|
3 december 2002/nr. SV/V&V/02/92862
Directie Sociale Verzekering
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte;
Gelet op artikel 8 van de Algemene
Kinderbijslagwet;
Besluit:
Art. 1. Gelijkstelling
met pleegkind
-1. Indien een kind onder gezag staat van een verzekerde niet zijnde
zijn wettige ouder en door die verzekerde als een eigen kind wordt
onderhouden, wordt dit kind ten aanzien van die verzekerde gelijkgesteld
met een pleegkind.
-2. Indien een kind tot het
huishouden behoort van een verzekerde
niet zijnde zijn wettige ouder en door
die verzekerde:
a. als een eigen kind wordt
onderhouden; en
b. wordt verzorgd;
wordt dit kind ten aanzien
van die verzekerde gelijkgesteld met een pleegkind.
-3. Het eerste en tweede lid
zijn van toepassing voor zover niet
reeds een andere verzekerde voor dit
kind recht heeft op kinderbijslag. Het
tweede lid is van toepassing voor zover
het kind niet reeds op grond van het
eerste lid is gelijkgesteld met een pleegkind.
Art.
1a. Grondslag
Deze regeling berust op artikel 4, vierde
lid, van de Algemene Kinderbijslagwet.
Art. 2.
Intrekking
De Regeling van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 24 juni 1983, nr. 52 303,
tot uitvoering van artikel 8 van
de Algemene Kinderbijslagwet (Stcrt. 1983,
124) wordt
ingetrokken.
Art. 3.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking met ingang van 1 januari 2003.
Art. 4.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling gelijkstelling
pleegkinderen.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 3 december
2002.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte.
TOELICHTING
[3 december 2002]
Het doel van de
Algemene Kinderbijslagwet (hierna:
AKW) is het verstrekken van een financiële tegemoetkoming (kinderbijslag) in de kosten van kinderen aan
verzekerden. Artikel 7, eerste lid, van
de AKW bepaalt dat een verzekerde
onder in de AKW gestelde voorwaarden
recht heeft op kinderbijslag voor
niet alleen een eigen kind of een
aangehuwd kind, maar ook voor een
pleegkind. In artikel 7, elfde lid, van
de AKW is nader bepaald dat een kind
als een pleegkind wordt beschouwd
indien het als een eigen kind wordt
onderhouden en opgevoed.
Artikel 8 van de AKW geeft
de Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid de
bevoegdheid om te bepalen in welke situaties een kind dat niet op grond van
artikel 7, elfde lid, van de AKW als pleegkind kan
worden beschouwd, niettemin met een
pleegkind kan worden gelijkgesteld.
De Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) heeft het
begrip "opvoeden" in artikel 7, elfde lid, van de AKW beperkt uitgelegd.
De CRvB is van oordeel dat een
verzekerde slechts dan geacht kan
worden een kind als een eigen kind
op te voeden als hij met betrekking tot
de opvoeding de plaats inneemt
van de ouder van dat kind en er in
dit opzicht sprake is van een
nauwe en exclusieve relatie tussen
hem en het kind. Naar het oordeel van
de CRvB betekent dit dat in beginsel
géén pleegouderschap wordt aangenomen zolang een nog levende ouder bevoegd is
én in staat
blijft belangrijke beslissingen te nemen. Dit
is de vaste lijn in de
jurisprudentie (zie bijvoorbeeld CRvB, 14 februari
1990, AB 1990/410). Hetzelfde geldt
zolang een andere persoon de voogdij over het kind heeft. Zodra een ander
dan de feitelijke verzorger en
opvoeder juridische verantwoordelijkheid draagt voor de opvoeding van het
kind, staat dit eraan in de weg
dat het kind als pleegkind van de
verzorger (en feitelijke opvoeder van het
kind) wordt aangemerkt.
Als gevolg van deze
jurisprudentie is het vaak onmogelijk om
een kind als pleegkind voor de AKW
aan te merken, zolang de relatie
van de verzekerde pleegouder of voogd met het kind niet kan worden
aangemerkt als een nauwe en exclusieve
relatie zoals bedoeld door de CRvB. Aan de
drager van de juridische
verantwoordelijkheid voor het kind dat in een ander huishouden wordt
opgevoed, kan op grond van de jurisprudentie echter ook geen
kinderbijslag worden uitgekeerd omdat in deze
situatie evenmin sprake is van een
nauwe en exclusieve relatie, zelfs
wanneer de juridisch verantwoordelijke
persoon tevens in de kosten van het
kind voorziet. Vastgesteld moet
worden dat de jurisprudentie de
wezenlijke bedoeling van de AKW, het toekennen van een tegemoetkoming in de
kosten van kinderen, in de
weg staat. Deze gang van zaken dient in
bepaalde gevallen te worden
doorbroken. Uit de uitvoeringspraktijk
blijkt dat het vereiste dat de
opvoedingsrelatie exclusief is vooral in de
volgende twee situaties het uitkeren
van kinderbijslag op een ongewenste wijze in
de weg staat:
a. Verzekerden wier
juridische rechten en plichten vrijwel gelijk
zijn aan die van wettige ouders,
bijvoorbeeld in geval van voogdij, worden
niet gelijk behandeld met wettige ouders als het kind in een ander
huishouden verblijft. Door de afstandelijkheid wordt immers niet voldaan
aan het in de jurisprudentie
vastgelegde vereiste dat sprake moet zijn van
opvoeding in een nauwe en exclusieve
relatie. Ook al voldoet de verzekerde
aan de voorwaarde dat hij het kind
als een eigen kind onderhoudt, hem
kan door het ontbreken van een nauwe
en exclusieve relatie geen kinderbijslag worden toegekend.
b. Verzekerden die een kind
in hun huishouden hebben en
materieel gezien geheel verantwoordelijk zijn voor de dagelijkse
verzorging en opvoeding van het kind, kunnen over het algemeen niet als
pleegouders worden aangemerkt wanneer de formele verantwoordelijkheid voor
het kind bij een andere persoon
(bijvoorbeeld een wettige ouder) of
instantie ligt. Ondanks het feit dat
de verzekerde het kind in zijn huishouden
als een eigen kind verzorgt en in
het onderhoud van het kind voorziet, heeft deze veelal geen recht op
kinderbijslag, omdat in deze situatie geen
sprake is van een exclusieve
relatie. Dit doet zich in de praktijk
onder meer voor wanneer het kind in het
huishouden van de grootouder of een ander familielid verblijft.
De natuurlijke ouders die niet in het
onderhoud voorzien, hebben in deze
situatie echter evenmin recht op
kinderbijslag.
Samenvattend voorziet deze
regeling in het recht op
kinderbijslag in de volgende twee situaties:
Artikel 1, eerste lid
Het gaat hier om een
verzekerde van wie de juridische rechten en
plichten vrijwel gelijk zijn aan die
van wettige ouders, bijvoorbeeld in
geval van voogdij. De verzekerde
onderhoudt een kind als een eigen kind
hoewel het in een ander huishouden
verblijft. Door het verblijf in een
ander huishouden wordt echter niet voldaan aan het vereiste dat sprake
moet zijn van opvoeding in een nauwe
en exclusieve relatie. In deze
situatie zou volgens de hoofdregel en de
daaraan gerelateerde jurisprudentie
geen enkele partij recht kunnen doen
gelden op kinderbijslag. Dit is echter
niet de bedoeling van de wet. Door
in deze situatie het kind ten
aanzien van de persoon die het kind als een
eigen kind onderhoudt en van wie de juridische rechten en plichten vrijwel
gelijk zijn aan die van de wettige
ouder, gelijk te stellen met een
pleegkind, wordt hiermee het ontstaan
van een recht op kinderbijslag voor
dat kind mogelijk.
Artikel 1, tweede lid
Het gaat hier om een
verzekerde die een kind in zijn huishouden
heeft en geheel in de opvoeding en
materiele verzorging van dit kind
voorziet. Niettemin heeft hij volgens de hoofdregel van de wet en de daaraan
gerelateerde jurisprudentie geen recht op kinderbijslag,
omdat de
formele verantwoordelijkheid voor het kind bij een andere persoon
(bijvoorbeeld een wettige ouder) of instantie
ligt. Hierdoor kan geen enkele partij recht doen gelden op
kinderbijslag. Dit is echter niet de bedoeling van
de wet. Door in deze situatie het
kind ten aanzien van de persoon die
het kind in zijn huishouden als een
eigen kind verzorgt en onderhoudt
gelijk te stellen met een pleegkind, wordt
hiermee het ontstaan van een recht
op kinderbijslag voor dat kind mogelijk. Hieruit dient te worden
opgemaakt dat in deze situatie geen
sprake kan zijn van gelijkstelling met
een pleegkind indien door derden in de
kosten van dit kind wordt
bijgedragen, bijvoorbeeld wanneer pleeggeldvergoeding wordt verstrekt.
Deze op grond van artikel 8
van de AKW getroffen regeling
beoogt naast het mogelijk ontstaan van
een recht op kinderbijslag in de twee
bovenomschreven situaties ook een
redactionele herziening. De situaties
zoals bedoeld in artikel 1, eerste
en tweede lid, van de bij deze
regeling ingetrokken regeling komen in deze
regeling te vervallen aangezien het
daarmee beoogde doel nu eveneens
onder de reikwijdte valt van het huidige artikel 1, eerste en tweede lid.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte.
|
|