|
MEMORIE VAN TOELICHTING
Nadere regelgeving:
- Bekendmaking
op grond van de Wet beperking export uitkeringen 2003
- Besluit beleidsregels SVB afwijking ingangsdatum uitkering
- Besluit consumentenprijsindex voor kinderbijslagbedragen
- Besluit controlevoorschriften ten aanzien van
kinderbijslaggerechtigden van wie het gezin buiten Nederland woont
- Besluit onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag
- Besluit regels export uitkeringen
- Besluit uitbreiding en
beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999
- Boetebesluit socialezekerheidswetten
- Controlevoorschriften AKW
- Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten
- Regeling
aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland 2010
- Regeling gelijkstelling pleegkinderen
- Regeling inkomen kinderbijslag 1997
- Regeling klokuren 2010
- Regeling samenloop met buitenlandse tegemoetkomingen
2008
- Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en
terugvordering onverschuldigde betalingen
- Regeling
terugvordering geringe bedragen
- Regeling woonlandbeginsel in de sociale
zekerheid 2012
- Samenloopbesluit kinderbijslag
- SZW-intrekkingsregeling
2004
- SZW-intrekkingsregeling
2008
Vervallen
nadere regelgeving:
- Bekendmaking op grond van de Wet beperking export
uitkeringen 2001 (vervallen)
- Besluit begripsomschrijving prijsindexcijfer van
de gezinsconsumptie 1994 (vervallen)
- Besluit bijzondere verhoging
kinderbijslag 2006
(vervallen)
- Besluit bijzondere verhoging kinderbijslag januari 2000
(vervallen)
- Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW,
Anw en AKW (vervallen)
- Besluit koranonderwijs AKW/Anw (vervallen)
- Ghanabesluit AKW (vervallen)
- Maatregelbesluit AKW (vervallen)
- Regeling aanwijzing ontwikkelingsorganisaties BEU 2002
(vervallen)
- Regeling
aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland
(vervallen)
- Regeling ex artikel 7 Algemene Kinderbijslagwet
(vervallen)
- Regeling klokuren 1998 (vervallen)
- Regeling recht op kinderbijslag voor werkloze kinderen in het
buitenland
(vervallen)
- Regeling samenloop
kinderbijslag op grond van de Algemene
Kinderbijslagwet met buitenlandse
kinderbijslag of kinderbijslag op grond van
een regeling van een volkenrechtelijke organisatie
(vervallen)
Relevante
overige regelgeving:
- Besluit
beleidsregels SVB 2010
- Besluit internationale taken Sociale Verzekeringsbank
- Regeling
tegemoetkoming ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen
- Wet
beperking export uitkeringen
- Wet
beslistermijnen sociale verzekeringen
Inhoudsopgave
AKW
| Hoofdstuk
I |
Algemene
bepalingen |
artt.
1 - 5b |
| Hoofdstuk
II |
Kring
der verzekerden |
art.
6 - 6a |
| Hoofdstuk
III |
De
kinderbijslag |
artt.
7 - 25 |
| §
1x |
Het
recht op kinderbijslag |
artt.
7 - 13a |
| §
2x |
Het
geldend maken van het recht op kinderbijslag |
artt.
14 - 17h |
| §
3x |
De
betaling van de kinderbijslag |
artt.
18 - 25 |
| Hoofdstuk
IV |
Bijzondere
bepalingen voor kinderen die vóór 1 oktober 1986 zijn geboren (vervallen) |
artt.
26 - 29 |
| Hoofdstuk
V |
De
financiering |
artt.
29a - 29b |
| Hoofdstuk
VI |
Bepalingen in
verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in
cassatie
|
artt.
29c - 32 |
| Hoofdstuk
VII |
Strafbepalingen |
artt.
33 - 40 |
| Hoofdstuk
VIII |
Slotbepalingen |
artt.
41 - 43 |
| xxxxxxxxxxxxx |
|
xxxxxxxxxxx|x |
Parlementaire
behandeling:
Bijlage Handelingen II 1957-1958, 1959-1960, 1960-1961, 4953.
Handelingen II 1960-1961, blz. 4185-4253; 1961-1962, 4953; 1961-1962,
blz. 3257-3294.
Bijlage Handelingen I 1961-1962, 4953.
Handelingen I 1961-1962, blz. 3213-3237.
Geschiedenis:
Staatsblad 1995, 198;
Staatsblad 1995, 200; Staatsblad
1995, 220; Staatsblad 1995, 250;
Staatsblad 1995,
676; Staatsblad 1995, 690;
Staatsblad
1995, 691; Staatsblad 1995, 692;
Staatsblad 1996,
227; Staatsblad 1996, 248;
Staatscourant
1996, 121; Staatscourant 1996, 243;
Staatsblad 1997,
33; Staatsblad 1997, 96;
Staatscourant 1997, 124; Staatsblad 1997, 760;
Staatsblad 1997,
789; Staatsblad 1997, 794;
Staatsblad 1998, 203; Staatsblad 1998, 278;
Staatsblad 1998, 267; Staatsblad 1998, 446;
Staatsblad
1998, 387; Staatscourant 1998, 243;
Staatsblad 1998,
742; Staatsblad 1999, 250;
Staatscourant 1999, 119; Staatsblad 1999, 564;
Staatsblad 1999, 594; Staatsblad 1999, 601;
Staatsblad 2000, 40; Staatscourant 2000,
117; Staatsblad 2000, 286;
Staatsblad 2000,
496; Staatscourant 2000, 243;
Staatsblad 2000,
593; Staatsblad 2001, 67;
Staatsblad 2000, 627; Staatsblad 2001, 128;
Staatsblad 2001, 225; Staatscourant 2001,
114; Staatsblad 2001, 481;
Staatsblad 2001, 568; Staatscourant
2001, 237; Staatsblad 2001,
625; Staatscourant 2002, 116;
Staatscourant 2002, 246; Staatscourant 2003,
122; Staatsblad 2003, 376;
Staatsblad 2003, 524; Staatsblad 2003,
544; Staatsblad 2003, 553;
Staatsblad 2004, 50; Staatsblad
2004, 717; Staatsblad 2004, 728;
Staatsblad
2005, 573; Staatscourant
2005, 249; Staatsblad 2005, 710;
Staatsblad 2005, 708; Staatsblad
2005, 718; Staatscourant 2006,
105; Staatsblad 2006, 427;
Staatsblad 2006, 593; Staatscourant
2006, 248; Staatscourant 2007,
123; Staatsblad 2007, 305;
Staatsblad 2007, 551; Staatsblad
2007, 555; Staatscourant 2008,
122; Staatsblad 2008, 510;
Staatscourant 2008, 246; Staatsblad
2008, 600; Staatsblad
2009, 384; Staatsblad 2009, 265;
Staatsblad 2009, 390;
Staatsblad 2009, 282; Staatsblad 2009, 318;
Staatsblad 2009, 492; Staatsblad
2009, 542; Staatsblad 2009, 580;
Staatsblad 2010, 74; Staatsblad
2010, 350; Staatsblad 2010,
838; Staatsblad 2011, 9;
Staatsblad 2011, 618;
Staatsblad 2011, 576; Staatscourant
2011, 22935; Staatsblad 2011,
645; Staatsblad 2011, 650;
Staatsblad 2012, 198; Staatsblad
2012, 462; Staatsblad 2012,
463; Staatsblad 2012, 614;
Staatsblad 2012, 682.
WET van 26 april 1962, Stb.
1962, 160, tot vaststelling van een algemene
kinderbijslagverzekering (Algemene Kinderbijslagwet). Laatste
tekstplaatsing: Stb. 1990, 128. Inwerkingtreding: 1 augustus 1962 (Stb. 1962, 256).
WIJ
JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen
vast te stellen inzake een algemene, de gehele bevolking omvattende,
verplichte kinderbijslagverzekering;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
I
Algemene bepalingen
Art. 1.
[Begripsbepalingen] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 789; Stb.
1998, 203; Stb. 2000,
496; Stb. 2011, 9]
Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering
genomen besluiten wordt verstaan onder:
a. Onze Minister:
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen,
samenwerkingsvormen
zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld,
ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens;
c. vreemdeling: hetgeen daaronder wordt verstaan in de
Vreemdelingenwet
2000;
d.
continentaal plat: de exclusieve economische zone van het Koninkrijk,
bedoeld in artikel 1 van de Rijkswet
instelling exclusieve economische zone, voor zover deze grenst aan
de territoriale zee van Nederland.
Art.
2. [Begrip ingezetene] [Geschiedenis:
OvW; MvT]
Ingezetene in de zin van deze wet is
degene die in Nederland
woont.
Art.
3. [Woonplaats, vestigingsplaats]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 2005, 710; Stb.
2010, 350]
-1. Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt
naar de omstandigheden beoordeeld.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen
welke in Nederland hun thuishaven hebben, ten opzichte van de bemanning als deel van Nederland beschouwd.
-3. Hij die Nederland metterwoon heeft verlaten en binnen
één jaar
nadien metterwoon terugkeert zonder inmiddels in
Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba of op het grondgebied van een andere mogendheid te hebben gewoond,
wordt ook voor de duur van zijn afwezigheid geacht in Nederland te hebben
gewoond.
Art. 4.
[Begrip kind] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 2010, 74]
-1. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder kind: eigen kind, aangehuwd kind of
pleegkind.
-2. Als eigen kind wordt beschouwd het
kind:
a. van de vrouw die op grond van
artikel 198 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek als zijn moeder wordt aangemerkt;
b. van de man die op grond van
artikel 199 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek als zijn vader wordt aangemerkt;
c. van de man die op grond van
artikel 394 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek verplicht is bij te dragen aan de
kosten van verzorging en opvoeding, tenzij het kind reeds op grond van
artikel 199 van Boek
1 van het Burgerlijk Wetboek als eigen kind van een andere man wordt
aangemerkt;
d. van de man wiens biologisch
vaderschap door middel van DNA-onderzoek is vastgesteld, mits de man het
kind feitelijk in relevante mate onderhoudt en het kind niet reeds tot
een andere man in een familierechtelijke vaderschapsrelatie staat;
e. van de man die na toepassing van
Nederlands internationaal privaatrecht tot het kind in een
familierechtelijke vaderschapsrelatie staat.
-3. Als pleegkind wordt beschouwd het kind
dat als eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.
-4. Bij ministeriële regeling kan worden
bepaald in welke gevallen een kind met een pleegkind wordt
gelijkgesteld. [Rgp]
Art.
5. Vervallen.
[Geschiedenis:
OvW; MvT]
Art.
5a. [LBIO als medebelanghebbende]
[Geschiedenis:
Stb. 1995, 198]
Bij een besluit ingevolge de artikelen
14, vierde lid, en 21 is
mede belanghebbende het Landelijk Bureau Inning
Onderhoudsbijdragen.
Art. 5b.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 789; Stb.
1999, 564; Stb. 2001, 627
+ bis]
HOOFDSTUK
II
Kring
der verzekerden
Art.
6. [Kring verzekerden] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1998, 203; Stb.
2000, 496 + bis; Stb.
2010, 74; Stb. 2011, 9]
-1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is
degene die:
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland
of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is
onderworpen.
-2. Niet verzekerd is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland
verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e
en l, van de Vreemdelingenwet
2000.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking
van het eerste en tweede lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven
aan de kring der verzekerden. [Bubkvv99]
-4. Bij een
maatregel als bedoeld in het derde lid kan worden bepaald dat bij een
niet-rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van artikel 8, onderdeel
a tot en met e en l,¹ verzekerd zijn:
a. vreemdelingen die rechtmatig in Nederland arbeid
verrichten dan
wel hebben verricht;
b. vreemdelingen die, na rechtmatig
verblijf te hebben
gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e
en l, van de Vreemdelingenwet
2000, rechtmatig in Nederland
verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h,
van de Vreemdelingenwet
2000.
1. Volgens de redactie
dient na "onderdeel a tot en met e en l,"
te worden ingevoegd: van de Vreemdelingenwet
2000.
Art.
6a. [Uitbreiding en beperking kring
verzekerden i.v.m. internationaal recht] [Geschiedenis:
Stb. 1998, 267]
Zo nodig in afwijking van artikel 6 en de daarop berustende
bepalingen:
a. wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering
op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van
een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;
b. wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond
van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de
wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.
HOOFDSTUK
III
De
kinderbijslag
§ 1.
Het recht
op kinderbijslag
Art.
7. [Recht op kinderbijslag]
[GA] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1995, 220; Stb. 1995, 676;
Stb.
1995, 691; Stb. 1997, 33;
Stb. 1997, 760; Stb.
1997, 789 +
bis; Stb. 1998, 742;
Stb. 2000, 593; Stb.
2001, 625; Stb. 2003,
376; Stb. 2003, 544;
Stb.
2004, 728; Stb. 2005, 708;
Stb. 2008, 600; Stb.
2010, 74; Stb. 2010,
838; Stb.
2011, 650]
-1. De
verzekerde heeft overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op kinderbijslag
voor een kind dat:
a. jonger is dan 16 jaar en tot zijn
huishouden behoort; of
b. jonger is dan 18 jaar en door hem
in belangrijke mate wordt onderhouden.
-2. De verzekerde heeft voor een kind van
16 of 17 jaar slechts recht op kinderbijslag, indien:
a. de verzekerde heeft voldaan aan
de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, en 4a,
eerste lid, van de Leerplichtwet
1969, dan wel daarvan op grond van die
wet is vrijgesteld;
b. het kind na het behalen van een
startkwalificatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Leerplichtwet
1969 op lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is om tot
een school onderscheidenlijk een instelling te worden toegelaten dan wel
een vervolgstudie volgt anders dan hoger onderwijs als bedoeld in
artikel 1.1, onderdeel b, van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
c. het kind als leerling of
deelnemer van een met een school of instelling als bedoeld in artikel 4a
van de Leerplichtwet 1969
vergelijkbare inrichting van onderwijs buiten Nederland staat
ingeschreven en deze inrichting geregeld bezoekt, dan wel met
overeenkomstige toepassing van de vrijstellingsgronden van die
wet van die verplichtingen is vrijgesteld;
d. het kind werkloos is.
-3. Een kind als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, wordt voor het vaststellen van het aantal kinderen
voor wie recht op kinderbijslag bestaat voor twee kinderen geteld indien
het door de verzekerde grotendeels wordt onderhouden en:
a. jonger is dan 16 jaar; en:
1º. door of in verband met het volgen van
onderwijs of een beroepsopleiding niet tot het huishouden van de
verzekerde, noch als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het
huishouden van een ander behoort; of [BkAA]
2º. in verband met ziekte of gebreken niet
tot het huishouden van de verzekerde, noch als eigen kind, aangehuwd
kind of pleegkind tot het huishouden van een ander behoort; of
b. 16 of 17 jaar is en niet tot het
huishouden van de verzekerde, noch als eigen kind, aangehuwd kind of
pleegkind tot het huishouden van een ander behoort.
-4. Voor het vaststellen van de mate waarin
een kind door de verzekerde wordt onderhouden worden:
a. het inkomen van het kind geacht
te zijn aangewend voor het onderhoud van het kind; en
b. bijdragen in het onderhoud van
het kind geleverd door degene met wie de verzekerde een huishouden vormt
en degene met wie de verzekerde geen huishouden vormt, maar die
krachtens overeenkomst of rechterlijke uitspraak verplicht is bijdragen
te leveren voor levensonderhoud ten behoeve van dat kind, aangemerkt als
door de verzekerde in het onderhoud van dat kind geleverde bijdragen.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur worden regels gesteld naar welke wordt beoordeeld of een kind in
belangrijke mate of grotendeels door de verzekerde wordt onderhouden. [Bok]
[Rik97]
-6. Voor de toepassing van dit artikel
wordt het kind geacht de studie of beroepsopleiding eerst na de vakantie
te hebben beëindigd, indien:
a. de studie of de beroepsopleiding
wordt beëindigd tijdens een door de onderwijsinstelling vastgestelde
vakantie; dan wel
b. de studie of de beroepsopleiding
wordt afgesloten met een eindexamen, dat kort vóór het begin van het
laatste door de onderwijsinstelling vastgestelde vakantie van het
desbetreffende schooljaar wordt afgelegd.
-7. Een kind als bedoeld in het tweede lid,
onderdeel d, wordt als werkloos aangemerkt, indien het:
a. een startkwalificatie heeft
behaald; en
b. als werkzoekende is geregistreerd
bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
-8. Een in het buitenland woonachtig kind
dat een startkwalificatie heeft behaald dan wel een vorm van onderwijs
heeft afgerond die vergelijkbaar is met het behalen van een
startkwalificatie wordt als werkloos aangemerkt indien het als
werkzoekende is geregistreerd bij een met het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen vergelijkbare instelling dan wel bij het
ontbreken van een dergelijke instelling aannemelijk kan maken dat het
werkloos is en beschikbaar is voor de arbeidsmarkt.
-9. Een kind als bedoeld in het tweede lid,
onderdeel d, wordt voor het recht op kinderbijslag meegerekend
zolang het werkloos is.
-10. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot nadere invulling van het
tweede lid, vierde lid, onderdeel a, zevende lid en achtste lid. [Ra7A]
[Rk98]
[Rrkwkb]
Art.
7a. [Uitsluiting bij recht op
studiefinanciering] [Geschiedenis:
Stb. 1996, 227; Stb.
2000, 286; Stb. 2010, 74]
-1. De verzekerde heeft geen recht op
kinderbijslag
overeenkomstig de bepalingen van deze wet voor een kind indien dat kind op
de eerste dag van een kalenderkwartaal recht heeft op studiefinanciering op grond van de
Wet
studiefinanciering 2000.
-2. Ook bestaat geen recht op kinderbijslag zolang op een verzoek tot
het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in titel 8.3 van
de Algemene wet bestuursrecht, ingediend door degene die studiefinanciering
op grond van de Wet studiefinanciering 2000 heeft aangevraagd, geen uitspraak
is gedaan.
Art.
7b. [Beperking export kinderbijslag]
[Geschiedenis:
Stb. 1999, 250 + bis;
Stb. 1999, 594 + bis;
Stb. 2003, 524; Stb.
2010, 74; Stb. 2010, 350]
-1. Geen recht op
kinderbijslag
heeft de verzekerde die op de
eerste
dag van een kalenderkwartaal niet in Nederland woont. Evenmin heeft de
verzekerde recht op kinderbijslag ten behoeve van het kind indien dat kind op de eerste dag van een
kalenderkwartaal niet in Nederland woont.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de verzekerde dan wel
dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal woont in een land waarin op
grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie recht op kinderbijslag kan bestaan.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing op de verzekerde indien hij
dan wel het kind op de eerste dag
van een kalenderkwartaal niet in Nederland woont doch langer dan drie maanden onafgebroken
in Nederland verblijft.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
kan worden bepaald dat recht bestaat op kinderbijslag voor: [Breu]
[RaoB02]
a. de verzekerde die werkzaamheden verricht in het algemeen belang en niet in Nederland woont;
b. de verzekerde die in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in
de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba woont; of
c. de gezinsleden van de in de onderdelen a of b bedoelde verzekerde.
-5. Onze Minister deelt mede
in welke landen op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op kinderbijslag
kan bestaan. In deze
mededeling wordt tevens opgenomen: [BB01] [BB03]
a. de vindplaats van het
desbetreffende verdrag of besluit; en
b. de eventueel in dat
verdrag of besluit aanwezige beperkingen.
Art.
7c. [Overgangsrecht 1 januari 2006
voortgezette verzekering] [Geschiedenis:
Stb.
2005, 718; Stb. 2007, 551]
-1. De persoon die tot op de dag vóór
inwerkingtreding van de Wet van 22 december 2005
tot wijziging van enige socialeverzekeringswetten in verband met de beëindiging
van de verzekeringsplicht van in het buitenland wonende
uitkeringsgerechtigden (Stb. 2005, 718) voortgezet verzekerd
was op grond van artikel 27,
eerste lid, van het Besluit uitbreiding
en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, zoals dat
artikellid op die dag luidde, en op die dag nog recht op kinderbijslag
had, behoudt recht op kinderbijslag zolang het jongste kind voor wie de
betrokkene vóór 31 december 1999 recht had op kinderbijslag de
leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt.
-2. Het recht op kinderbijslag, bedoeld in
het eerste lid, eindigt, indien hij:
a. niet langer een uitkering,
pensioen of toelage ontvangt als bedoeld in artikel
26, eerste lid, van het Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999,
zoals dat artikellid op 31 december 1999 luidde;
b. buiten Nederland arbeid verricht;
c. een uitkering ontvangt krachtens
een buitenlandse wettelijke regeling; of
d. op grond van deze wet geen recht
op kinderbijslag meer bestaat.
Art.
8. Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1995, 220; Stb.
1998, 742; Stb. 2003,
376; Stb. 2010, 74]
Art.
9. Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1995, 220 + bis;
Stb. 2010, 74]
Art.
10. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1995, 220 + bis;
Stb. 2010, 74]
Art. 10a.
Door vernummering vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1995, 220]
Art.
11. [Peildatum vaststelling recht op
kinderbijslag] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1995, 220; Stb.
1997, 789; Stb. 2007, 551;
Stb. 2010, 74]
-1. Recht op
kinderbijslag
voor
één of meer kinderen over een kalenderkwartaal ingevolge deze wet heeft slechts
degene die op de eerste dag
van dat kalenderkwartaal verzekerd is dan wel voldoet aan de voorwaarden
van artikel 7c.
-2. Voor het vaststellen van het aantal
kinderen waarvoor over een
kalenderkwartaal recht op kinderbijslag bestaat, worden slechts in aanmerking
genomen de kinderen te wier aanzien aan de voorwaarden, bedoeld in artikel
7, is
voldaan op de eerste dag van dat
kwartaal.
-3. Wanneer bij het vaststellen van het aantal
kinderen waarvoor over
een kalenderkwartaal recht op kinderbijslag bestaat, voor één of meer
kinderen de mate waarin deze kinderen door de verzekerde worden
onderhouden
hiervoor bepalend is, wordt het totaal eigen inkomen, vastgesteld met inachtneming van
artikel 7, vierde en vijfde lid, van deze kinderen over dat kalenderkwartaal in aanmerking
genomen, ongeacht of ten aanzien van deze kinderen gedurende het gehele kwartaal aan de overige
voorwaarden, bedoeld in artikel 7, is voldaan.
Art.
12. [Hoogte kinderbijslag] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1995, 691; Stb.
1995, 692 + bis; Stcrt.
1996, 121 + bis; Stcrt.
1996, 243 + bis; Stcrt.
1997, 124 + bis; Stb.
1997, 799 + bis; Stb.
1998, 387 + bis; Stcrt.
1998, 243 + bis; Stcrt.
1999, 119 + bis; Stb.
1999, 601 + bis; Stcrt.
2000, 117 + bis; Stcrt.
2000, 243 + bis; Stb.
2000, 593; Stcrt. 2001, 114
+ bis; Stcrt.
2001, 237 + bis; Stcrt.
2002, 116 + bis; Stcrt.
2002, 246 + bis; Stcrt.
2003, 122 + bis; Stb.
2003, 553 + bis; Stcrt.
2005, 249 + bis; Stcrt.
2006, 105 + bis; Stb. 2006, 427 + bis;
Stcrt. 2006, 248 + bis;
Stcrt. 2007, 123 + bis;
Stcrt. 2008, 122 + bis;
Stcrt. 2008, 246 + bis;
Stb. 2011, 618;
Stb. 2011, 576; Stcrt.
2011, 22935 + bis;
Stb. 2012, 198 + bis;
Stcrt. 2012, 12517 + bis]
-1. Het basiskinderbijslagbedrag over een kalenderkwartaal
bedraagt €|273,78
per kind.
-2. Het basiskinderbijslagbedrag bedraagt
voor een kind dat woont buiten Nederland, één van de andere lidstaten
van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland, een bij
ministeriële regeling vastgesteld percentage van het bedrag, genoemd in
het eerste lid. Het percentage wordt zo bepaald dat het een weergave is
van de verhouding tussen het kostenniveau van het land waar het kind
woonachtig is en dat van Nederland. Het percentage bedraagt maximaal
100. [Rwsz12]
-3. Het aan een verzekerde over een kalenderkwartaal te betalen bedrag aan
kinderbijslag
bedraagt voor een
kind dat
op de eerste dag van
dat kwartaal:
a. jonger is dan 6 jaar: 70%;
b. 6 jaar of ouder, maar jonger is dan 12 jaar: 85%; en
c. 12 jaar of ouder, maar jonger is dan 18 jaar: 100%;
van het op grond van het eerste en tweede lid vastgestelde
basiskinderbijslagbedrag.
-4. De kinderbijslag op grond van het derde lid, onderdeel b en c, wordt betaald zonder dat dit
bij beschikking is vastgesteld.
Art.
13. [Herziening bedragen | Begrip
consumentenprijsindex] [Geschiedenis:
Stb. 1995, 691; Stb.
2000, 593; Stb. 2003, 553;
Stb. 2005, 708; Stb.
2006, 593; Stb. 2009, 265;
Stb. 2012, 198]
-1. Het bedrag, genoemd in
artikel 12, eerste lid, wordt al naargelang
de ontwikkeling van het algemene prijsniveau verhoogd of verlaagd.
-2. Het bedrag, genoemd in artikel
12, eerste lid, wordt bij ministeriële regeling
telkens
herzien met ingang van 1 januari en 1 juli. Bij een herziening met
ingang van 1 januari onderscheidenlijk 1 juli wordt dit bedrag
verhoogd
of verlaagd met hetzelfde percentage als waarmede de
consumentenprijsindex over de maand oktober daaraan voorafgaande onderscheidenlijk over de maand april daaraan
voorafgaande, naar boven of naar beneden afwijkt van de
consumentenprijsindex waarop
de laatste herziening is gebaseerd.
In afwijking van de eerste volzin
blijft herziening per 1 januari onderscheidenlijk per 1 juli achterwege indien
de consumentenprijsindex
over de maand oktober
onderscheidenlijk over de maand april daaraan voorafgaande geen afwijking
vertoont ten opzichte van de consumentenprijsindex
waarop de laatste
herziening is gebaseerd.
-3.
Het overeenkomstig het tweede lid herziene bedrag treedt in de plaats
van het bedrag, genoemd in artikel 12, eerste lid.
-4. Indien daartoe naar Ons oordeel een bijzondere aanleiding bestaat,
kan het bedrag, genoemd in
artikel
12, eerste lid, bij algemene maatregel van
bestuur met ingang van een bij die algemene maatregel van bestuur aan te
geven datum worden verhoogd. Het ingevolge de vorige zin verhoogde
bedrag treedt in de plaats van het bedrag, genoemd in artikel
12, eerste lid. [Bbvk06]
[Bbvkj00]
-5.
Indien een verhoging als bedoeld in het vierde lid samenvalt met een
herziening als bedoeld in het tweede lid, wordt het kinderbijslagbedrag
voorafgaande aan de verhoging herzien en geschiedt de herziening, in
afwijking van het tweede lid, bij de in het vierde lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur.
-6. Hetgeen onder
consumentenprijsindex, bedoeld in
het tweede lid, wordt verstaan, wordt nader bij algemene maatregel van
bestuur geregeld. [Bbpg94] [Bck]
-7.
Indien het bedrag, genoemd in artikel 12, eerste lid,
wordt gewijzigd, worden de uit de toepassing van artikel
12, derde lid, met betrekking tot dat bedrag voortvloeiende bedragen
door Onze Minister bekendgemaakt in de Staatscourant.
-8.
Een herziening van de kinderbijslag op grond van dit artikel vindt
plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
-9. De
Sociale verzekeringsbank betaalt de herziene kinderbijslag, bedoeld in
het achtste lid, bij de eerstvolgende betaling van de kinderbijslag
nadat de herziening, bedoeld in het tweede lid, heeft plaatsgevonden.
Art. 13a.
[Niet
indexeren basiskinderbijslagbedrag per 1 januari 2013 en 2014]
[Geschiedenis:
Stb. 1995, 250;
Stb. 2012, 614]
-1. In afwijking van artikel 13, tweede
lid, wordt het bedrag, genoemd in artikel 12, met ingang van 1 januari
2013 en 1 januari 2014 niet herzien.
-2. Voor de herziening van het bedrag met
ingang van 1 juli 2013 respectievelijk 1 juli 2014 wordt voor de
toepassing van artikel 13, tweede lid, onder
"de consumentenprijsindex
waarop de laatste herziening is gebaseerd" verstaan: de
consumentenprijsindex over de maand oktober 2012 respectievelijk de
maand oktober 2013.
-3. Dit artikel vervalt met ingang van 1
januari 2015.
§
2.
Het geldend
maken van het recht op kinderbijslag
Art.
14. [Aanvraag en aanvang kinderbijslag]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1995, 198; Stb.
1995, 220; Stb. 1995, 691; Stb.
2000, 593; Stb. 2001, 625]
-1. De
Sociale verzekeringsbank stelt op aanvraag vast of een
recht op kinderbijslag bestaat.
-2. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door de Sociale
verzekeringsbank beschikbaar gesteld aanvraagformulier.
-3.
Het recht op kinderbijslag kan niet vroeger ingaan dan één jaar voorafgaand
aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welk de aanvraag om
kinderbijslag werd ingediend. De
Sociale verzekeringsbank is bevoegd in bijzondere gevallen af te
wijken van het bepaalde in de vorige volzin. [BbSaiu]
-4. Indien de verzekerde nalaat een aanvraag om kinderbijslag in te
dienen, kan deze aanvraag worden ingediend door het Landelijk Bureau Inning
Onderhoudsbijdragen, dat tevens adviseert aan wie de kinderbijslag wordt betaald.
Art.
14a. [Herziening of intrekking
toekenningsbesluit] [Geschiedenis:
Stb. 1996, 248; Stb.
2001, 625; Stb.
2012, 463]
-1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde
ter zake van
herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van
kinderbijslag
en
ter zake van weigering van kinderbijslag herziet de Sociale
verzekeringsbank een
dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van
artikel 15 of 16 heeft geleid tot het
ten onrechte of tot
een te hoog bedrag verlenen van kinderbijslag;
b. indien anderszins de kinderbijslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van
artikel 15 of 16 ertoe leidt dat niet
kan worden
vastgesteld of nog recht op kinderbijslag bestaat.
-2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan de Sociale
verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking als bedoeld in
het eerste lid af te zien.
-3. Indien de verzekerde of de persoon aan
wie of de instelling waaraan op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt
betaald niet op grond van artikel 15a
desgevraagd aantoont dat is
voldaan aan artikel 15a, eerste lid,
onderdeel
a en b, en als gevolg
hiervan niet kan worden vastgesteld tot wiens huishouden het kind
behoort, wordt het recht op kinderbijslag vastgesteld, herzien of
ingetrokken en het recht op kinderbijslag geldend gemaakt overeenkomstig
hoofdstuk III, paragraaf 1 en 2.
Art.
15. [Inlichtingenverplichting]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1996,
248; Stb. 1997, 789;
Stb. 2001, 625; Stb.
2003, 544; Stb. 2007, 555]
-1. De verzekerde, alsmede de
persoon aan wie of de instelling waaraan op grond van artikel 21
kinderbijslag wordt betaald, zijn verplicht aan de Sociale
verzekeringsbank op
haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en
omstandigheden mee te delen waarvan hem of haar redelijkerwijs
duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op kinderbijslag,
de hoogte van de kinderbijslag, het geldend maken van het recht op
kinderbijslag of op het bedrag van de kinderbijslag dat wordt betaald.
-2. De verplichting van het
eerste lid geldt niet, indien:
a. die feiten en
omstandigheden door de Sociale verzekeringsbank kunnen worden vastgesteld op
grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte
gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan
te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke
gegevens dit onderdeel van toepassing is; of
b. het kind voor wie
kinderbijslag wordt betaald recht krijgt op studiefinanciering op grond van de
Wet
studiefinanciering 2000.
Art. 15a. [Onderzoek woonsituatie]
[Geschiedenis:
Stb. 2012, 463]
-1. In aanvulling op artikel 15 kan de
Sociale verzekeringsbank de verzekerde of de persoon aan wie of de
instelling waaraan op grond van artikel 21
kinderbijslag
wordt betaald,
verzoeken aan te tonen dat:
a. ten aanzien van een kind als bedoeld
in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, wordt voldaan aan
de voorwaarden, gesteld in artikel 7, eerste lid, onderdeel
a, en tweede lid; of
b. een kind als bedoeld in artikel 7,
derde lid, niet tot het huishouden van de verzekerde noch tot het
huishouden van een ander behoort.
-2. Teneinde de verzekerde of de persoon
aan wie of de instelling waaraan op grond van artikel 21 kinderbijslag
wordt betaald daartoe in de gelegenheid te stellen, kan de Sociale
verzekeringsbank bij dit verzoek aanbieden met de toestemming van de
verzekerde of de bewoner van de woning waar het kind woont de woning
van verzekerde onderscheidenlijk de woning waar het kind woont binnen te
treden.
-3. Indien door het ontbreken van
toestemming van de bewoner niet kan worden vastgesteld tot wiens
huishouden het kind behoort, heeft dit gevolgen voor het recht op en het
geldend maken van het recht op kinderbijslag.
Art.
16. [Controlevoorschriften en reikwijdte]
[Geschiedenis:
Stb. 1996,
248; Stb. 1997, 96;
Stb. 2001, 625;
Stb. 2012, 463]
-1. De
Sociale verzekeringsbank is bevoegd
controlevoorschriften vast
te stellen. Deze voorschriften mogen niet verder gaan dan strikt
noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet. [Bckgbn]
[CA]
-2. De verzekerde, alsmede de persoon aan
wie of de instelling waaraan op grond van artikel 21 kinderbijslag
wordt
betaald, zijn verplicht de voorschriften op te volgen en anderszins aan
de
Sociale verzekeringsbank desgevraagd de medewerking te verlenen die
redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
Art.
17. [Weigering kinderbijslag bij
niet-nakoming verplichtingen | Afstemming maatregel] [Geschiedenis:
Stb. 1996,
248; Stb. 1997, 96
+ bis; Stb.
1997, 789; Stb. 1998, 742;
Stb. 2001, 625 + bis
+ bis; Stb.
2007, 305; Stb. 2009, 265]
-1. De Sociale verzekeringsbank
weigert de
kinderbijslag
tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk indien de
verzekerde of de persoon aan wie op grond van artikel 21
kinderbijslag wordt betaald, een verplichting op grond van artikel
16 opgelegd, of de verplichting, bedoeld in artikel
55, tweede lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, niet of niet behoorlijk is
nagekomen, dan wel de verplichting, bedoeld in artikel 15
niet binnen de door de Sociale verzekeringsbank daarvoor vastgestelde
termijn is nagekomen.
-2. Een maatregel als bedoeld in het eerste
lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de
verzekerde dan wel de persoon aan wie op grond van artikel
21 kinderbijslag wordt betaald, de gedraging verweten kan worden.
Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. De Sociale verzekeringsbank kan afzien
van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en
volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van
het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
15, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft
geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
kinderbijslag, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting
plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum
waarop eerder aan de verzekerde, of de persoon aan wie op grond van artikel
21 kinderbijslag wordt betaald, een zodanige waarschuwing is
gegeven.
-4. De Sociale verzekeringsbank kan afzien
van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn.
-5. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor
dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 17a
wordt opgelegd.
-6. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste
en tweede lid. [MA] [Mszw]
Art.
17a. [Bestuurlijke boete bij niet-nakoming
inlichtingenverplichting | Schriftelijke waarschuwing | Reformatio in
peius] [Geschiedenis:
Stb. 1996,
248; Stb. 1997, 96;
Stb. 1997, 789; Stb.
1998, 742; Stb. 2001, 481;
Stb. 2001, 625; Stb.
2005, 708; Stb. 2009, 265;
Stb.
2012, 462]
-1. De Sociale verzekeringsbank
legt een
bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het
niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde, of de persoon aan
wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, van de
verplichting, bedoeld in artikel 15. De bestuurlijke boete is niet lager
dan de boete die op grond van het derde lid zou worden opgelegd indien
er geen sprake was van een benadelingsbedrag.
-2. In dit artikel wordt onder
benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet
of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
15,
ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan kinderbijslag is verleend.
-3. Indien het niet of niet behoorlijk
nakomen door de verzekerde, of de persoon aan wie op grond van artikel
21 kinderbijslag wordt betaald, van de verplichting, bedoeld in artikel
15, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, legt de Sociale
verzekeringsbank een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag
van de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht.
-4. De Sociale verzekeringsbank kan afzien
van het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in het derde lid
en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het
niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
15, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting
plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum
waarop eerder aan de verzekerde, of aan de persoon aan wie op grond van
artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, een zodanige waarschuwing is
gegeven.
-5. De Sociale verzekeringsbank legt een
bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de
verzekerde, of de persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag
wordt betaald, van de verplichting, bedoeld in artikel
15, als gevolg
waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan kinderbijslag is
ontvangen, van ten hoogste 150% van het benadelingsbedrag indien
binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan
van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke
sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit
eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden.
-6. In afwijking van het vijfde lid is het
in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de
eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de verzekerde, of de
persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag wordt betaald, is
gestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
-7. De Sociale verzekeringsbank kan:
a. de bestuurlijke boete verlagen indien
sprake is van verminderde verwijtbaarheid;
b. afzien van het opleggen van een
bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-8. Degene aan wie een bestuurlijke boete
is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan de Sociale verzekeringsbank de
inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de
bestuurlijke boete van belang zijn.
-9. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. [Bszw]
-10. In afwijking van artikel 8:69 van de
Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het
bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de
verzekerde, dan wel de persoon aan wie op grond van artikel 21
kinderbijslag wordt betaald, wijzigen.
Art.
17b. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1996,
248; Stb. 2001, 625;
Stb. 2009, 265]
Art.
17c. [Nadere regelgeving tenuitvoerlegging
bestuurlijke boete]
[Geschiedenis:
Stb. 1996,
248; Stb. 2001, 625
+ bis + bis;
Stb. 2009, 265]
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de
termijn waarvoor uitstel van betaling van de bestuurlijke boete kan
worden verleend alsmede omtrent de hoogte van het op grond van artikel
17g, eerste of tweede lid, te verrekenen bedrag en de termijn
of termijnen waarbinnen deze verrekening plaatsvindt.
[BibobbAAA] [Rtbbtob]
Art.
17d. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1996,
248; Stb. 2001, 625;
Stb. 2009, 265]
Art.
17e. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1996,
248; Stb. 2001, 625;
Stb. 2009, 265]
Art.
17f. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1996,
248; Stb. 2009, 265;
Stb.
2012, 462]
Art.
17g. [Invordering bestuurlijke boete]
[Geschiedenis:
Stb. 1995, 690; Stb. 1996,
248; Stb. 1997, 96;
Stb. 1997, 789; Stb.
1997, 794; Stb. 1998, 742
+ bis; Stb.
2001, 568; Stb. 2001,
625; Stb. 2003, 376;
Stb. 2004, 717; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 708;
Stb. 2009, 265; Stb.
2009, 390; Stb.
2009, 282; Stb.
2009, 318; Stb. 2009, 580;
Stb. 2011, 645; Stb.
2011, 650; Stb.
2012, 462]
-1. De
Sociale verzekeringsbank verrekent de
bestuurlijke boete met kinderbijslag op grond
van deze wet, ouderdomspensioen op grond van de Algemene
Ouderdomswet of een uitkering op grond van de Algemene
nabestaandenwet, die degene aan wie een bestuurlijke boete is
opgelegd, dan wel degene met wie hij een huishouden vormt, ontvangt.
-2.
Het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente,
onderscheidenlijk het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, betaalt het bedrag van de bestuurlijke
boete, zonder dat daarvoor een machtiging nodig is, op haar verzoek aan
de Sociale verzekeringsbank indien degene aan wie een bestuurlijke boete
is opgelegd, dan wel degene met wie hij een huishouden vormt, een
uitkering ontvangt op grond van de Wet werk en
bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, de Wet inkomensvoorziening
oudere werklozen, de Werkloosheidswet, de Ziektewet,
de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet
arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet.
-3.
De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor
de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan
de Sociale verzekeringsbank. Indien de Sociale verzekeringsbank gebruik
maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het
dwangbevel, in afwijking van artikel 4:123,
eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
door middel van toezending per post aan degene aan wie de boete is
opgelegd.
-4.
Zolang de verzekerde en degene met wie hij een huishouden vormt, dan wel
de persoon aan wie op grond van artikel 21
kinderbijslag wordt betaald, zijn verplichting als bedoeld in artikel
17a, achtste lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a.
is de Sociale verzekeringsbank, in afwijking van artikel
4:93, vierde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete
voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b.
geldt de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c tot en
met 475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel
4:116 van de Algemene wet bestuursrecht,
niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
Art. 17h. [Verrekening bestuurlijke
boete bij recidive] [Geschiedenis:
Stb.
2012, 462]
-1. Bij de verrekening, bedoeld in artikel
17g, eerste lid, wordt de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel
17a,
vijfde lid, door Sociale verzekeringsbank, in afwijking van artikel
4:93, vierde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, verrekend gedurende
een tijdvak van ten hoogste vijf jaar vanaf het moment van de
dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.
-2. Artikel 17g, eerste lid, en het eerste
lid zijn van overeenkomstige toepassing op de verrekening van de
bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, indien en voor
zover op het moment van verrekening, bedoeld in het eerste lid, de
bestuurlijke boete door de overtreder niet is betaald.
-3. De Sociale verzekeringsbank kan op
verzoek van degene aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd, besluiten
het eerste en tweede lid niet of niet meer toe te passen indien, gelet
op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.
-4. De voorgaande leden laten de
verrekening van de bestuurlijke boete op grond van artikel 17g, eerste,
na het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, onverlet.
-5. Indien als gevolg van de verrekening,
bedoeld in het eerste en tweede lid, algemene bijstand op grond van de
Wet werk en bijstand wordt toegekend, wordt bij de verrekening een bij
ministeriële regeling bepaald deel van de kinderbijslag
op grond van
deze wet vrijgelaten in verband met zorgkosten, woonkosten en de kosten
van kinderen. Het vrij te laten deel van de kinderbijslag kan
afhankelijk worden gesteld van de leefsituatie.
§
3.
De
betaling van de kinderbijslag
Art.
18. [Betaalbaarstelling kinderbijslag]
[Geschiedenis:
Stb. 2001, 128; Stb.
2001, 625; Stb. 2009, 265;
Stb. 2010, 74; Stb. 2010,
838]
-1. De
Sociale verzekeringsbank betaalt de kinderbijslag
zo
spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na afloop van het kwartaal
waarover recht op kinderbijslag bestaat.
-2. Indien
twee personen die gezamenlijk een huishouden vormen, over eenzelfde tijdvak recht op kinderbijslag voor eenzelfde kind
hebben, wordt de kinderbijslag uitbetaald aan degene van hen die zij
gezamenlijk daartoe hebben aangewezen.
-3. Bij gebreke van een gezamenlijke aanwijzing
als bedoeld in het tweede lid bepaalt de Sociale verzekeringsbank aan
welke persoon de kinderbijslag wordt uitbetaald.
-4. Indien twee of meer personen waaronder één persoon tot wiens
huishouden het kind behoort, over eenzelfde tijdvak recht op kinderbijslag voor
eenzelfde kind hebben, wordt de kinderbijslag waarop degene recht heeft tot wiens huishouden
dit kind niet behoort, niet betaald.
-5. Indien twee of meer personen over eenzelfde tijdvak recht hebben
op kinderbijslag voor eenzelfde kind, in andere situaties dan bedoeld in
het tweede en vierde lid, wordt betaald de kinderbijslag waarop degene
recht heeft die de hoogste bijdrage in het onderhoud van dit kind levert.
Aan de andere personen wordt geen kinderbijslag uitbetaald.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot
situaties van samenloop, bedoeld in het tweede, vierde en vijfde lid, nadere en
aanvullende regels worden gesteld waarbij bepaald kan worden dat aan een
ander persoon de kinderbijslag wordt uitbetaald dan de persoon, bedoeld
in het vierde en vijfde lid. [Sk]
-7. De kinderbijslag die op grond van het tweede tot en met zesde lid
aan een verzekerde wordt betaald, kan op verzoek van die verzekerde in
gedeelten aan meer verzekerden worden betaald.
-8. Indien de kinderbijslag in het
buitenland wordt uitbetaald, geschiedt de betaling, in afwijking van artikel
4:89, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe
door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
Art.
19. [Opschorting of schorsing betaling
kinderbijslag] [Bckgbn] [Geschiedenis:
Stb. 2001, 625;
Stb. 2012, 463]
De Sociale
verzekeringsbank schort de betaling van de
kinderbijslag
op of schorst de
betaling, indien zij op grond van duidelijke aanwijzingen
van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat:
a. het recht op kinderbijslag niet of niet meer bestaat;
b. recht op een lagere kinderbijslag bestaat; of
c. de verzekerde, alsmede de persoon aan wie of de instelling aan
welke op grond van artikel
21 kinderbijslag wordt betaald, een verplichting
hem of haar op grond van de
artikelen 15, 15a, eerste lid,
en 16 opgelegd, niet is nagekomen.
Art.
19a. [Opschorting betaling kinderbijslag
bij afwijking adres] [Geschiedenis:
Stb. 2001, 67; Stb.
2001, 625]
-1. De Sociale verzekeringsbank
schort de betaling van de
kinderbijslag
op indien blijkt dat het door de
verzekerde verstrekte adres van hemzelf of van zijn kind afwijkt van het adres waaronder de
verzekerde of het kind in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat
ingeschreven.
-2. Geen opschorting vindt plaats:
a. indien de afwijking
redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op of de hoogte
van de kinderbijslag;
b. indien de belanghebbende van
de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
-3. De Sociale verzekeringsbank doet
schriftelijk mededeling van de opschorting aan de verzekerde.
-4. De opschorting wordt beëindigd zodra
het aan de Sociale verzekeringsbank gebleken is dat de afwijking niet
meer bestaat.
Art.
20. [Nadere regelgeving samenloop met
buitenlandse kinderbijslag] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 789; Stb.
2010, 74]
Indien voor hetzelfde kind kinderbijslag of
een naar aard en strekking daarmee overeenkomende gezinsbijslag kan
worden betaald ingevolge deze wet en ingevolge een rechtens geldende
regeling bestaande in een ander land of ingevolge een regeling van een
volkenrechtelijke organisatie, kunnen bij ministeriële regeling regels
worden gesteld ter voorkoming of beperking van samenloop met dergelijke
gezinsbijslagen of ter voorkoming van dubbele kinderbijslag. [Rsbt08]
[RskAbkkrvo]
Art.
21. [Betaalbaarstelling kinderbijslag aan
ander] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1995, 198; Stb.
2001, 625]
De Sociale
verzekeringsbank is bevoegd, voor zover nodig na
ingewonnen advies van het Landelijk Bureau Inning
Onderhoudsbijdragen, de
kinderbijslag
voor een kind te
betalen aan een ander dan de rechthebbende.
Art.
21a. [Voorschot] [Geschiedenis:
Stb. 2003, 544; Stb.
2009, 265]
Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald,
wordt een voorschot op de nog niet vastgestelde kinderbijslag
beschouwd als kinderbijslag op grond van deze wet.
Art.
22. [Verjaring betaalbaarstelling]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 2001, 625]
De
kinderbijslag
die niet in ontvangst is genomen of is
ingevorderd
binnen drie maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer
betaald. De Sociale
verzekeringsbank is bevoegd in bijzondere gevallen ten gunste
van degene aan wie de kinderbijslag wordt betaald af te wijken van de in
de eerste volzin genoemde drie maanden.
Art.
23. [Onvervreemdbaarheid kinderbijslag]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1998, 446; Stb.
2004, 728]
-1. De
kinderbijslag
is:
a. onvervreemdbaar;
b. niet vatbaar voor verpanding of belening;
c. behoudens voor zoveel dit dient tot verhaal van een uitkering tot levensonderhoud van het
kind of tot terugvordering van onverschuldigd betaalde kinderbijslag als
bedoeld in artikel 24,
niet vatbaar voor
executoriaal of conservatoir beslag noch voor beslag ingevolge faillissement of
toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
-2. Volmacht tot ontvangst van kinderbijslag, onder welke vorm of
welke benaming ook door de verzekerde verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig met enige bepaling van dit
artikel is nietig.
Art.
24. [Terugvordering] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1996,
248; Stb. 1997, 789;
Stb. 1998, 278 + bis;
Stb. 1998, 742; Stb.
2001, 625; Stb. 2009, 265;
Stb.
2012, 462]
-1. De
kinderbijslag
die als gevolg van een besluit als bedoeld in
artikel 14a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd
is betaald, wordt door de Sociale verzekeringsbank van de verzekerde, dan wel degene met wie
hij een huishouding vormt, of de persoon aan
wie op grond van artikel
21 kinderbijslag wordt betaald, teruggevorderd.
-2. In afwijking van het eerste lid kan de Sociale
verzekeringsbank
besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien indien
de verzekerde, dan wel degene met wie hij een huishouding vormt, of de persoon aan
wie op grond van artikel
21 kinderbijslag wordt betaald:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft
voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen
heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode,
vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de
invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk
is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.
-3. De in het tweede lid, onderdeel a, b
en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg
is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld
in artikel 15.
-4. De in het tweede lid, onderdeel a en
b, genoemde termijn is drie jaar,
indien:
a. het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen
475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk
nakomen
van de verplichting, bedoeld in artikel 15.
-5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan de Sociale
verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te
zien.
-6. Degene van wie wordt teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan
de Sociale verzekeringsbank de inlichtingen te verstrekken die voor de
terugvordering van belang zijn.
-7. In afwijking van het eerste lid kan de Sociale
verzekeringsbank,
onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van
terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister
vast te stellen bedrag niet te boven gaat. [Rtgb]
Art.
24a. [Invordering bij dwangbevel] [Geschiedenis:
Stb. 1996,
248; Stb. 1998, 278;
Stb. 2001, 625; Stb.
2004, 728; Stb. 2009, 265]
-1. De Sociale
verzekeringsbank kan de onverschuldigd betaalde kinderbijslag,
bedoeld in artikel 24, eerste lid, invorderen bij
dwangbevel.
-2. Artikel 17g is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. indien het gemiddeld
inkomen van de belanghebbende gedurende drie jaar de beslagvrije
voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan, de Sociale verzekeringsbank de
aflossingsbedragen lager vaststelt; en
b. indien degene van wie
wordt teruggevorderd, dan wel degene met wie hij een huishouden
vormt, kinderbijslag op grond van deze wet ontvangt, in afwijking van
artikel 17g, eerste lid, het besluit tot terugvordering ten uitvoer kan worden
gelegd door verrekening met die bijslag.
Art.
24b. [Nadere regelgeving tenuitvoerlegging
onverschuldigde betaling]
[Geschiedenis:
Stb. 1996,
248; Stb. 1998, 278;
Stb. 2001, 625 + bis;
Stb. 2009, 265]
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is
vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
[BibobbAAA] [Rtbbtob]
Art.
24c. [Schuldregeling] [Geschiedenis:
Stb. 2008, 510; Stb. 2011, 618]
-1. In afwijking van artikel
24, eerste lid, kan de Sociale verzekeringsbank,
op verzoek van de verzekerde, dan wel degene met wie hij een huishouding
vormt, of de persoon aan wie op grond van de artikelen 7c
of 21 kinderbijslag wordt
betaald, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van
verdere terugvordering af te zien bij medewerking aan een
schuldregeling, indien:
a. redelijkerwijs te voorzien is dat
verzekerde, dan wel degene met wie hij een huishouding vormt, of de
persoon aan wie op grond van de artikelen 7c of
21 kinderbijslag wordt betaald, niet zal kunnen
voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand
verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen;
b. redelijkerwijs te voorzien is dat
een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in
het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder
een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van de Sociale
verzekeringsbank wegens onverschuldigde betaling ten minste zal worden
voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van
gelijke rang;
d. een naar het oordeel van de
Sociale verzekeringsbank betrouwbaar voorstel voor een schuldregeling tot stand is gekomen
door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48
van de Wet
op het consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat medewerking
aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend werkt; en
f. uitdeling in het kader van de
schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing
indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door de
verzekerde, dan wel degene met wie hij een huishouding vormt, of de
persoon aan wie op grond van artikel 21 kinderbijslag
wordt betaald, van de verplichting, bedoeld in artikel 15,
en hiervoor een boete als bedoeld in artikel 17a
is opgelegd, dan wel met betrekking tot het niet naleven van die
verplichting aangifte is gedaan op grond van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het besluit tot het afzien van
terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten
nadele van de verzekerde, dan wel degene met wie hij een huishouding
vormt, of de persoon aan wie op grond van de artikelen 7c
of 21 kinderbijslag wordt betaald, gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf maanden nadat
dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is gekomen die
voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. de verzekerde, dan wel degene met
wie hij een huishouding vormt, of de persoon aan wie op grond van artikel
21 kinderbijslag wordt betaald, zijn schuld aan de Sociale
verzekeringsbank niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige gegevens
zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
een ander besluit zou hebben geleid.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen met
betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten aanzien van
de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Art.
24d. [Preferentie] [Geschiedenis:
Stb. 2008, 510; Stb.
2011, 618]
Een vordering van de Sociale verzekeringsbank
als bedoeld in de artikelen 24 en 24c
is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld in artikel 288 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek.
Art.
25. [Betaling kinderbijslag aan IB-Groep]
[Geschiedenis:
Stb. 1995, 200; Stb.
1995, 220; Stb. 1995,
676; Stb. 2000, 286;
Stb. 2000, 593; Stb.
2001, 225; Stb. 2001,
625; Stb. 2009, 492]
-1. Indien over een
tijdvak waarover krachtens de Wet
studiefinanciering 2000 aan een kind studiefinanciering is verleend, naderhand ten
behoeve van dat kind recht op kinderbijslag wordt vastgesteld, is de Sociale
verzekeringsbank bevoegd die kinderbijslag over dat tijdvak en over
latere tijdvakken, in plaats van aan degene aan wie de kinderbijslag zou
dienen te worden betaald, zonder diens machtiging tot het bedrag van de betaalde studiefinanciering
over dat tijdvak te betalen aan Onze Minister
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
-2. Van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan de Sociale
verzekeringsbank gebruik maken tot en met twee kalenderjaren na de
vaststelling
van het recht op kinderbijslag.
-3. Hetgeen in het eerste en het tweede lid is bepaald ten aanzien van
studiefinanciering, verleend krachtens de Wet studiefinanciering 2000, is
van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een tegemoetkoming in de
onderwijsbijdrage en de schoolkosten,
verleend krachtens hoofdstuk 4 van de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
-4.
De Sociale verzekeringsbank kan aan een verzekerde ten onrechte betaalde
kinderbijslag verrekenen met een tegemoetkoming waarop een verzekerde
ten behoeve van hetzelfde kind op grond van artikel 3, eerste lid,
juncto artikel 9 van de Kaderwet
SZW-subsidies en de daarop berustende
bepalingen aanspraak maakt.
HOOFDSTUK
IV
Bijzondere
bepalingen voor kinderen die vóór 1 oktober 1986 zijn geboren
Vervallen
Art.
26.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1995, 200 + bis;
Stb. 1995, 220; Stb.
1995, 691 + bis; Stb.
1997, 33]
Art.
26a. Vervallen.
[Geschiedenis:
Stb. 1995, 691 + bis;
Stb. 1997, 33]
Art.
27. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1995, 220; Stb.
1995, 691 + bis; Stb.
1997, 33]
Art.
28. Vervallen.
[Geschiedenis:
Stb. 1995, 691 + bis;
Stb. 1997, 33]
Art.
29. Vervallen.
[Geschiedenis:
Stb. 1995, 691 + bis;
Stb. 1997, 33]
HOOFDSTUK
V
De
financiering
Art.
29a. [Beheer, administratie en financiering
AKf] [Geschiedenis:
Stb. 1996,
248; Stb. 2001, 625]
-1. De
Sociale verzekeringsbank beheert en administreert
afzonderlijk
de middelen tot dekking van de uitgaven, bedoeld in het derde lid, in de
vorm van een Algemeen Kinderbijslagfonds dat deel uitmaakt van de
Sociale verzekeringsbank, alsmede door de met toepassing van artikel 17a
verkregen boeten.
-2. In de middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van het Algemeen
Kinderbijslagfonds wordt voorzien door het Rijk, onderscheidenlijk de
afdracht van de boeten, bedoeld in artikel 17a, door de Sociale verzekeringsbank.
-3. De ingevolge deze wet uit te keren kinderbijslagen en de aan de
uitvoering van deze wet verbonden kosten komen ten laste van het Algemeen
Kinderbijslagfonds.
Art. 29b.
Vervallen. [Geschiedenis]
HOOFDSTUK
VI
Bepalingen in
verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie
Art.
29c. [Beslistermijnen aanvraag]
[Geschiedenis:
Stb. 2001, 627; Stb.
2009, 542; Stb. 2011, 618]
-1. Een
beschikking op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen
wordt gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
-2. De redelijke termijn is in ieder geval
verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen
beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde lid is gedaan.
-3. Indien een beschikking niet binnen de
termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een
redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in
kennis gesteld.
Art.
29d. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb.
2012, 682]
Art.
30. [Beslistermijn bezwaar] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb.
2001, 625; Stb. 2009, 384]
In afwijking van artikel
7:10, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht
beslist de Sociale verzekeringsbank binnen dertien weken,
gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het
bezwaarschrift is verstreken.
Art.
31. [Beroep in cassatie] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 789]
-1. Tegen uitspraken van de
Centrale Raad van Beroep kan
ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde
toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2,
3 of 6.
-2. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in
cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in
belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van
Beroep
de plaats inneemt van een gerechtshof.
Art. 32. Vervallen.
[Geschiedenis:
OvW; MvT]
HOOFDSTUK
VII
Strafbepalingen
Art. 33.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT]
Art.
34. Vervallen.
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 2000, 40]
Art.
35. Vervallen.
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 2000, 40]
Art.
36. [Strafbepaling gedraging strijdig met AMvB]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 2000, 40; Stb.
2009, 265]
Een gedraging die in strijd is met een krachtens deze wet
uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in
de zin van dit artikel aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten
hoogste één maand of geldboete van de tweede categorie. Het feit wordt beschouwd
als een overtreding.
Art. 37.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 2000, 40; Stb.
2003, 544; Stb. 2004, 50]
Art. 38. Vervallen.
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1995, 691; Stb.
2000, 40; Stb. 2004, 50]
Art.
39. Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1996,
248; Stb. 2001, 625;
Stb. 2009, 265]
Art. 40.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 2000, 40]
HOOFDSTUK
VIII
Slotbepalingen
Art.
41. [Ministeriële regelgeving]
[Geschiedenis:
OvW; MvT]
Hetgeen nog ter uitvoering van deze wet nodig is, wordt
geregeld bij ministeriële regeling.
[Rik97]
Art. 41a.
[Overgangsrecht 1 januari 2010 recht op
kinderbijslag] [Geschiedenis;
Stb. 2010, 74]
Artikel 7, zoals dat artikel luidde op de
dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel
C, van
de Wet van 4 februari 2010 tot wijziging van de Algemene
Kinderbijslagwet en de Algemene nabestaandenwet in verband met
aanpassing aan de invoering van een kwalificatieplicht in de
Leerplichtwet 1969 en het aanbrengen van een aantal vereenvoudigingen in
de Algemene Kinderbijslagwet alsmede enkele andere aanpassingen van die
wet (Stb. 2010, 74), blijft van toepassing op het kind dat op 1 oktober 2009
de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt. [Rk10]
Art.
41b. [Overgangsrecht
1 januari 1995 hoogte kinderbijslag]
[Geschiedenis;
Stb. 2010, 74]
-1. In afwijking van
artikel 12, eerste
lid, geldt voor een kind dat is geboren vóór 1 januari 1995 artikel
12, eerste tot en met vijfde lid, zoals dit op 31 december 1994 luidde.
-2. Artikel 13 is van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van de rangordebedragen, bedoeld in artikel
12,
vierde lid, onderdeel b, c en d, zoals dat artikel luidde op 31 december
1994.
-3. Bij de toepassing van het eerste lid
is het rangordebedrag voor het eerste kind gelijk aan het bedrag,
bedoeld in artikel 12, eerste lid.
Art.
42. [Citeertitel] [Geschiedenis:
OvW; MvT]
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel: "Algemene
Kinderbijslagwet".
Art.
43. [Inwerkingtreding] [Geschiedenis:
OvW; MvT]
De artikelen van deze wet treden in werking met ingang van
een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.¹
1. Bij Besluit van 23 juli 1962, Stb.
1962, 256, is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald op 1 augustus 1962, red.
Lasten en bevelen dat deze in het
Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en
Ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen
houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 26 april
1962
JULIANA
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
G.M.J. Veldkamp
De Staatssecretaris van Financiën,
Van den Berge
De Minister van Binnenlandse Zaken
a.i.,
A.C.W. Beerman
Uitgegeven de vierentwintigste mei
1962
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
MEMORIE
VAN TOELICHTING
|
|