St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Algemene Kinderbijslagwet
Nadere regelgeving
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

REGELING  GELIJKSTELLING  PLEEGKINDEREN
 
 

3 december 2002, Stcrt. 2002, 236
Inwerkingtreding: 1 januari 2003
(T.a.v. art. 4:4 AKW)

 

  
 

 

 
3 december 2002/nr. SV/V&V/02/92862
Directie Sociale Verzekering
 
    
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte;
     Gelet op artikel 8 van de Algemene Kinderbijslagwet;
 
     Besluit:

 

 

Art. 1. Gelijkstelling met pleegkind
-1. Indien een kind onder gezag staat van een verzekerde niet zijnde zijn wettige ouder en door die verzekerde als een eigen kind wordt onderhouden, wordt dit kind ten aanzien van die verzekerde gelijkgesteld met een pleegkind.
-2. Indien een kind tot het huishouden behoort van een verzekerde niet zijnde zijn wettige ouder en door die verzekerde:
a. als een eigen kind wordt onderhouden; en
b. wordt verzorgd;
wordt dit kind ten aanzien van die verzekerde gelijkgesteld met een pleegkind.
-3. Het eerste en tweede lid zijn van toepassing voor zover niet reeds een andere verzekerde voor dit kind recht heeft op kinderbijslag. Het tweede lid is van toepassing voor zover het kind niet reeds op grond van het eerste lid is gelijkgesteld met een pleegkind.

 

Art. 1a. Grondslag
Deze regeling berust op artikel 4, vierde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet.

 

Art. 2. Intrekking
De Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 juni 1983, nr. 52 303, tot uitvoering van artikel 8 van de Algemene Kinderbijslagwet (Stcrt. 1983, 124) wordt ingetrokken.

 

Art. 3. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2003.

 

Art. 4. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling gelijkstelling pleegkinderen.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

’s-Gravenhage, 3 december 2002.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte
.

 

 

 

TOELICHTING
[3 december 2002]

 

    Het doel van de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: AKW) is het verstrekken van een financiële tegemoetkoming (kinderbijslag) in de kosten van kinderen aan verzekerden. Artikel 7, eerste lid, van de AKW bepaalt dat een verzekerde onder in de AKW gestelde voorwaarden recht heeft op kinderbijslag voor niet alleen een eigen kind of een aangehuwd kind, maar ook voor een pleegkind. In artikel 7, elfde lid, van de AKW is nader bepaald dat een kind als een pleegkind wordt beschouwd indien het als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.
     Artikel 8 van de AKW geeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de bevoegdheid om te bepalen in welke situaties een kind dat niet op grond van artikel 7, elfde lid, van de AKW als pleegkind kan worden beschouwd, niettemin met een pleegkind kan worden gelijkgesteld.
     De Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) heeft het begrip "opvoeden" in artikel 7, elfde lid, van de AKW beperkt uitgelegd. De CRvB is van oordeel dat een verzekerde slechts dan geacht kan worden een kind als een eigen kind op te voeden als hij met betrekking tot de opvoeding de plaats inneemt van de ouder van dat kind en er in dit opzicht sprake is van een nauwe en exclusieve relatie tussen hem en het kind. Naar het oordeel van de CRvB betekent dit dat in beginsel géén pleegouderschap wordt aangenomen zolang een nog levende ouder bevoegd is én in staat blijft belangrijke beslissingen te nemen. Dit is de vaste lijn in de jurisprudentie (zie bijvoorbeeld CRvB, 14 februari 1990, AB 1990/410). Hetzelfde geldt zolang een andere persoon de voogdij over het kind heeft. Zodra een ander dan de feitelijke verzorger en opvoeder juridische verantwoordelijkheid draagt voor de opvoeding van het kind, staat dit eraan in de weg dat het kind als pleegkind van de verzorger (en feitelijke opvoeder van het kind) wordt aangemerkt.
     Als gevolg van deze jurisprudentie is het vaak onmogelijk om een kind als pleegkind voor de AKW aan te merken, zolang de relatie van de verzekerde pleegouder of voogd met het kind niet kan worden aangemerkt als een nauwe en exclusieve relatie zoals bedoeld door de CRvB. Aan de drager van de juridische verantwoordelijkheid voor het kind dat in een ander huishouden wordt opgevoed, kan op grond van de jurisprudentie echter ook geen kinderbijslag worden uitgekeerd omdat in deze situatie evenmin sprake is van een nauwe en exclusieve relatie, zelfs wanneer de juridisch verantwoordelijke persoon tevens in de kosten van het kind voorziet. Vastgesteld moet worden dat de jurisprudentie de wezenlijke bedoeling van de AKW, het toekennen van een tegemoetkoming in de kosten van kinderen, in de weg staat. Deze gang van zaken dient in bepaalde gevallen te worden doorbroken. Uit de uitvoeringspraktijk blijkt dat het vereiste dat de opvoedingsrelatie exclusief is vooral in de volgende twee situaties het uitkeren van kinderbijslag op een ongewenste wijze in de weg staat:
a. Verzekerden wier juridische rechten en plichten vrijwel gelijk zijn aan die van wettige ouders, bijvoorbeeld in geval van voogdij, worden niet gelijk behandeld met wettige ouders als het kind in een ander huishouden verblijft. Door de afstandelijkheid wordt immers niet voldaan aan het in de jurisprudentie vastgelegde vereiste dat sprake moet zijn van opvoeding in een nauwe en exclusieve relatie. Ook al voldoet de verzekerde aan de voorwaarde dat hij het kind als een eigen kind onderhoudt, hem kan door het ontbreken van een nauwe en exclusieve relatie geen kinderbijslag worden toegekend.
b. Verzekerden die een kind in hun huishouden hebben en materieel gezien geheel verantwoordelijk zijn voor de dagelijkse verzorging en opvoeding van het kind, kunnen over het algemeen niet als pleegouders worden aangemerkt wanneer de formele verantwoordelijkheid voor het kind bij een andere persoon (bijvoorbeeld een wettige ouder) of instantie ligt. Ondanks het feit dat de verzekerde het kind in zijn huishouden als een eigen kind verzorgt en in het onderhoud van het kind voorziet, heeft deze veelal geen recht op kinderbijslag, omdat in deze situatie geen sprake is van een exclusieve relatie. Dit doet zich in de praktijk onder meer voor wanneer het kind in het huishouden van de grootouder of een ander familielid verblijft. De natuurlijke ouders die niet in het onderhoud voorzien, hebben in deze situatie echter evenmin recht op kinderbijslag.
     Samenvattend voorziet deze regeling in het recht op kinderbijslag in de volgende twee situaties:


Artikel 1, eerste lid

     Het gaat hier om een verzekerde van wie de juridische rechten en plichten vrijwel gelijk zijn aan die van wettige ouders, bijvoorbeeld in geval van voogdij. De verzekerde onderhoudt een kind als een eigen kind hoewel het in een ander huishouden verblijft. Door het verblijf in een ander huishouden wordt echter niet voldaan aan het vereiste dat sprake moet zijn van opvoeding in een nauwe en exclusieve relatie. In deze situatie zou volgens de hoofdregel en de daaraan gerelateerde jurisprudentie geen enkele partij recht kunnen doen gelden op kinderbijslag. Dit is echter niet de bedoeling van de wet. Door in deze situatie het kind ten aanzien van de persoon die het kind als een eigen kind onderhoudt en van wie de juridische rechten en plichten vrijwel gelijk zijn aan die van de wettige ouder, gelijk te stellen met een pleegkind, wordt hiermee het ontstaan van een recht op kinderbijslag voor dat kind mogelijk.


Artikel 1, tweede lid

     Het gaat hier om een verzekerde die een kind in zijn huishouden heeft en geheel in de opvoeding en materiele verzorging van dit kind voorziet. Niettemin heeft hij volgens de hoofdregel van de wet en de daaraan gerelateerde jurisprudentie geen recht op kinderbijslag, omdat de formele verantwoordelijkheid voor het kind bij een andere persoon (bijvoorbeeld een wettige ouder) of instantie ligt. Hierdoor kan geen enkele partij recht doen gelden op kinderbijslag. Dit is echter niet de bedoeling van de wet. Door in deze situatie het kind ten aanzien van de persoon die het kind in zijn huishouden als een eigen kind verzorgt en onderhoudt gelijk te stellen met een pleegkind, wordt hiermee het ontstaan van een recht op kinderbijslag voor dat kind mogelijk. Hieruit dient te worden opgemaakt dat in deze situatie geen sprake kan zijn van gelijkstelling met een pleegkind indien door derden in de kosten van dit kind wordt bijgedragen, bijvoorbeeld wanneer pleeggeldvergoeding wordt verstrekt.
     Deze op grond van artikel 8 van de AKW getroffen regeling beoogt naast het mogelijk ontstaan van een recht op kinderbijslag in de twee bovenomschreven situaties ook een redactionele herziening. De situaties zoals bedoeld in artikel 1, eerste en tweede lid, van de bij deze regeling ingetrokken regeling komen in deze regeling te vervallen aangezien het daarmee beoogde doel nu eveneens onder de reikwijdte valt van het huidige artikel 1, eerste en tweede lid.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | AKW | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x