog recht op kinderbijslag had, behoudt recht op kinderbijslag zolang het jongste kind voor wie de betrokkene vóór 31 december 1999 recht had op kinderbijslag de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.
-2. Het recht op kinderbijslag, bedoeld in het eerste lid, eindigt, indien hij:
a. niet langer een uitkering, pensioen of toelage ontvangt als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, zoals dat artikellid op 31 december 1999 luidde;
b. buiten Nederland arbeid verricht;
c. een uitkering ontvangt krachtens een buitenlandse wettelijke regeling; of
d. op grond van deze wet geen recht op kinderbijslag meer bestaat.

 

Art. 8. Vervallen[GeschiedenisOvWMvTStb. 1995, 220Stb. 1998, 742Stb. 2003, 376Stb. 2010, 74]

 

Art. 9. Vervallen[GeschiedenisOvWMvTStb. 1995, 220 + bisStb. 2010, 74]

 

Art. 10. Vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 220 + bisStb. 2010, 74]

 

Art. 10a. Door vernummering vervallen.  [GeschiedenisStb. 1995, 220]

 

Art. 11. [Peildatum vaststelling recht op kinderbijslag]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 1995, 220Stb. 1997, 789Stb. 2007, 551Stb. 2010, 74]
-1. Recht op kinderbijslag voor één of meer kinderen over een kalenderkwartaal ingevolge deze wet heeft slechts degene die op de eerste dag van dat kalenderkwartaal verzekerd is dan wel voldoet aan de voorwaarden van artikel 7c.
-2. Voor het vaststellen van het aantal kinderen waarvoor over een kalenderkwartaal recht op kinderbijslag bestaat, worden slechts in aanmerking genomen de kinderen te wier aanzien aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 7, is voldaan op de eerste dag van dat kwartaal.
-3. Wanneer bij het vaststellen van het aantal kinderen waarvoor over een kalenderkwartaal recht op kinderbijslag bestaat, voor één of meer kinderen de mate waarin deze kinderen door de verzekerde worden onderhouden hiervoor bepalend is, wordt het totaal eigen inkomen, vastgesteld met inachtneming van artikel 7, vierde en vijfde lid, van deze kinderen over dat kalenderkwartaal in aanmerking genomen, ongeacht of ten aanzien van deze kinderen gedurende het gehele kwartaal aan de overige voorwaarden, bedoeld in artikel 7, is voldaan.

 

Art. 12. [Hoogte kinderbijslag]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 1995, 691Stb. 1995, 692 + bisStcrt. 1996, 121 + bisStcrt. 1996, 243 + bisStcrt. 1997, 124 + bisStb. 1997, 799 + bisStb. 1998, 387 + bisStcrt. 1998, 243 + bisStcrt. 1999, 119 + bisStb. 1999, 601 + bisStcrt. 2000, 117 + bisStcrt. 2000, 243 + bisStb. 2000, 593Stcrt. 2001, 114 + bisStcrt. 2001, 237 + bisStcrt. 2002, 116 + bisStcrt. 2002, 246 + bisStcrt. 2003, 122 + bisStb. 2003, 553 + bisStcrt. 2005, 249 + bisStcrt. 2006, 105 + bisStb. 2006, 427 + bisStcrt. 2006, 248 + bisStcrt. 2007, 123 + bisStcrt. 2008, 122 + bisStcrt. 2008, 246 + bisStb. 2011, 618Stb. 2011, 576Stcrt. 2011, 22935 + bisStb. 2012, 198 + bisStcrt. 2012, 12517 + bis]
-1. Het basiskinderbijslagbedrag over een kalenderkwartaal bedraagt €|273,78 per kind.
-2. Het basiskinderbijslagbedrag bedraagt voor een kind dat woont buiten Nederland, één van de andere lidstaten van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland, een bij ministeriële regeling vastgesteld percentage van het bedrag, genoemd in het eerste lid. Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar het kind woonachtig is en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal 100. [Rwsz12]
-3. Het aan een verzekerde over een kalenderkwartaal te betalen bedrag aan kinderbijslag bedraagt voor een kind dat op de eerste dag van dat kwartaal:
a. jonger is dan 6 jaar: 70%;
b. 6 jaar of ouder, maar jonger is dan 12 jaar: 85%; en
c. 12 jaar of ouder, maar jonger is dan 18 jaar: 100%;
van het op grond van het eerste en tweede lid vastgestelde basiskinderbijslagbedrag.
-4. De kinderbijslag op grond van het derde lid, onderdeel b en c, wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.

 

Art. 13. [Herziening bedragen | Begrip consumentenprijsindex]  [GeschiedenisStb. 1995, 691Stb. 2000, 593Stb. 2003, 553Stb. 2005, 708Stb. 2006, 593Stb. 2009, 265Stb. 2012, 198]
-1. Het bedrag, genoemd in artikel 12, eerste lid, wordt al naargelang de ontwikkeling van het algemene prijsniveau verhoogd of verlaagd.
-2. Het bedrag, genoemd in artikel 12, eerste lid, wordt bij ministeriële regeling telkens herzien met ingang van 1 januari en 1 juli. Bij een herziening met ingang van 1 januari onderscheidenlijk 1 juli wordt dit bedrag verhoogd of verlaagd met hetzelfde percentage als waarmede de consumentenprijsindex over de maand oktober daaraan voorafgaande onderscheidenlijk over de maand april daaraan voorafgaande, naar boven of naar beneden afwijkt van de consumentenprijsindex waarop de laatste herziening is gebaseerd.
In afwijking van de eerste volzin blijft herziening per 1 januari onderscheidenlijk per 1 juli achterwege indien
de consumentenprijsindex over de maand oktober onderscheidenlijk over de maand april daaraan voorafgaande geen afwijking vertoont ten opzichte van de consumentenprijsindex waarop de laatste herziening is gebaseerd.
-3. Het overeenkomstig het tweede lid herziene bedrag treedt in de plaats van het bedrag, genoemd in artikel 12, eerste lid.
-4. Indien daartoe naar Ons oordeel een bijzondere aanleiding bestaat, kan het bedrag, genoemd in artikel 12, eerste lid, bij algemene maatregel van bestuur met ingang van een bij die algemene maatregel van bestuur aan te geven datum worden verhoogd. Het ingevolge de vorige zin verhoogde bedrag treedt in de plaats van het bedrag, genoemd in artikel 12, eerste lid. [Bbvk06] [Bbvkj00]
-5. Indien een verhoging als bedoeld in het vierde lid samenvalt met een herziening als bedoeld in het tweede lid, wordt het kinderbijslagbedrag voorafgaande aan de verhoging herzien en geschiedt de herziening, in afwijking van het tweede lid, bij de in het vierde lid bedoelde algemene maatregel van bestuur.
-6. Hetgeen onder consumentenprijsindex, bedoeld in het tweede lid, wordt verstaan, wordt nader bij algemene maatregel van bestuur geregeld. [Bbpg94] [Bck]
-7. Indien het bedrag, genoemd in artikel 12, eerste lid, wordt gewijzigd, worden de uit de toepassing van artikel 12, derde lid, met betrekking tot dat bedrag voortvloeiende bedragen door Onze Minister bekendgemaakt in de Staatscourant.
-8. Een herziening van de kinderbijslag op grond van dit artikel vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
-9. De Sociale verzekeringsbank betaalt de herziene kinderbijslag, bedoeld in het achtste lid, bij de eerstvolgende betaling van de kinderbijslag nadat de herziening, bedoeld in het tweede lid, heeft plaatsgevonden.

 

Art. 13a. [Niet indexeren basiskinderbijslagbedrag per 1 januari 2013 en 2014]  [GeschiedenisStb. 1995, 250Stb. 2012, 614]
-1. In afwijking van artikel 13, tweede lid, wordt het bedrag, genoemd in artikel 12, met ingang van 1 januari 2013 en 1 januari 2014 niet herzien.
-2. Voor de herziening van het bedrag met ingang van 1 juli 2013 respectievelijk 1 juli 2014 wordt voor de toepassing van artikel 13, tweede lid, onder "de consumentenprijsindex waarop de laatste herziening is gebaseerd" verstaan: de consumentenprijsindex over de maand oktober 2012 respectievelijk de maand oktober 2013.
-3. Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2015.

 

 

§ 2.  Het geldend maken van het recht op kinderbijslag

 

Art. 14. [Aanvraag en aanvang kinderbijslag]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 1995, 198Stb. 1995, 220Stb. 1995, 691Stb. 2000, 593Stb. 2001, 625]
-1. De Sociale verzekeringsbank stelt op aanvraag vast of een recht op kinderbijslag bestaat.
-2. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door de Sociale verzekeringsbank beschikbaar gesteld aanvraagformulier.
-3. Het recht op kinderbijslag kan niet vroeger ingaan dan één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welk de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend. De Sociale verzekeringsbank is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van het bepaalde in de vorige volzin. [BbSaiu]
-4. Indien de verzekerde nalaat een aanvraag om kinderbijslag in te dienen, kan deze aanvraag worden ingediend door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, dat tevens adviseert aan wie de kinderbijslag wordt betaald.

 

Art. 14a. [Herziening of intrekking toekenningsbesluit]  [GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 2001, 625Stb. 2012, 463]
-1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van kinderbijslag en ter zake van weigering van kinderbijslag herziet de Sociale verzekeringsbank een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 15 of 16 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van kinderbijslag;
b. indien anderszins de kinderbijslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 15 of 16 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op kinderbijslag bestaat.
-2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van
herziening of intrekking als bedoeld in het eerste lid af te zien.
-3. Indien de verzekerde of de persoon aan wie of de instelling waaraan op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald niet op grond van artikel 15a desgevraagd aantoont dat is voldaan aan artikel 15a, eerste lid, onderdeel a en b, en als gevolg hiervan niet kan worden vastgesteld tot wiens huishouden het kind behoort, wordt het recht op kinderbijslag vastgesteld, herzien of ingetrokken en het recht op kinderbijslag geldend gemaakt overeenkomstig hoofdstuk III, paragraaf 1 en 2.

 

Art. 15. [Inlichtingenverplichting]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 1996, 248Stb. 1997, 789Stb. 2001, 625Stb. 2003, 544Stb. 2007, 555]
-1. De verzekerde, alsmede de persoon aan wie of de instelling waaraan op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, zijn verplicht aan de Sociale verzekeringsbank op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op kinderbijslag, de hoogte van de kinderbijslag, het geldend maken van het recht op kinderbijslag of op het bedrag van de kinderbijslag dat wordt betaald.
-2. De verplichting van het eerste lid geldt niet, indien:
a. die feiten en omstandigheden door de Sociale verzekeringsbank kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens dit onderdeel van toepassing is; of
b. het kind voor wie kinderbijslag wordt betaald recht krijgt op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000.

 

Art. 15a. [Onderzoek woonsituatie]  [Geschiedenis:  Stb. 2012, 463]
-1. In aanvulling op artikel 15 kan de Sociale verzekeringsbank de verzekerde of de persoon aan wie of de instelling waaraan op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, verzoeken aan te tonen dat:
a. ten aanzien van een kind als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, wordt voldaan aan de voorwaarden, gesteld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid; of
b. een kind als bedoeld in artikel 7, derde lid, niet tot het huishouden van de verzekerde noch tot het huishouden van een ander behoort.
-2. Teneinde de verzekerde of de persoon aan wie of de instelling waaraan op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald daartoe in de gelegenheid te stellen, kan de Sociale verzekeringsbank bij dit verzoek aanbieden met de toestemming van de verzekerde of de bewoner van de woning waar het kind woont de woning van verzekerde onderscheidenlijk de woning waar het kind woont binnen te treden.
-3. Indien door het ontbreken van toestemming van de bewoner niet kan worden vastgesteld tot wiens huishouden het kind behoort, heeft dit gevolgen voor het recht op en het geldend maken van het recht op kinderbijslag.

 

Art. 16. [Controlevoorschriften en reikwijdte]  [GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 1997, 96Stb. 2001, 625Stb. 2012, 463]
-1. De Sociale verzekeringsbank is bevoegd controlevoorschriften vast te stellen. Deze voorschriften mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet. [Bckgbn] [CA]
-2.
De verzekerde, alsmede de persoon aan wie of de instelling waaraan op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, zijn verplicht de voorschriften op te volgen en anderszins aan de Sociale verzekeringsbank desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

 

Art. 17. [Weigering kinderbijslag bij niet-nakoming verplichtingen | Afstemming maatregel]  [GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 1997, 96 + bisStb. 1997, 789Stb. 1998, 742Stb. 2001, 625 + bis + bisStb. 2007, 305Stb. 2009, 265]
-1. De Sociale verzekeringsbank weigert de kinderbijslag tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk indien de verzekerde of de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, een verplichting op grond van artikel 16 opgelegd, of de verplichting, bedoeld in artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen, dan wel de verplichting, bedoeld in artikel 15 niet binnen de door de Sociale verzekeringsbank daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen.
-2. Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde dan wel de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 15, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van kinderbijslag, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de verzekerde, of de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, een zodanige waarschuwing is gegeven.
-4. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-5. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 17a wordt opgelegd.
-6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid. [MA] [Mszw]

 

Art. 17a. [Bestuurlijke boete bij niet-nakoming inlichtingenverplichting | Schriftelijke waarschuwing | Reformatio in peius]  [GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 1997, 96Stb. 1997, 789Stb. 1998, 742Stb. 2001, 481Stb. 2001, 625Stb. 2005, 708Stb. 2009, 265Stb. 2012, 462]
-1. De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde, of de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, van de verplichting, bedoeld in artikel 15. De bestuurlijke boete is niet lager dan de boete die op grond van het derde lid zou worden opgelegd indien er geen sprake was van een benadelingsbedrag.
-2. In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 15, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan kinderbijslag is verleend.
-3. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde, of de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, van de verplichting, bedoeld in artikel 15, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, legt de Sociale verzekeringsbank een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
-4. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het derde lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 15, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de verzekerde, of aan de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, een zodanige waarschuwing is gegeven.
-5. De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde, of de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, van de verplichting, bedoeld in artikel 15, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan kinderbijslag is ontvangen, van ten hoogste 150% van het benadelingsbedrag indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden.
-6. In afwijking van het vijfde lid is het in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de verzekerde, of de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, is gestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
-7. De Sociale verzekeringsbank kan:
a. de bestuurlijke boete verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid;
b. afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-8. Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
-9. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. [Bszw]
-10. In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de verzekerde, dan wel de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, wijzigen.

 

Art. 17b. Vervallen[GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 2001, 625Stb. 2009, 265]

 

Art. 17c. [Nadere regelgeving tenuitvoerlegging bestuurlijke boete]  [GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 2001, 625 + bis + bisStb. 2009, 265]
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de termijn waarvoor uitstel van betaling van de bestuurlijke boete kan worden verleend alsmede omtrent de hoogte van het op grond van artikel 17g, eerste of tweede lid, te verrekenen bedrag en de termijn of termijnen waarbinnen deze verrekening plaatsvindt. [BibobbAAA] [Rtbbtob]

 

Art. 17d. Vervallen[GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 2001, 625Stb. 2009, 265]

 

Art. 17e. Vervallen[GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 2001, 625Stb. 2009, 265]

 

Art. 17f. Vervallen[GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 2009, 265Stb. 2012, 462]

 

Art. 17g. [Invordering bestuurlijke boete]  [GeschiedenisStb. 1995, 690Stb. 1996, 248Stb. 1997, 96Stb. 1997, 789Stb. 1997, 794Stb. 1998, 742 + bisStb. 2001, 568Stb. 2001, 625Stb. 2003, 376Stb. 2004, 717Stb. 2005, 573Stb. 2005, 708Stb. 2009, 265Stb. 2009, 390Stb. 2009, 282Stb. 2009, 318Stb. 2009, 580Stb. 2011, 645Stb. 2011, 650Stb. 2012, 462]
-1. De Sociale verzekeringsbank verrekent de bestuurlijke boete met kinderbijslag op grond van deze wet, ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet of een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet, die degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel degene met wie hij een huishouden vormt, ontvangt.
-2. Het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente, onderscheidenlijk het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op haar verzoek aan de Sociale verzekeringsbank indien degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel degene met wie hij een huishouden vormt, een uitkering ontvangt op grond van de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan de Sociale verzekeringsbank. Indien de Sociale verzekeringsbank gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene aan wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang de verzekerde en degene met wie hij een huishouden vormt, dan wel de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, zijn verplichting als bedoeld in artikel 17a, achtste lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is de Sociale verzekeringsbank, in afwijking van artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht, niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.

 

Art. 17h. [Verrekening bestuurlijke boete bij recidive]  [GeschiedenisStb. 2012, 462]
-1. Bij de verrekening, bedoeld in artikel 17g, eerste lid, wordt de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 17a, vijfde lid, door Sociale verzekeringsbank, in afwijking van artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, verrekend gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.
-2. Artikel 17g, eerste lid, en het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing op de verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, indien en voor zover op het moment van verrekening, bedoeld in het eerste lid, de bestuurlijke boete door de overtreder niet is betaald.
-3. De Sociale verzekeringsbank kan op verzoek van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, besluiten het eerste en tweede lid niet of niet meer toe te passen indien, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.
-4. De voorgaande leden laten de verrekening van de bestuurlijke boete op grond van artikel 17g, eerste, na het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, onverlet.
-5. Indien als gevolg van de verrekening, bedoeld in het eerste en tweede lid, algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand wordt toegekend, wordt bij de verrekening een bij ministeriële regeling bepaald deel van de kinderbijslag op grond van deze wet vrijgelaten in verband met zorgkosten, woonkosten en de kosten van kinderen. Het vrij te laten deel van de kinderbijslag kan afhankelijk worden gesteld van de leefsituatie.

 

 

§ 3.  De betaling van de kinderbijslag

 

Art. 18. [Betaalbaarstelling kinderbijslag]  [GeschiedenisStb. 2001, 128Stb. 2001, 625Stb. 2009, 265Stb. 2010, 74Stb. 2010, 838]
-1. De Sociale verzekeringsbank betaalt de kinderbijslag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na afloop van het kwartaal waarover recht op kinderbijslag bestaat.
-2. Indien twee personen die gezamenlijk een huishouden vormen, over eenzelfde tijdvak recht op kinderbijslag voor eenzelfde kind hebben, wordt de kinderbijslag uitbetaald aan degene van hen die zij gezamenlijk daartoe hebben aangewezen.
-3. Bij gebreke van een gezamenlijke aanwijzing als bedoeld in het tweede lid bepaalt de Sociale verzekeringsbank aan welke persoon de kinderbijslag wordt uitbetaald.
-4. Indien twee of meer personen waaronder één persoon tot wiens huishouden het kind behoort, over eenzelfde tijdvak recht op kinderbijslag voor eenzelfde kind hebben, wordt de kinderbijslag waarop degene recht heeft tot wiens huishouden dit kind niet behoort, niet betaald.
-5. Indien twee of meer personen over eenzelfde tijdvak recht hebben op kinderbijslag voor eenzelfde kind, in andere situaties dan bedoeld in het tweede en vierde lid, wordt betaald de kinderbijslag waarop degene recht heeft die de hoogste bijdrage in het onderhoud van dit kind levert. Aan de andere personen wordt geen kinderbijslag uitbetaald.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot situaties van samenloop, bedoeld in het tweede, vierde en vijfde lid, nadere en aanvullende regels worden gesteld waarbij bepaald kan worden dat aan een ander persoon de kinderbijslag wordt uitbetaald dan de persoon, bedoeld in het vierde en vijfde lid. [Sk]
-7. De kinderbijslag die op grond van het tweede tot en met zesde lid aan een verzekerde wordt betaald, kan op verzoek van die verzekerde in gedeelten aan meer verzekerden worden betaald.
-8. Indien de kinderbijslag in het buitenland wordt uitbetaald, geschiedt de betaling, in afwijking van artikel 4:89, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.

 

Art. 19. [Opschorting of schorsing betaling kinderbijslag] [Bckgbn]  [GeschiedenisStb. 2001, 625Stb. 2012, 463]
De Sociale verzekeringsbank schort de betaling van de kinderbijslag op of schorst de betaling, indien zij op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat:
a. het recht op kinderbijslag niet of niet meer bestaat; 
b. recht op een lagere kinderbijslag bestaat; of
c. de verzekerde, alsmede de persoon aan wie of de instelling aan welke op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, een verplichting hem of haar op grond van
de artikelen 15, 15a, eerste lid, en 16 opgelegd, niet is nagekomen.

 

Art. 19a. [Opschorting betaling kinderbijslag bij afwijking adres]  [GeschiedenisStb. 2001, 67Stb. 2001, 625]
-1. De Sociale verzekeringsbank schort de betaling van de kinderbijslag op indien blijkt dat het door de verzekerde verstrekte adres van hemzelf of van zijn kind afwijkt van het adres waaronder de verzekerde of het kind in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven.
-2. Geen opschorting vindt plaats:
a. indien de afwijking redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op of de hoogte van de kinderbijslag;
b. indien de belanghebbende van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
-3. De Sociale verzekeringsbank doet schriftelijk mededeling van de opschorting aan de verzekerde.
-4. De opschorting wordt beëindigd zodra het aan de Sociale verzekeringsbank gebleken is dat de afwijking niet meer bestaat.

 

Art. 20. [Nadere regelgeving samenloop met buitenlandse kinderbijslag]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 1997, 789Stb. 2010, 74]
Indien voor hetzelfde kind kinderbijslag of een naar aard en strekking daarmee overeenkomende gezinsbijslag kan worden betaald ingevolge deze wet en ingevolge een rechtens geldende regeling bestaande in een ander land of ingevolge een regeling van een volkenrechtelijke organisatie, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld ter voorkoming of beperking van samenloop met dergelijke gezinsbijslagen of ter voorkoming van dubbele kinderbijslag. [Rsbt08] [RskAbkkrvo]

 

Art. 21. [Betaalbaarstelling kinderbijslag aan ander]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 1995, 198Stb. 2001, 625]
De Sociale verzekeringsbank is bevoegd, voor zover nodig na ingewonnen advies van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, de kinderbijslag voor een kind te betalen aan een ander dan de rechthebbende.

 

Art. 21a. [Voorschot]  [GeschiedenisStb. 2003, 544Stb. 2009, 265]
Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een voorschot op de nog niet vastgestelde kinderbijslag beschouwd als kinderbijslag op grond van deze wet.

 

Art. 22. [Verjaring betaalbaarstelling]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2001, 625]
De kinderbijslag die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen drie maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer betaald. De Sociale verzekeringsbank is bevoegd in bijzondere gevallen ten gunste van degene aan wie de kinderbijslag wordt betaald af te wijken van de in de eerste volzin genoemde drie maanden.

 

Art. 23. [Onvervreemdbaarheid kinderbijslag]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 1998, 446Stb. 2004, 728]
-1. De kinderbijslag is:
a. onvervreemdbaar;
b. niet vatbaar voor verpanding of belening;
c. behoudens voor zoveel dit dient tot verhaal van een uitkering tot levensonderhoud van het kind of tot terugvordering van onverschuldigd betaalde kinderbijslag als bedoeld in artikel 24, niet vatbaar voor executoriaal of conservatoir beslag noch voor beslag ingevolge faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
-2. Volmacht tot ontvangst van kinderbijslag, onder welke vorm of welke benaming ook door de verzekerde verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig met enige bepaling van dit artikel is nietig.

 

Art. 24. [Terugvordering]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 1996, 248Stb. 1997, 789Stb. 1998, 278 + bisStb. 1998, 742Stb. 2001, 625Stb. 2009, 265Stb. 2012, 462]
-1. De kinderbijslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de Sociale verzekeringsbank van de verzekerde, dan wel degene met wie hij een huishouding vormt, of de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, teruggevorderd.
-2. In afwijking van het eerste lid kan de Sociale verzekeringsbank besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien indien de verzekerde, dan wel degene met wie hij een huishouding vormt, of de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.
-3. De in het tweede lid, onderdeel a, b en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 15.
-4. De in het tweede lid, onderdeel a en b, genoemde termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 15.
-5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
-6. Degene van wie wordt teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
-7. In afwijking van het eerste lid kan de Sociale verzekeringsbank, onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat. [Rtgb]

 

Art. 24a. [Invordering bij dwangbevel]  [GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 1998, 278Stb. 2001, 625Stb. 2004, 728Stb. 2009, 265]
-1. De Sociale verzekeringsbank kan de onverschuldigd betaalde kinderbijslag, bedoeld in artikel 24, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
-2. Artikel 17g is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan, de Sociale verzekeringsbank de aflossingsbedragen lager vaststelt; en
b. indien degene van wie wordt teruggevorderd, dan wel degene met wie hij een huishouden vormt, kinderbijslag op grond van deze wet ontvangt, in afwijking van artikel 17g, eerste lid, het besluit tot terugvordering ten uitvoer kan worden gelegd door verrekening met die bijslag.

 

Art. 24b. [Nadere regelgeving tenuitvoerlegging onverschuldigde betaling]  [GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 1998, 278Stb. 2001, 625 + bisStb. 2009, 265]
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald. [BibobbAAA] [Rtbbtob]

 

Art. 24c. [Schuldregeling]  [GeschiedenisStb. 2008, 510Stb. 2011, 618]
-1. In afwijking van artikel 24, eerste lid, kan de Sociale verzekeringsbank, op verzoek van de verzekerde, dan wel degene met wie hij een huishouding vormt, of de persoon aan wie op grond van de artikelen 7c of 21 kinderbijslag wordt betaald, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere terugvordering af te zien bij medewerking aan een schuldregeling, indien:
a. redelijkerwijs te voorzien is dat verzekerde, dan wel degene met wie hij een huishouding vormt, of de persoon aan wie op grond van de artikelen 7c of 21 kinderbijslag wordt betaald, niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen;
b. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van de Sociale verzekeringsbank wegens onverschuldigde betaling ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang;
d. een naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank betrouwbaar voorstel voor een schuldregeling tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48 van de Wet op het consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat medewerking aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend werkt; en
f. uitdeling in het kader van de schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door de verzekerde, dan wel degene met wie hij een huishouding vormt, of de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, van de verplichting, bedoeld in artikel 15, en hiervoor een boete als bedoeld in artikel 17a is opgelegd, dan wel met betrekking tot het niet naleven van die verplichting aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van Strafrecht.
-3. Het besluit tot het afzien van terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van de verzekerde, dan wel degene met wie hij een huishouding vormt, of de persoon aan wie op grond van de artikelen 7c of 21 kinderbijslag wordt betaald, gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. de verzekerde, dan wel degene met wie hij een huishouding vormt, of de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, zijn schuld aan de Sociale verzekeringsbank niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten aanzien van de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.

 

Art. 24d. [Preferentie]  [GeschiedenisStb. 2008, 510Stb. 2011, 618]
Een vordering van de Sociale verzekeringsbank als bedoeld in de artikelen 24 en 24c is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld in artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

 

Art. 25. [Betaling kinderbijslag aan IB-Groep]  [GeschiedenisStb. 1995, 200Stb. 1995, 220Stb. 1995, 676Stb. 2000, 286Stb. 2000, 593Stb. 2001, 225Stb. 2001, 625Stb. 2009, 492]
-1. Indien over een tijdvak waarover krachtens de Wet studiefinanciering 2000 aan een kind studiefinanciering is verleend, naderhand ten behoeve van dat kind recht op kinderbijslag wordt vastgesteld, is de Sociale verzekeringsbank bevoegd die kinderbijslag over dat tijdvak en over latere tijdvakken, in plaats van aan degene aan wie de kinderbijslag zou dienen te worden betaald, zonder diens machtiging tot het bedrag van de betaalde studiefinanciering over dat tijdvak te betalen aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
-2. Van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan de Sociale verzekeringsbank gebruik maken tot en met twee kalenderjaren na de vaststelling van het recht op kinderbijslag.
-3. Hetgeen in het eerste en het tweede lid is bepaald ten aanzien van studiefinanciering, verleend krachtens de Wet studiefinanciering 2000, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten, verleend krachtens hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
-4. De Sociale verzekeringsbank kan aan een verzekerde ten onrechte betaalde kinderbijslag verrekenen met een tegemoetkoming waarop een verzekerde ten behoeve van hetzelfde kind op grond van artikel 3, eerste lid, juncto artikel 9 van de Kaderwet SZW-subsidies en de daarop berustende bepalingen aanspraak maakt.

 

 

HOOFDSTUK  IV

Bijzondere bepalingen voor kinderen die vóór 1 oktober 1986 zijn geboren

Vervallen

 

Art. 26. Vervallen[GeschiedenisStb. 1995, 200 + bisStb. 1995, 220Stb. 1995, 691 + bisStb. 1997, 33]

 

Art. 26a. Vervallen.  [GeschiedenisStb. 1995, 691 + bisStb. 1997, 33]

 

Art. 27. Vervallen.  [GeschiedenisStb. 1995, 220Stb. 1995, 691 + bisStb. 1997, 33]

 

Art. 28. Vervallen.  [GeschiedenisStb. 1995, 691 + bisStb. 1997, 33]

 

Art. 29. Vervallen.  [GeschiedenisStb. 1995, 691 + bisStb. 1997, 33]

 

 

HOOFDSTUK  V

De financiering

 

Art. 29a. [Beheer, administratie en financiering AKf]  [GeschiedenisStb. 1996, 248Stb. 2001, 625]
-1. De Sociale verzekeringsbank beheert en administreert afzonderlijk de middelen tot dekking van de uitgaven, bedoeld in het derde lid, in de vorm van een Algemeen Kinderbijslagfonds dat deel uitmaakt van de Sociale verzekeringsbank, alsmede door de met toepassing van artikel 17a verkregen boeten.
-2. In de middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van het Algemeen Kinderbijslagfonds wordt voorzien door het Rijk, onderscheidenlijk de afdracht van de boeten, bedoeld in artikel 17a, door de Sociale verzekeringsbank.
-3. De ingevolge deze wet uit te keren kinderbijslagen en de aan de uitvoering van deze wet verbonden kosten komen ten laste van het Algemeen Kinderbijslagfonds.

 

Art. 29b. Vervallen.  [Geschiedenis]

 

 

HOOFDSTUK  VI

Bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie

 

Art. 29c. [Beslistermijnen aanvraag]  [GeschiedenisStb. 2001, 627Stb. 2009, 542Stb. 2011, 618]
-1. Een beschikking op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
-2. De redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde lid is gedaan.
-3. Indien een beschikking niet binnen de termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld.

 

Art. 29d. Vervallen[GeschiedenisStb. 2005, 573Stb. 2012, 682]

 

Art. 30. [Beslistermijn bezwaar]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2001, 625Stb. 2009, 384]
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht beslist de Sociale verzekeringsbank binnen dertien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

 

Art. 31. [Beroep in cassatie]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 1997, 789]
-1. Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2, 3 of 6.
-2. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.

 

Art. 32. Vervallen.  [GeschiedenisOvWMvT]

 

 

HOOFDSTUK  VII

Strafbepalingen

 

Art. 33. Vervallen.  [GeschiedenisOvWMvT]

 

Art. 34. Vervallen.  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2000, 40]

 

Art. 35. Vervallen.  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2000, 40]

 

Art. 36. [Strafbepaling gedraging strijdig met AMvB]  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2000, 40Stb. 2009, 265]
Een gedraging die in strijd is met een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van de tweede categorie. Het feit wordt beschouwd als een overtreding.

 

Art. 37. Vervallen.  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2000, 40Stb. 2003, 544Stb. 2004, 50]

 

Art. 38. Vervallen.  [GeschiedenisOvWMvTStb. 1995, 691Stb. 2000, 40Stb. 2004, 50]

 

Art. 39. Vervallen[GeschiedenisOvWMvTStb. 1996, 248Stb. 2001, 625Stb. 2009, 265]

 

Art. 40. Vervallen.  [GeschiedenisOvWMvTStb. 2000, 40]

 

 

HOOFDSTUK  VIII

Slotbepalingen

 

Art. 41. [Ministeriële regelgeving]  [GeschiedenisOvWMvT]
Hetgeen nog ter uitvoering van deze wet nodig is, wordt geregeld bij ministeriële regeling.
[Rik97]

 

Art. 41a. [Overgangsrecht 1 januari 2010 recht op kinderbijslag]  [GeschiedenisStb. 2010, 74]
Artikel 7, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel C, van de Wet van 4 februari 2010 tot wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet en de Algemene nabestaandenwet in verband met aanpassing aan de invoering van een kwalificatieplicht in de Leerplichtwet 1969 en het aanbrengen van een aantal vereenvoudigingen in de Algemene Kinderbijslagwet alsmede enkele andere aanpassingen van die wet (Stb. 2010, 74), blijft van toepassing op het kind dat op 1 oktober 2009 de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt. [Rk10]

 

Art. 41b. [Overgangsrecht 1 januari 1995 hoogte kinderbijslag]  [GeschiedenisStb. 2010, 74]
-1. In afwijking van artikel 12, eerste lid, geldt voor een kind dat is geboren vóór 1 januari 1995 artikel 12, eerste tot en met vijfde lid, zoals dit op 31 december 1994 luidde.
-2. Artikel 13 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de rangordebedragen, bedoeld in artikel 12, vierde lid, onderdeel b, c en d, zoals dat artikel luidde op 31 december 1994.
-3. Bij de toepassing van het eerste lid is het rangordebedrag voor het eerste kind gelijk aan het bedrag, bedoeld in artikel 12, eerste lid.

 

Art. 42. [Citeertitel]  [GeschiedenisOvWMvT]
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel: "Algemene Kinderbijslagwet".

 

Art. 43. [Inwerkingtreding]  [GeschiedenisOvWMvT]
De artikelen van deze wet treden in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.¹

1. Bij Besluit van 23 juli 1962, Stb. 1962, 256, is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald op 1 augustus 1962, red.

 

 

     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven ten Paleize Soestdijk, 26 april 1962

 

JULIANA

 

De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
G.M.J. Veldkamp

De Staatssecretaris van Financiën,
Van den Berge

De Minister van Binnenlandse Zaken a.i.,
A.C.W. Beerman

 

Uitgegeven de vierentwintigste mei 1962
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
 
 

 

MEMORIE VAN TOELICHTING

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | geschiedenis | jurisprudentie | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x